Wikimedia Commons

Een ruwe schets van een rauwe oorlog

Zo’n 1400 jaar geleden hield de profeet Mohammed halt voor de stadspoort van Damascus. Zijn metgezellen vroegen hem waarom hij de stad niet betreden wilde, waarop Mohammed antwoordde dat een mens het paradijs pas dient te betreden na zijn overlijden. Deze overlevering krijgt een bittere bijsmaak in het licht van de vernietigende oorlog die Syrië nu ruim twee jaar verscheurt.

Betrouwbare cijfers zijn er eigenlijk nauwelijks, maar de VN schatten dat tot nu toe zo’n 80,000 mensen om het leven zijn gekomen en dat 38 procent van de Syrische bevolking op de vlucht is. Naar schatting 6,8 miljoen Syriërs zijn intern ontheemd en zo’n 1,5 miljoen mensen zijn de grens over gevlucht vooral naar Turkije, Jordanië en Libanon. Burgers zijn steeds vaker het doelwit van geweld in ‘nieuwe oorlogen’ (Kaldor, 2001) in het algemeen, en Syrië is geen uitzondering. Vooral nu de oorlog hoofdzakelijk langs sektarische lijnen – Soennieten tegen Sjiieten en Alawieten – wordt gestreden, lopen burgers gevaar omdat zij als partij in de oorlog gezien worden. Regeringstroepen wreken zich vaak op de burgerbevolking van een nieuw veroverd gebied en zelfs konvooien met vluchtende burgers worden onder vuur genomen.

Syrische rebellen vielen in de afgelopen weken militaire bases van Hezbollah in Libanon aan, en de regeringstroepen hebben samen met Hezbollah op 29 mei een belangrijke slag gewonnen om Qusair. Het geweld zal voorlopig alleen maar toenemen. Een sterke positie op het strijdveld betekent immers een sterke positie aan de onderhandelingstafel straks in Genève. Dan worden veroverde dorpen en vooruitgeschoven posten onderhandelingsfiches.

Burgers lopen het gevaar als partij in de oorlog gezien worden.

De afgelopen maanden lijkt het Syrische regeringsleger de rebellen steeds meer te overvleugelen. Het regeringsleger van 110.000 man heeft een loyale kern die op 50.000 man wordt geschat. Daarnaast bericht The Guardian dat er een ‘lekenleger’ van zo’n 50.000 man opgezet is door Iran en Hezbollah, de gewapende tak van Libanese sjiitische politieke organisatie. Het regeringsleger heeft een relatief heldere hiërarchie en een grote voorsprong in wapentuig en militaire technologie. De Washington Post berichtte op 1 juni dat Rusland en Iran de Syrische regering observatiedrones, anti-mortiersystemen en storingszenders sturen. De Russische vliegtuigfabrikant MiG gaat bovendien binnen enkele maanden nog minimaal 10 MiG-jachtvliegtuigen aan Syrië leveren.

Tegenover het overheidsleger staat een verdeelde groep van zo’n 1,400 rebellenfacties, met naar schatting 100.000 strijders. Nadat de vredige demonstraties in begin 2011 weinig opleverden, begonnen kleine groepen lichtbewapende strijders zich te organiseren. Zij waren sterk afhankelijk van de giften van private geldschieters, veelal geëmigreerde Syriërs. Die steun is de laatste maanden gekelderd. Nu zijn Turkije, Qatar en Saudi Arabië de belangrijkste donoren. Qatar steunt in het bijzonder Islamistische bewegingen die aan het Moslim Broederschap gelieerd zijn. Turkije steunt vooral het Vrije Syrische Leger.

De verdeeldheid van de Syrische oppositie bedreigt de effectiviteit van de rebellen in oorlog en vrede. Nu de oorlog nog volop gestreden wordt, ondermijnt het onderlinge wantrouwen de samenwerking die cruciaal is om met die 1,400 facties een serieus tegenwicht aan het steeds verbeterende leger van Assad te vormen. Wanneer straks over vrede gesproken wordt, kan een verdeelde oppositie met verschillende belangen makkelijk uit elkaar gespeeld worden.

De internationale gemeenschap is al net zo verdeeld, en steunt verschillende facties. Dat heeft alles te maken met geopolitiek, en met frictie tussen de lidstaten van de VN Veiligheidsraad. Het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk dwongen af dat het EU-embargo op wapenexport naar Syrische oppositiestrijders eind mei afliep. Werkelijk militair ingrijpen is impopulair bij de Britse bevolking, maar William Hague, Britse minister van buitenlandse zaken, hoopt met de dreiging van wapensteun aan rebellen president Assad te kunnen dwingen de vredesbesprekingen in Genève serieus te nemen. ‘Olie op het vuur’, noemde Sergei Ryabkov, de Russische onderminister voor Buitenlandse Zaken, dit dreigement.

Wanneer straks over vrede gesproken wordt, kan een verdeelde oppositie met verschillende belangen makkelijk uit elkaar gespeeld worden.

Rusland steunt de Syrische regering van Assad, en is mordicus tegen iedere vorm van ingrijpen die de nationale soevereiniteit aantast. Die positie is twee jaar geleden tijdens de NAVO-interventie in Libië omzeild. Toen is president Medvedev naar eigen zeggen door Westerse diplomaten met list en bedrog overgehaald in de Veiligheidsraad geen veto tegen de interventie uit te spreken. Er volgde een donderend NAVO-luchtoffensief tegen Gaddafi dat door Poetin misprijzend met een kruistocht vergeleken werd. De Russen positioneren zich nu onmiskenbaar tegen internationale interventie. Ryakbov kondigde afgelopen week zelfs aan dat Rusland een formidabel S-300 luchtafweersysteem aan Assad gaat leveren ‘ter bevordering van regionale stabiliteit’. Daarmee zou Damascus een eigen ‘no-fly zone’ kunnen opzetten, en inkomende raketten en vliegtuigen uit de lucht kunnen halen. Die Russische aankondiging werd weer beantwoord door de Israëlische premier Netanyahu, die beloofde dat Israël alles in het werk zou stellen om de S-300 bij aankomst preventief aan te vallen (Economist, 1 juni).

Nu bijna alle regionale en globale grootmachten een positie hebben ingenomen, is de positie van de VS opvallend bescheiden. De Amerikanen steunen de gematigde rebellen door sporadisch niet-militaire hulp te sturen: vrachtwagens en communicatiemiddelen. Begin mei heeft John Kerry, minister van buitenlandse zaken, in samenwerking met Rusland de vredesbesprekingen in Genève nieuw leven in geblazen. Maar het is erg de vraag wanneer de strijdende partijen bereid zijn om een serieuze afvaardiging naar Genève te sturen. De Republikeinse senator John McCain zei pas iets te zien in vredesonderhandelingen wanneer Assad zich ‘tot een nederlaag gedoemd’ ziet. Daarom pleit hij voor het sturen van wapens – liefst het stevigere geschut waarmee de rebellen zich kunnen verdedigen tegen de tanks en vliegtuigen van het regeringsleger. Maar president Obama is erg voorzichtig met toezeggingen om wapens te sturen. Hij vreest dat de wapens in handen komen van het aan al-Qaeda gelieerde al-Nusra front of dat de wapens nog jarenlang regionale instabiliteit veroorzaken. Die vrees lijkt gegrond. Immers, eerder gaven de Amerikanen voor miljarden zware wapens aan de mujahideen in Afghanistan om hun strijd tegen de Soviets te steunen. Osama bin Laden was een van die strijders.

De afgelopen maanden lijkt de asymmetrie tussen de Syrische strijdmacht(en) en de rebellen sterk toe te nemen.

Obama noemde eerder het gebruik van chemische wapens een ‘rode lijn’. Pas wanneer die gekruist zou worden, zou Amerika militair actief worden. Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk kwamen op 5 juni met schijnbaar sluitend bewijs voor het gebruik van het zenuwgas sarin. Maar Obama blijft voorzichtig. Met de invasie in Irak in het achterhoofd wil hij koste wat kost voorkomen dat Amerika op basis van rammelend bewijs betrokken raakt in een slepend militair conflict dat levens, geld en legitimiteit kost.

De geplande vredesbesprekingen in Genève zijn al een aantal keer uitgesteld en worden voorafgegaan door geïntensiveerd geweld en een wapenwedloop. Alle betrokken partijen hopen door slim oorlog te voeren, straks een gunstige positie aan de onderhandelingstafel in te nemen. Die bittere logica leidt tot een neerwaardse spiraal van oorlogsrethoriek, geweld en militaire steun. Het onbeschrijfelijke leed van miljoenen Syrische burgers dreigt in dat spel uit het beeld te raken.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven