Flickr / Paul Downey

Een jas uitdoen I

Op mijn drieëntwintigste verjaardag is er appelcitroentaart waar de familie mijn moeder veel complimenten over maakt. Tantes en ooms zoenen mijn wangen, elkaars wangen, de wangen van de hond. Ik krijg enveloppen met geld erin en de appelcitroentaart wordt in steeds kleinere stukken opgedeeld totdat er een forse kruimel overblijft die iedereen plichtmatig laat liggen.

Ik vraag hem tussen de bedrijven door of het gaat en hij zegt ja

Mijn vader zit aan de andere kant van de kring op een van de extra stoelen. Nog niet zo lang geleden werd hij 65 en kreeg hij een nieuw gebit. Zijn voortanden zijn witter nu, breder en langer dan voorheen. De trekken in zijn gezicht hebben door de ingreep kleine veranderingen ondergaan en ik moet er nog steeds aan wennen, aan deze nieuwe versie van mijn vader.

Vandaag is er opnieuw iets in zijn gezicht geslopen wat ik niet herken, maar ik krijg de kans niet me er op te concentreren, er zijn te veel mensen. Hij ziet bleek, dat wel. Na twee happen van de taart zet hij het bordje op de bijzettafel, staat op en steunt, stokoud ineens, op de leuning van zijn stoel. Ik vraag hem tussen de bedrijven door of het gaat en hij zegt ja.

‘Die familie van je moeder is altijd zo luidruchtig,’ glimlacht hij. Zijn rechterhand houdt hij plat op zijn borst, ik zie het aan voor een geruststellend gebaar. ‘Heb je het naar je zin?’

Om half zes zijn er nog maar een paar mensen over. Mijn moeder ruimt de tafel af, er staat een cd van The Dire Straits op. Ik kijk recht vooruit en zie alleen nog maar mijn vader, en hoe hij ademt. Zijn schouders rijzen en dalen op een kort, afgemeten ritme, zijn kin rust uitgeput op zijn borst en er is ineens geen enkele versie van mijn vader meer waar ik deze man in herken. Zeker niet wanneer hij zonder geluid en zonder enige, zichtbare weerstand van zijn stoel afglijdt. Zomaar, alsof hij niets anders doet dan zich van het ene op het andere moment volledig ontspannen. In zijn val trekt hij het tafelkleed mee, waardoor het bordje met het laatste stukje appelcitroentaart op de grond klettert.

Ik moet er nog steeds aan wennen, aan deze nieuwe versie van mijn vader

Iedereen in de kamer deinst terug. Mijn moeder staat binnen enkele seconden in de deuropening, de droogdoek nog in haar handen. Ze kijkt verschrikt en doet niets. Ik kan hem vanaf mijn plek niet zien, de tafel zit ervoor en zo ben ik na enkele seconden de eerste die opstaat en een beweging naar hem toe maakt.

Hij ligt op zijn rechterzij. Zijn schouders en hoofd zijn naar de linkerkant geklapt, zijn mond staat een stukje open. Ik draai hem op zijn rug en duw mijn wijs- en middelvinger tegen zijn keel aan – zacht vlees en ruwe stoppels, verder niets. Ik grijp zijn pols en klem mijn hand erom heen, hou mijn oor vlak bij zijn mond. Na een paar seconden twijfelen leg ik mijn handen op elkaar op zijn borst en vlecht mijn vingers ineen. Vlak voordat ik begin met tellen kijk ik achterom en zie een kamer vol standbeelden.

*

Ik ben acht jaar oud en ik kijk naar mijn vader die voor het aanrecht staat. Hij kookt water in een kleine steelpan en pakt een kom uit het keukenkastje, een pak soda vanonder de gootsteen. Zijn leesbril bungelt aan een touwtje om zijn nek – hij heeft in de tuin gewerkt vandaag. Zijn haar staat aan één kant van zijn hoofd recht overeind.

Ik zit in mijn buitenspeelbroek op de keukentafel met mijn benen over de rand. Ik laat ze cirkels draaien op de plek waar normaal mijn moeder zit en wanneer mijn vader aandachtig en traag theelepels soda in de kom begint te scheppen, stel ik me hem voor in een rommelig laboratorium, als de verwarde professor uit een van mijn stripboeken. Mijn nagelriem is ontstoken. Aan de zijkant van mijn grote teen zit een bobbel die pijn doet. Het vel is rood uitgeslagen en staat strak gespannen, het schuurt al dagen pijnlijk tegen de binnenkant van mijn schoen, maar ik durfde niets te zeggen. Toen het mijn vader opviel dat ik mank liep, moest ik mijn voet laten zien.

Ik stel hem voor in een rommelig laboratorium als de verwarde professor

Er gaan meer keukenkastjes open. Ik zie zout, jodium en een pot zonder etiket met bruin zand erin. Steeds wanneer mijn vader een nieuw ingrediënt aan de kom toevoegt verwacht ik een explosie, neonroze lichtflitsen die de keuken oplichten, onheilspellende dampen die over de rand van de kom heen schuimen, maar geen enkel ingrediënt heeft die uitwerking, zelfs het onbestemde bruine zand niet.

Hij draait het gas uit en we wachten even. Recht voor me zet hij een stoel neer die hij vanochtend speciaal uit de kelder heeft gehaald. De stoel is wit en heeft een vierkant en gelijkmatig zitvlak waar de kom stabiel op kan staan. Ik moet op tafel blijven zitten terwijl mijn vader het hete water in de kom overgiet. Hij roert met de zilveren juslepel die we nooit gebruiken.

Op zijn teken hef ik mijn been op. De stoom van het water klimt langs mijn enkels omhoog. Ik weet wat er moet gebeuren, toch pakt mijn vader mijn kuit vast en trekt mijn been zachtjes en gecontroleerd naar beneden. Wanneer mijn teen het water raakt, krijg ik het zo warm dat er onmiddellijk een vuurrode kleur in mijn wangen schiet. Ik doe er alles aan stil te blijven zitten, maar het lukt niet. Zijn handen houden mijn reflexen krachtig tegen, mijn voorvoet glijdt nog dieper het water in. Ik pers mijn lippen op elkaar om te voorkomen dat ik geluid maak. Ik wil niet huilen. Mijn vader ademt opzichtig in en uit en ik probeer zijn ritme te volgen.

‘Je doet het heel goed,’ zegt hij zacht.

*

Op een dinsdagochtend in april volg ik een BHV-cursus in buurthuis De Kring in Winterswijk. De training wordt gegeven door oud-brandweerman Hans. Hans is een woeste, breedgeschouderde verschijning, hij draagt een dikke jas met twee fluorescerende strepen dwars over zijn buik. Die jas houdt hij aan als hij op een klapstoeltje gaat zitten dat volledig ongeschikt lijkt voor zijn gigantische omvang. Na het voorstelrondje legt hij ons uit wat we vandaag gaan doen.

Op een dinsdagochtend in april volg ik een BHV-cursus

‘De ochtend is voor alles wat met vuur te maken heeft, we gaan lekker met de brandblussertjes aan de slag. De middag is voor EHBO – reanimeren, afbinden, stabiele zijligging en meer van zulks.’

Voordat we onze jassen aantrekken om richting een grote vrachtwagen te gaan waarin wordt gesimuleerd hoe het is om in een met rook gevulde ruimte de uitgang te vinden, vraagt Hans nog een moment de aandacht. Hij trekt zijn jas recht en laat zijn enorme handen rusten op de versleten kniestukken van zijn Tricorp-werkbroek.

‘Kijk. Je hebt dus twee soorten mensen,’ zijn stem klinkt als koffiebonen die door botte messen vermalen worden. ‘Bij de één zorgt adrenaline voor handelen zonder denken: er is een probleem dat koste wat kost opgelost moet worden. Bij de ander wordt het systeem juist lamgelegd en is er een blokkade. In deze kring zitten ongetwijfeld meer mensen van type twee dan van type één, maar als jullie vanmiddag met een brevetje de deur uitlopen, dan hebben jullie allemaal de verantwoordelijkheid om in een noodgeval tot actie over te gaan, en die verantwoordelijkheid heb je je leven lang.’

Je hebt dus twee soorten mensen

Tijdens de koffiepauze vertelt Hans over mensen die in een auto-ongeluk door hun riem werden onthoofd. Over verkoolde babylijkjes die uit verbrande huizen moesten worden gehaald, lichamen die al drie maanden in een seniorenflatje lagen te ontbinden. Om hem heen verzamelt zich een groep van voornamelijk mannelijke deelnemers die ademloos naar hem luistert, een kleverig petitfourtje in de hand, zowel aangetrokken als afgestoten door de bloederigste details. Ik denk: Hans heeft in zijn leven zoveel gezien dat hij er iedere dag over moet vertellen om er niet door te worden verslonden.

*

Mijn vader en ik werken samen in de tuin. Ik ontferm me over het onkruid, hij over de rest. Hij leunt vaker op zijn schoffel dan vorige zomer – er zit vocht in zijn knie waardoor hij moeilijk loopt. Het doet al maanden pijn, maar van een dokter wil hij niets weten. Iedere avond doet hij in de woonkamer dezelfde rek- en strekoefeningen op het Perzische tapijt, hij smeert zelfgemaakte zalfjes op zijn knie en gaat veel zwemmen. Het zal snel overgaan, zegt hij.

Mijn vader zegt dat je door pijn te doorleven in een andere staat van bewustzijn terecht kunt komen. Ik zou liegen als ik zei dat ik wist wat dat precies betekende. Hij zegt dat de meeste mensen bang zijn voor pijn zoals ze bang zijn voor de dood, dat ze het willen uitstellen of onderdrukken met medicijnen bijvoorbeeld, maar dat is niet hoe de natuur het heeft bedoeld. Hij zegt dat pijn een vijand is die je kunt overwinnen door hem te omarmen, te koesteren, zoals je dat uiteindelijk ook met de dood moet doen. Je lichaam is er voor gemaakt om op de proef gesteld te worden, je kunt je grenzen steeds een stukje verleggen, dat maakt je een sterk mens.

Pijn is een vijand die je kunt overwinnen door hem te omarmen

Ik wil niets liever dan net zo’n sterk mens worden als mijn vader, dus besluit ik mezelf iedere dag minstens één keer op de proef te stellen. Ik begin klein – laat mijn sloffen onder de kapstok staan en loop op blote voeten over de koude plavuizen. Als we op zondagmiddag met de hond door het bos wandelen stop ik brandnetels in de mouwen van mijn blouse en onder de douche draai ik iedere ochtend de warme kraan een stukje verder open. Onder de gloeiendhete stralen kijk ik hoe de rode vlekken op mijn bovenbenen, borst en armen langzaam groter worden. Tijdens een van deze doucherituelen voel ik een stekende pijn in mijn onderbuik als het water op zijn heetst staat. Wanneer ik met de rug van mijn hand tussen mijn benen ga, zie ik door de waterdampen heen voor het eerst menstruatiebloed langs mijn vingers sijpelen. Het voelt alsof ik iets gewonnen heb.

*

Na de pauze legt Hans ons uit hoe reanimeren werkt. We moeten de procedure oefenen op een pop die Little Annie heet. Het is een romp met een hoofd van ruw plastic, geen armen, geen onderlijf. Ter hoogte van de kruin zit een dot kort, piekerig haar dat veel wegheeft van een verfkwast, de lijmranden glimmen eromheen.

Als ik aan de beurt ben twijfel ik een moment voordat ik mijn lippen op die van de pop duw. Ze heeft geen ogen, en doordat haar mond niet meer is dan een inkeping staat het gezicht griezelig verrast. Na twee keer oefenen komt Hans kijken of ik het wel goed doe. Ik zet druk op de borst van de pop en Hans legt zijn grote handen op die van mij om te laten voelen hoeveel kracht je op het borstbeen kunt zetten zonder ribben te breken. Het plastic geeft niet makkelijk mee, na dertig compressies voel ik mijn polsen en ben ik buiten adem.

‘Jaja, een leven redden is hard werken, meis,’ grijnst hij.

Als we even mogen rusten vraagt iemand of het pijn doet, een hartaanval krijgen en of je het aan kunt zien komen. Hans staat in de deuropening met een Annie in zijn armen. Ze past precies tussen de twee fluorescerende strepen op zijn buik en voor een moment is hij niet meer dan een grote, slordige man met een kind tegen zijn borst.

‘Over het algemeen merken ze er vrij weinig van,’ zegt hij.

Dit verhaal bestaat uit twee delen. Lees hier deel II.

Meer Verhalen
Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Reacties zijn gesloten.

Naar boven