Flux

Mijn hoofd is een landschap. Ik kan het openvouwen en erin rondwandelen, me inbeelden dat het een aquarium is, een onderwaterlandschap. Klanken zijn elastisch, gedempt, zo ver uitgetrokken dat ze haast onhoorbaar zijn. Ze hangen in de lucht, stollen overdag tot lichtblauw, ’s nachts tot paars of zwart, en zakken uiteindelijk als een deken naar beneden. Ze bedekken de kilometers bossen rond ons huis, het zandpad naar de grote weg en het afgelegen tankstation.

Zwijg,’ zegt Flux. ‘Je moet stil zijn.’ Ze bestaat uit cactusnaalden en maansikkels, pasgeknipte nagels en vulkaanstenen waar mijn truien zich aan vasthaken. Terwijl zij aan de kassa zit in het tankstation, vul ik de trucks met brandstof. Soms hang ik wat rond in de winkel, maar dan wil ze dat ik in de achterkamer televisie ga kijken zodat ze alleen kan zijn met de klanten. Op de televisie speelt ze videotapes van oude Indy Car-races in die ik nu allemaal uit het hoofd ken. Elke positie, elke inhaalmanoeuvre.

Het tankstation ligt naast de snelweg, die verderop eindigt in een puntje aan de horizon. Ik wandel meestal tot het bordje met Thanks for staying in Pontoria, MN. Daar keer ik om.

s Nachts klinkt er soms gehuil in de verte, maar het verschil tussen wolven en racewagens is hier niet te horen, dus verstop ik me uit voorzorg onder mijn bed. Dan komt Flux me halen, peutert me uit het duister, houdt me even vast. Uit het raam heeft de lucht de kleur van cassis. Mistig vroeg. Ze fluistert me verhalen toe over de races die haar vader won, de glimmende wagens met motoren als roofdieren, de methanoldampen die in je sinussen prikken. Ook over hoe ze me gevonden heeft in het bos, vastgebonden aan een boom, knagend op de wortels. Dan trekt ze mijn huid bij elkaar en probeer ik me vast te klampen aan haar wimpers, net dunne takken.

Ik wandel meestal tot het bordje met Thanks for staying in Pontoria, MN. Daar keer ik om.

Er komt nauwelijks iemand in het tankstation, behalve een paar eenzame truckers die Flux vragen om hen te neuken in ruil voor hun energiedrankjes en chipszakken. Dat doet ze natuurlijk nooit; de truckers moeten háár betalen. Ik zit stiekem in de hoek op een krukje om op te schrijven hoe ze eruit zien, vooraleer ik hun trucks vol diesel pomp. Ze komen om beurten binnen om te vragen naar een poetsbeurt, water, of een zak chips. Bijna altijd hebben ze ongewassen baarden, flanellen shirts of hemdjes zonder mouwen, vaak in fletse kleuren als lila of beige, soms vol mosterdvlekken. Vandaag heeft de eerste klant een versleten badjas aan met Mickey Mouse erop. Zijn benen steken onder de badjas uit als de snoeproze knoken van een flamingo. De tweede staat te treuzelen voor de deur, heft zijn petje op en haalt een hand door zijn uitvallende haar. Hij heeft een gebit dat lijkt op het raderwerk van een horloge – wanneer hij lacht, ruikt het hele tankstation naar drop. Ik moet plassen, maar mag de volgende klant niet missen. De derde heeft lange zwarte haren met turquoise spelden erin, armhaar als krekelpoten. De truckers klagen altijd over de streek: aan de highway lijkt maar geen eind te komen, nergens een bocht, zelfs geen flauwe, altijd maar rechtdoor. Ze krijgen zin om hun truck in de bomen te rammen, want ze weten dat doodsdrift vrouwen aantrekt. En ze zijn altijd verschrikkelijk eenzaam. Zij noemen haar niet Flux, maar Sweetheart of Honey – Zoethart of Honing. De trucker met de krekelpoten op zijn bovenarmen staart haar aan. Ik schraap mijn keel, hij kijkt om, en ik ga met hem mee om zijn vrachtwagen bij te vullen.

Mijn schrift met beschrijvingen is bijna helemaal vol. Zelfs de randen zijn slap van de inkt. Nog even en de woorden stromen tussen de pagina’s uit, over de vloer van het tankstation. Dan sijpelen ze door de grond om zich te mengen met het brandstofreservoir, dan worden mijn woorden meegevoerd met de vrachtwagens, weg uit Pontoria, verbrand, opgenomen in de lucht met de uitlaatgassen.

Het deurbelletje rinkelt. Een cowboy komt binnen. Een echte, met een grote witte hoed, een hemd, een zakdoek om zijn nek, laarzen met sporen en een sigaret die vulkanische as laat vallen. Ik klap mijn schrift dicht, een druppel azuurblauw spat op mijn pols. ‘Zwijg,’ fluistert Flux opnieuw. ‘Verpest dit niet voor me.’ De cowboy stelt zich voor: ‘Petroleum Vesuvius Nashby.’ Flux biedt hem gratis energiedrankjes aan. Doet ze nooit bij mij. Ze laat Nashby op een stoel zitten vlak voor de kassa. Een ondervraging. Nashby doorloopt zijn leven terwijl het buiten langzaam donker wordt en de neonborden zoemend oplichten. Geboren op een ranch. Ving kalfjes als baby. Kon paardrijden voor hij kon lopen. Knuffelde cactussen als tiener. Schiet nu met zijn revolver door een kraaienkop op dertig meter afstand. Dekt vrouwen ’s nachts toe zoals de maan de zon. Hij is een legende, zegt hij. Bemint als een uitbarstende passievrucht, gutst lava. In Flux’ ogen, zie ik, regent het intussen lichtstralen: Nashby’s woorden strijken over haar oren als vallende sterren, smeltend amber in de nachtlucht. Hij strekt zijn hand uit naar Flux. Zijn ogen rollen over haar enkels, de donshaartjes op haar benen, tot waar haar lichaam zich samenbindt in jeans. Flux lacht, komt naar me toe, fluistert: ‘Ga. Nu.’ Dat is het signaal.

Flux vertelt me vaak dat haar haren langzaam grijs worden, dat de zwaartekracht haar inhaalt. Wanneer ik haar wakker hou, fluistert ze dat slecht slapen haar lelijk en grijs maakt. Ze racet tegen de tijd, zegt ze, en ze heeft een man nodig. Een echte.

Het is bijna donker buiten. Naast het tankstation groeit een bosje seringen. Er cirkelen insecten omheen, een asteroïdengordel die in mijn oren zoemt. Het struikgewas lijkt wel een soort elektrisch leven te bevatten, als een televisiescherm dat flikkerend haar pixels activeert en zo dingen op het beeld tovert. Ik ga in kleermakerszit in het gras bij het bosje zitten. Het zwermen doet me denken aan de paniek na een crash op een van de Indy Car-videotapes. Een legendarisch duel tussen Alex Tagliani en Alex Zanardi in 2001. Ik spoel de tape steeds terug om de slow-motionherhaling te zien waarop Zanardis benen eraf gerukt worden, totdat ik misselijk word. Ik voel zijn pezen knappen als touwen, het vreemd oranje en wit dat ligt te sudderen op het circuit, net lasagne. De metalen scherven blikkeren in de zon. Crashte Nashby hier maar tegen een boom vlakbij het tankstation – hij zou naar me toe kruipen, smeken om hulp. Ik zou grijnzen.

Ze heeft een man nodig. Een echte.

In kleermakerszit. Vanuit het tankstation hoor ik Nashby’s stroperige basstem: ‘De bezwete oksel van een boom, daar, nog groen stof tussen je benen. Een loteling, soepel, je lies.’ Krijg zin om cactusnaalden te verzamelen en in Nashby’s tong te duwen. Ik trek mezelf terug in mijn hoofd, waar ik hun klanken uit elkaar trek, verdoof, verspreid, verstuif over gras en bloeiende rododendrons. Zijn woorden liggen over de heuvels, een sneeuwlaag.

Ik gebruik de lichtgroene sonarnavigatie van een vleermuis om uit mijn eigen hoofd te stappen, het beton rond me te betasten, de glimmende benzinepompen, de warme neonbuizen, de bakstenen van het tankstation, het glas van de deur, Petroleums hoed – ze deukt in, zijn rughaar gaat rechtop staan, Flux wuift me weg, spreekt me weg, ik vlieg naar buiten, over de bossen, langs de highway, niet verder dan het verkeersbord met Thanks for staying in Pontoria, MN. Ik leg mijn vingers om de ijskoude poten van het stalen bord.

Nashby’s lach dringt mijn oren binnen. Nee – ik probeer de geluiden opnieuw uit te rekken, maar ze zijn te dik, vormen klonters gelatine op de grasheuvels in mijn hoofd – ik wil me niet voorstellen dat er dingen bestaan voorbij mezelf.

Ik ga terug naar het tankstation, kijk door het raam. Flux en Nashby, vlakbij elkaar, hun monden. Nu zie ik het pas: zijn cowboyhoed is gevouwen uit papier, om zijn nek hangt geen zakdoek maar een sliert kerstlichtjes, en zijn laarzen zijn van hout, net klompen, tikken ritmisch op de tegelvloer.

Is Flux klaar? Heeft ze gekozen? Zou ze nu getrouwd zijn? Kinderen krijgen?

Ik voel haar handen om mijn hersenen, net een wereldbol.

Op het raam tikken, wuiven, wijzen naar Nashby’s truck, gebaren van “vullen?”, zorgen dat hij weggaat. Hij kijkt om, recht in mijn ogen. Wil me doormidden splijten. Barsten slaan in mijn schedelwand, mijn aquarium laten leeglopen.

Nashby is verdwenen. Ik vulde zijn truck in stilte, hij vertrok met brullende motor. Flux zit aan de kassa, houdt de snippers van zijn papieren hoed in haar handen. ‘Kijk,’ fluistert ze, en gooit de snippers in de lucht. Ze dwarrelen om ons heen, net sneeuw. Ze plakken aan haar vochtige ogen.

In samenwerking met Uitgeverij Lebowski publiceert deFusie om de twee weken een kort verhaal van aanstormend talentHeb je zelf een goed kort verhaal? Stuur dan een e-mail dan naar redactie@defusie.net.

Meer Verhalen
Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven