Wikimedia Commons

‘Exotisch Europa’ als culturele handelswaar

In het najaar van 1652 bereidde men zich in Batavia op een hoorzitting voor. Maar de gedaagde, genaamd Philip Angel, bevond zich aan het hof van de Shah in Isfahan, alwaar hij de koninklijke familie tegen aanzienlijke beloning leerde schilderen. Het zou de VOC nog heel wat moeite kosten om hem van zijn comfortabele bestaan in Perzië los te weken.

Men zou ook kunnen zeggen dat het Angel, een Leidse schilder en tijdgenoot van Rembrandt, eindelijk voor de wind ging. Net als Rembrandt hield hij van de fijnere dingen des levens. Hij had alleen niet het talent van zijn beroemde stadgenoot, waardoor hij, gedwongen door grote schulden, het Leidse schildersgilde achter zich moest laten en de wijk nam naar de Oost. Angel maakte al snel voldoende indruk op het VOC-bestuur in Batavia om benoemd te worden tot hoofdkoopman op een handelsmissie naar Perzië. Zijn werk voor de VOC had hem reeds in de eerste maanden in de gelegenheid gesteld om een deel van zijn schulden af te lossen. In zijn Perzische benoeming zag hij wellicht de kans om zich geheel schuldenvrij te maken.

Waar de Europese chic in deze periode met elkaar wedijverde om het bezit van exotische prenten, gold dit andersom ook.

Het was hier dat Angel overmoedig te werk ging: in een poging wat bij te verdienen laadde hij het schip vol met tin en andere handelswaar om onderhands te verkopen. Privéhandel was echter niet toegestaan bij de VOC, en toen de ezeltjeskaravaan in de haven een stuk groter bleek dan gewoonlijk, werd Angel betrapt. Hij werd op staande voet ontslagen en zou op de eerstvolgende boot naar Batavia worden gezet. Maar Angel werd gered door een onwaarschijnlijk deus ex machina: de handelsmissie ontving een gezant van Shah Abbas II, die vertelde dat het de Shah ter ore was gekomen dat er een schilder in hun midden was, en dat hij deze graag wilde ontmoeten. En zo vertrok Angel niet naar Batavia, maar naar Isfahan. Nooit had hij zozeer de gelegenheid gehad om zich én in luxe te wentelen, én zonder enige concurrentie zijn oude beroep uit te voeren. Hij begon een studio, onderwees de dames van het hof in de schilderkunst, en werd met goudstukken en mantels beloond voor zijn schilderijen voor de Shah. Vanwege zijn uitzonderlijke positie aan het hof vervulde hij bovendien regelmatig een dubbelrol als diplomaat en bemiddelaar in onderhandelingen tussen de Shah en de VOC.

Een Nederlander als schilder-diplomaat aan een van de grote islamitische hoven van Azië? Dat klinkt als een van die ongelukjes uit de geschiedenis waar historici hun mooie anekdotes aan danken. Maar het opmerkelijke aan Angels verblijf in Isfahan is juist, dat het helemaal niet uitzonderlijk was. Zeker zes schilders waren hem voorgegaan. Dat werpt een bijzonder licht op vroegmoderne diplomatie, maar ook op de culturele interactie tussen Europa en Azië in deze periode. Waar de Europese chic in deze periode met elkaar wedijverde om het bezit van exotische Indiase en Perzische prenten en andere voorwerpen, gold dit andersom ook. Men lijkt vergeten, dat de heersers van dit sjiitische keizerrijk een even grote honger hadden naar Europese ‘exotica’. Net als hun Mughal collega’s in India, overigens.

De dynastie van de Safavieden stond zelfs bekend om hun voorliefde voor Nederlandse schilderkunst. Niet alleen Shah Abbas II, maar ook zijn vader en grootvader Shah Safi en Shah Abbas ontvingen al Nederlandse schilders aan hun hof. Sterker nog, de kunst ging hier aan de handel vooraf: toen de eerste VOC-handelaren naar Perzië werden gezonden in de hoop een VOC-post aan de ingang van de Perzische Golf te mogen vestigen, bleek er al een Nederlander te zitten: de schilder Jan Lucasz van Hasselt. Van Hasselt genoot zoveel vertrouwen bij Shah Abbas I dat hij zelfs namens de Shah op diplomatieke missie naar Europa werd gestuurd. Shah Safi nam deze gewoonte over en onderhield twee Nederlandse hofschilders. Toen Shah Abbas II hier ook mee doorging, begon het de VOC te dagen dat het economische succes van hun post nauw verbonden was met de Perzische liefde voor de kunst van de Gouden Eeuw. De les: kunst was een belangrijke economische motor. Angel, als VOC-ambtenaar én voormalig schilder, zal niet bij toeval op de handelsmissie benoemd zijn.

De les: kunst was een belangrijke economische motor.

Angel zelf heeft echter niet lang kunnen genieten van zijn tijd in Isfahan. Jaloezie en intriges maakten al binnen enkele jaren zijn leven onmogelijk. Vanwege Angels bijzondere positie aan het hof zag het lokale VOC-bestuur zich gedwongen zijn zaken via Angel te regelen, ook al was Angel oneervol uit zijn handelsbetrekking ontslagen. Angel zelf voelde zich niet te beroerd om daar ten volle gebruik van te maken, en in ruil voor zijn bemiddeling bij de Shah declareerde hij vrolijk zijn gehele schilderstudio bij de Compagnie. Niet langer bereid om naar de pijpen van deze sjacheraar te dansen, liet de VOC hem uiteindelijk uit Perzië verwijderen.

Angels terugreis naar Batavia voerde via de Indiase havenstad Surat, waar hij lange tijd aan wal ging. Dat is niet verwonderlijk: Surat was een havenstad met handelaren en factorijen uit de hele wereld. Het was ook de plek waar Europese en Aziatische kunst elkaar ontmoetten en zich vermengden. Er werden Nederlandse schilderijen opgeslagen voor de vorsten van India en Perzië, maar er werden ook miniaturen verhandeld uit lokale hofstudio’s. Dit bleek Angels redding: wanneer hij voet aan wal zet in Batavia, heeft hij een uniek manuscript met Indiase mythologische verhalen bij zich als cadeau (en mea culpa) voor gouverneur-generaal Carel Hartsinck. Het staat vol rijke illustraties die typerend zijn voor hun tijd: hindoegoden, geïnterpreteerd door een moslimschilder en gretig geconsumeerd door een christelijke koopman. Het werkt: het manuscript blijkt niet alleen mooi genoeg om Angel te vergeven voor zijn daden, maar levert hem zelfs weer een baan bij de VOC op. Wederom bleken kunst en handel onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Meer lezen? De boekenserie Dutch Sources on South Asia werpt nieuw licht op deze tijd. Voor Philip Angel, zie C. Stolte, Philip Angel’s Deex-Autaers: Vaisnava mythology from manuscript to book market in the context of the Dutch East India Company (Manohar 2012).

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie
  • Ha Caro!
    Wat leuk om te zien dat ook jij hier wat publiceert. Dit verhaal biedt een mooi weerwoord aan diegenen die denken dat Nederlandse overzeese handel kan welvaren terwijl we op veel van de niet puur economische betrekkingen bezuinigen.
    Tot gauw,
    Bruno

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven