Etty Hillesum

Een verschuiving van perspectief. Etty Hillesum als gids

Soms ontdekken we dingen die we ooit wisten, maar vergeten zijn. Op de Veluwe worden bijvoorbeeld nog steeds grafheuvels gevonden. Prehistorische overblijfselen die zich, goed verscholen in het landschap, niet makkelijk laten vinden. Zulke ontdekkingen bieden tegenwicht aan onze hoogmoedige houding te weten hoe de dingen in elkaar steken. De metafoor leert ons dat met het verstrijken van de tijd, dingen toegedekt worden en in de vergetelheid raken   ̶  maar dus ook ontdekt kunnen worden. Etty Hillesum (1914-1943) is bij uitstek iemand die op een heel ander niveau, namelijk in zichzelf, op zoek ging naar datgene wat in haar leefde en nog ont-dekt moest worden. Haar manier van kijken maakt een omslag mogelijk die niet van buiten naar binnen, maar juist van binnen naar buiten is gericht.

Etty Hillesum was een jonge, joodse vrouw die tijdens de Tweede Wereldoorlog een dagboek bijhield waarin ze haar persoonlijke, innerlijke ontwikkeling verwoordde. Twee jaar voordat de oorlog uitbrak, vertrok zij uit haar woonplaats Deventer naar Amsterdam, waar ze rechten ging studeren en privéles Russisch gaf aan studenten. In 1942 kwam Etty te werken voor de Joodse Raad, waar zij als medewerker van de afdeling ‘Sociale verzorging doortrekkenden’ in Kamp Westerbork met mensen in gesprek ging over wat hen was overkomen. Hoewel zij zelf nog vrij kon bewegen tussen het kamp en Amsterdam, zag Etty dit als een manier om de kampbewoners die niet meer ‘terug’ mochten, tot steun te zijn. Toen de bedreigingen van de oorlog steeds groter werden, koos Etty er bewust voor om niet onder te duiken. Zij vertrok definitief naar kamp Westerbork, omdat zij ‘tussen de mensen, tussen de angsten’ wilde zijn. Om anderen die niet meer wisten hoe ze moesten leven, bij te staan. In 1943 werd Etty zelf met haar ouders en een van haar broers gedeporteerd naar concentratiekamp Auschwitz, waar zij op 29-jarige leeftijd omkwam. Een laatste teken van leven is de briefkaart die Etty uit het rijdende transport wist te gooien. Daarop stond geschreven: ‘Wachten jullie op mij?’

‘Mijn god kerel, wat is er met jou allemaal voor verschrikkelijks in je leven gebeurd, dat je tot zulke dingen komt.’

Veertig jaar heeft het geduurd voordat Etty’s dagboek, in 1981, werd uitgegeven. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat Etty niet de gangbare anti-Duitse houding had die in de jaren vijftig overheerste. Etty wilde niet schrijven over de verschrikkingen van de oorlog. Ze was niet bereid ‘nog meer haat aan de wereld toe te voegen’. Zij wilde schrijven over medemenselijkheid en liefde. Het schrijven gaf haar de mogelijkheid om ‘orde’ aan te brengen in de ‘chaos’ die in haar leefde. Met de dreigingen van de Tweede Wereldoorlog op de achtergrond, krijgt de lezer een inkijk in het leven van een jonge vrouw die aan het ontdekken is wie zij zelf is en vanuit welke grondhouding zij in het leven wil staan.

Ondanks alle ellende die Etty in kamp Westerbork meemaakte, wist zij verder te kijken dan iemands daden:Wanneer een S.S.-man me dood zou trappen, dan zou ik nog opkijken naar zijn gezicht en me met angstige verbazing en menselijke belangstelling afvragen: Mijn god kerel, wat is er met jou allemaal voor verschrikkelijks in je leven gebeurd, dat je tot zulke dingen komt.’ Etty wilde de vijand niet haten. Zij zag dat het ‘nazi-barbarisme’ eenzelfde soort haatgevoelens bij Joodse mensen zelf opriep en dat wilde zij innerlijk afwijzen. Wel met de kanttekening dat afwezigheid van haat nog niet afwezigheid van elementair-zedelijke verontwaardiging betekent’.

‘Laten we ervan doordrongen zijn dat ieder atoompje haat dat wij aan deze wereld toevoegen haar onherbergzamer maakt dan ze al is.’

Volgens Etty bestaat het kwaad dat we in een ander zien dus net zo goed in onszelf. Hiermee legt zij de verantwoordelijkheid geheel bij zichzelf. De oplossing ligt er volgens haar in dat we eerst datgene waarvoor wij anderen menen te moeten vernietigen, in onszelf moeten uitroeien: ‘Laten we ervan doordrongen zijn dat ieder atoompje haat dat wij aan deze wereld toevoegen haar onherbergzamer maakt dan ze al is.’ De enige verantwoordelijkheid die ieder van ons op zich kan nemen, is de verantwoordelijkheid voor zichzelf. En dat moeten we volgens Etty dan ook ten volste doen.

Etty’s woorden hebben, vijfenzeventig jaar na haar overlijden, nog steeds grote zeggingskracht. Het moge duidelijk zijn dat de context van Etty’s leven anders is dan de onze. Etty leefde als joodse vrouw tijdens de Tweede Wereldoorlog. Wij zijn min of meer vrij om te doen wat we willen met ons leven. Maar Etty’s gedachten helpen om na te denken over de betekenis van het wij-zij denken dat in onze samenleving zo sterk aanwezig is. We zijn geneigd te denken in verschillen – de nadruk ligt op dat wat ons anders maakt dan de ander. Daardoor is er veel haat en onbegrip. Dat de maatschappij nog niet klaar was voor Etty’s zienswijze illustreert mijns inziens dat zij haar tijd ver vooruit was.

En die ander blijkt waarschijnlijk heel anders in elkaar te zitten dan we op het eerste oog zouden vermoeden.

Etty maakt met haar zienswijze namelijk een radicale shift. Zij wil kijken naar de overeenkomsten tussen mensen, zelfs in de meest wrede omstandigheden. Deze zienswijze maakt dat dingen vaak genuanceerder zijn dan we veronderstellen of zouden willen denken. In plaats van een veroordelende blik of denken te weten hoe de ander in elkaar zit, weet Etty een bepaalde nieuwsgierigheid jegens de ander op de voorgrond te plaatsen. Zo schrijft ze: ‘En in ieder van de mensen vond ik wel een gebaar of een blik, die ver boven hun eigen niveau uitging en waarvan ze zich waarschijnlijk nauwelijks bewust waren. En ik voelde me daar de bewaarster van.’ Etty wist ruimte te scheppen in zichzelf, waardoor wat in haar leefde kon verschijnen. Een wijder perspectief, zodat ook de ander – goed verscholen in diens eigen innerlijk landschap, ontdekt kan worden. En die ander blijkt waarschijnlijk heel anders in elkaar te zitten dan we op het eerste oog zouden vermoeden.

Ik zie het als een uitnodiging. Kan er in ons ruimte ontstaan voor het verhaal van een ander? Welke dingen hebben wij toegedekt, die aan het licht mogen komen? We hoeven misschien niet eens goed te kijken om dingen bij anderen te ontdekken die de moeite waard zijn. Waar zijn wij de bewaarster van, of van wie? En bovenal: waar wachten we nog op?

Waar zijn wij de bewaarster van, of van wie? En bovenal: waar wachten we nog op?

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven