De erfenis van de academische lente

Vijftig jaar na dato zijn de beelden van de Parijse studentenprotesten van mei 1968 nog altijd iconisch. Tegen de verwachtingen in wordt de herinnering aan die roerige maand nog wel het meest in leven gehouden door conservatief rechts. De schrijver Benno Barnard stelde onlangs in een lezing dat “het probleem van mei ‘68 is dat mei ‘68 nu al vijftig jaar duurt”. Thierry Baudet noemde dat verhaal op Twitter “een van de meest pregnante analyses” die hij ooit gelezen had. De door hen gedeelde klaagzang tegen het ‘cultuurmarxisme’ en haar vermeende coup in 1968 is sinds de discussie rondom Sid Lukassens ‘Identiteit en Avondland’ niet vreemd meer. Toch hebben deze conservatieven ongelijk: de Europese erfenis van mei ‘68 is eerder verloren dan overheersend. Sterker nog, studenten moeten haar juist weer opgraven.

Dat de herinnering aan de opschudding van ‘68 precair is geworden, merkte de Franse denker Alain Badiou, zelf een van de laatste soixante-huitards, tien jaar geleden al op. Dat de maand na veertig jaar opeens een jubileumviering kende bewees voor hem vooral dat ze ongevaarlijk was geworden. Overigens stelde dit jaar zelfs president Macron zonder ironie voor om te vieren wat zijn ambtgenoot de Gaulle destijds nog zo bedreigde. Alle conservatieve schrik voor ‘68 ten spijt: we moeten Badiou’s pessimistische vermoeden ook voor ons land bevestigen.

De Nederlandse student die politiek geëngageerd meent te zijn, is namelijk vaker in vergaderzalen van medezeggenschapsraden te vinden dan op de straat. In ‘de medezeggenschap’, zoals ingewijden de verzameling inspraakuurtjes en adviescommissies graag noemen, wordt meer moeite gestoken in nette bestuursfoto’s dan in het oplossen van de problematiek die ons onderwijs teistert. De stedelijke studentenvakbonden, ooit de voorhoede van menig protest, zijn gereduceerd tot vergaderclubjes die zich voornamelijk bezighouden met - weliswaar handig maar niet ingrijpend - juridisch advies over kamerhuur. De landelijke vakbond, de LSVB, weet van de hoed en de rand als het aankomt op ambtelijke beslissingen rondom onderwijs, maar is daarmee vooral een soort Haagse lobbyclub geworden. De Barnards van deze wereld zouden zich gelukkig moeten rekenen.

Studenten lijken hun rechten cadeau te willen krijgen

Natuurlijk zijn er altijd kritische initiatieven, zoals sinds kort de wekelijkse algemene vergaderingen van NU! in de sociaalwetenschappelijke faculteit van de UVA, ontstaan als studentenverzet tegen ingrijpende bezuinigingen. Of de bescheiden bezetting van de bestuurskamer in de Groningse letterenfaculteit in januari. Het probleem blijft: studenten slagen er niet in een kritisch geluid door te laten dringen. Dat is misschien deels te wijten aan de systematische afbraak van inspraakrechten van overheidswege. Toch ligt er ook schuld bij ons studenten. We proberen onze rechten niet op te eisen, maar lijken ze cadeau te willen krijgen.

Precies die verschuiving maakt het zo interessant om te bekijken wat er zo anders was in de lente van 1968. Om te beginnen waren de studenten- en scholierenprotesten natuurlijk ongekend: miljoenen arbeiders namen deel in de grootste algemene staking ooit, en de toegenomen seksuele openheid die we nu zo kenmerkend vinden voor de jaren ‘60 was ook nieuw. Het belangrijkste was volgens Badiou echter iets dat al deze invalshoeken verbond: een zoektocht naar dat wat voorbij de horizon moest liggen, het besef dat een wisseling van de wacht daadwerkelijk mogelijk was. Niet voor niets is een bekende leus uit die tijd: “Soyez realistes, demandez l’impossible!” Want uiteindelijk gaat het voor studenten niet simpelweg om het realiseren van een bepaald soort beleid, maar om een verandering in wat men überhaupt als ‘realistisch’ beschouwt.

Toegegeven, velen zien het juist als een verworvenheid van de Nederlandse studentencultuur, en zelfs de Nederlandse cultuur in het algemeen, dat er meer vergaderd dan gestreden wordt. ‘Polderen’ is tot een nationale deugd verheven. De historische beelden van straatrellen en bezettingen schrikken daarom een hoop geëngageerde mensen af. ‘Door minder te schreeuwen en meer te praten bereiken we meer’, zo luidt de gedachte vaak. Maar tussen de hedendaagse medezeggenschap en de Franse opstandige studenten bestaat meer dan een stijlverschil. De crux is fundamenteler: dat de studenten zich toen onafhankelijk organiseerden van de instituties die ze wilden bekritiseren. Wie meepraat aan de daarvoor door bestuurders aangewezen vergadertafel sluit bij voorbaat al een compromis door bepaalde drukmiddelen uit te sluiten. Onafhankelijk georganiseerde studenten daarentegen zelf beslissen welke stip ze aan de horizon wilden zetten: of die nu op de agenda stond of niet.

We moeten veranderen wat 'realistisch' betekent

De Franse studenten konden dus qua studenten strijden voor fundamentele studentenbelangen, zoals vrije toegang tot onderwijs, de mogelijkheid te voorzien in het levensonderhoud tijdens die studie, en de kans dingen te leren die geen economisch nut hebben. Een dergelijke insteek maakt het tegelijkertijd makkelijker een breder ideaal te hebben. De massale stakingen en fabrieksbezettingen van ‘68 kwamen immers voor uit dezelfde soort problemen, zoals de moeilijke economische positie van de arbeidersklasse. Studenten en arbeiders kregen door dat ze in hetzelfde schuitje zaten en werkten daarom samen.

In feite is de conclusie van Badiou dezelfde als die van hedendaags conservatief rechts: we zijn inderdaad de tijdgenoten van mei ‘68. Dat is niet, zoals Barnard en de zijnen denken, omdat dezelfde ‘linkse’ cultuur overheerst, maar omdat studenten voor hetzelfde probleem staan: dat politiek in traditionele zin niet effectief is. Dat een radicale verandering daarin enig voorstellingsvermogen vereist, moge duidelijk zijn. Gelukkig kunnen studenten veel leren van hun collega’s van toen. Ook Badiou laat ons niet zonder advies achter. Hij benadrukte tijdens het veertigjarig jubileum vooral dat studenten en andere activisten in elk geval weer de moed moeten hebben te praten zoals toen. Dat we Grote Woorden en Ideeën niet moeten schuwen. Een wereld, en dus een universiteit, zonder de noodzaak van winst en private belangen behoort tot de mogelijkheden.

De herinnering van mei ‘68 moet geen angstige zijn, maar juist een inspirerende. Studenten hoeven geen genoegen te nemen met alleen maar meepraten met managers. Ze kunnen met rechte rug luid en overtuigd het woord voeren. Laten we de tijdgenoten van mei ‘68 zijn.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven