Guus Dietvorst

Fortuyns oproep aan het volk van Nederland

Tijdens en na de opkomst van Fortuyn in de Nederlandse politiek wordt er altijd over Pim Fortuyn gesproken als ‘het fenomeen Fortuyn’. Op die manier beschrijft men hem als een onverwachte verschijning, die tot op zekere hoogte onverklaarbaar is. Natuurlijk wordt het wel geprobeerd. Velen wijzen op het feit dat hij een bepaald onbehagen in de samenleving wist aan te boren en dat hij daardoor op grote steun van de kiesgerechtigde bevolking kon rekenen. Men wijst dan bijvoorbeeld naar publicaties van anderen, zoals Tijd van onbehagen van Ad Verbrugge, waarin het gevoel van rancune, of ressentiment al aan de orde werd gebracht voor de opkomst van Fortuyn.

Fortuyn zag zichzelf niet graag als een dergelijk fenomeen. In het beroemde debat bij Paul Witteman, waar hij door Ad Melkert werd neergezet als nieuwkomer, pareerde Fortuyn deze karakterisering door te stellen dat hij al lange tijd actief publiceerde over politieke kwesties en dat hij bovenal meer publicaties op zijn naam had staan dan alle andere deelnemers aan het debat. Fortuyn liet zich dan ook graag aanspreken met de titel ‘professor’, ondanks dat hij in 1995 zijn hoogleraarambt aan de Erasmus Universiteit Rotterdam al had neergelegd. Op de vraag wat zijn politieke opvattingen waren, antwoordde hij steevast: ‘lees mijn boeken maar’. Naar mijn mening is aan deze oproep bijna geen gehoor gegeven. Tot dusverre zijn er weinig pogingen ondernomen om Fortuyn te beschouwen als politiek denker, die de overstap naar de politieke realiteit maakte. Een beschrijving van zijn intellectuele ontwikkeling van voor de overstap naar de politiek, kan een hoop duidelijk maken over het optreden van Fortuyn in de politiek. Schetsmatig zal ik mijn interpretatie van zijn ontwikkeling hier uiteenzetten, waarin ik wil betogen dat Fortuyns politieke gedachtegoed in hoofdzaak gebaseerd was op een specifiek burgerschapsideaal.

Fortuyn liet zich dan ook graag aanspreken met de titel ‘professor’.

Een beschrijving van de intellectuele ontwikkeling van Fortuyn kan niet om zijn Marxistische beginperiode heen. Fortuyn was een prototypische babyboomer die onderdeel was van de studentenbeweging en lid was van de CPN. Het Marxistische gedachtegoed bleef hij lang verdedigen, zelfs toen hij al aan zijn promotietraject was begonnen. Het is echter van belang om te zien dat zijn marxisme sterk gebaseerd was op een specifieke interpretatie van de werken van Marx, waarin zijn promotor Ger Harmsen een belangrijke rol speelde. Ger Harmsen was een gerenommeerd filosoof/historicus en hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen. Fortuyn zelf schreef dat hij altijd een moeizame relatie had met Harmsen, maar zij deelden wel hun interpretatie van de werken van Marx.

Deze interpretatie was gebaseerd op het moderne marxisme van Ernst Bloch, waarin gesteld werd dat kennis van de geschiedenis van de arbeidersbeweging noodzakelijk was om er deel van uit te kunnen maken. Vanuit deze overtuiging schreef Fortuyn zijn proefschrift over de geschiedenis van de verzorgingsstaat tussen 1945 en 1970. Opvallend genoeg verdedigde hij hierin een continuïteitsthese, die betoogde dat de maatregelen omtrent sociale zekerheid niet uit het genie van Drees ontsproten waren, maar dat deze al klaar lagen door de voorbereidingen die getroffen waren door het nationaalsocialistische regime. Fortuyn wist dit overtuigend te verdedigen, mede door te verwijzen naar het feit dat Drees dit zelf nooit onder stoelen of banken schoof, maar dat niemand het verder wilde horen.

Na de afronding van zijn proefschrift vervreemde Fortuyn snel van de opvattingen van Harmsen. Volgens Fortuyn, zoals beschreven in zijn autobiografie, vond de meest ingrijpende ommekeer in zijn denken plaats rond 1986-1987. Het is belangrijk voor de context om een aantal omstandigheden van deze tijd te expliciteren. De laten jaren ’80 waren de tijd van de no-nonsense politiek van Reagan en Thatcher en in Nederland was kabinet Lubbers II net geïnstalleerd. Veel commentatoren traceren in deze periode de oorsprong van de neoliberale dominantie in de economische politiek. Socialistische politici neigen deze periode als het begin van de afbraak van de verzorgingsstaat noemen. Marcel van Dam heeft dit bijvoorbeeld vaak geclaimd.

In deze periode zou het verzet van Fortuyn tegen het socialisme beginnen. In 1987 redigeerde Fortuyn een bundel samen met Siep Stuurman onder de titel Socialisme in no-nonsense tijd. In het laatste hoofdstuk komt zijn kritiek op het socialisme het beste naar voren. Ik zal proberen zijn analyse zo kort mogelijk samen te vatten. De verdediging van de verzorgingsstaat door socialistische politici is volgens Fortuyn gebaseerd op verkeerde aannames. In het socialisme wordt inkomensverdeling als doel op zich beschouwd. Fortuyn zal deze rechtvaardiging van de verzorgingsstaat gaan bekritiseren. Als we historisch analyseren wat het doel was van de verzorgingsstaat, zo betoogt Fortuyn, dan was dit bedoeld als emancipatoir middel. Inkomensverdeling heeft tot bepaalde hoogte een emancipatoir effect. De maatregelen die de laatste jaren in de Nederlandse politiek genomen waren, waren volgens Fortuyn echter dit doel voorbijgestreefd. Het stelsel van sociale zekerheid heeft niet een zelfstandige burger gecreëerd met volledige beschikking over zijn eigen leven, maar een genoegzame burger, die zijn onafhankelijkheid alleen maar meer uit handen heeft gegeven en overgedragen aan de staat. Een groot gedeelte van de socialisten bleef, volgens Fortuyn, het sociale stelsel in Nederland verdedigen als historische verworvenheid, terwijl ze de historische intentie van de verzorgingsstaat niet erkenden.

Een tweede oorsprong van het verzet van Fortuyn is niet alleen gericht tegen de Partij van de Arbeid, of het socialisme, maar tegen de politieke cultuur in Nederland als geheel. In 1994 publiceert Fortuyn zijn boek Aan het volk van Nederland. Hierin komt het idee van zelfbeschikking als idee van burgerschap nog sterker naar voren. Fortuyn bekommert zich om de vraag wat volkssoevereiniteit eigenlijk betekent en laat zich inspireren door historische figuren als Van der Capellen tot den Pol en Multatuli die onder dezelfde titel schreven over de betekenis van volkssoevereiniteit en zelfbeschikking. In dit boek zet Fortuyn vooral zijn kritiek uiteen tegen de collectieve sector die de mogelijkheden van vrije burgers steeds meer frustreert. Burgers hebben niet meer echte inspraak in hoe ze de publieke ruimte ingericht willen zien. Dit is vooral het resultaat van de omslachtige bestuurscultuur van Nederland. Jacques Oerlemans noemde dit in 1990 ‘Eenpartijstaat Nederland’. Het bestuur in Nederland wordt uitgevoerd door een kleine groep mensen (gekscherend Ons Soort Mensen) die claimt alle burgers te vertegenwoordigen.

Aangezien de emancipatie in de moderne individualistische samenleving al zo ver is gevorderd, is er in deze contractmaatschappij geen plaats voor vakbonden.

De bestuurscultuur betrof niet alleen de politiek, maar juist ook de andere vertegenwoordigende organen, zoals vakbonden, of andere overlegpartners in de politieke discussie. Dit soort instituties zorgen ervoor dat daadwerkelijke inspraak in de inrichting van de publieke ruimte voor burgers onmogelijk wordt en in die zin worden zij afhankelijk van een bureaucratische bestuurscultuur, waarin steeds meer verantwoordelijkheden uit handen worden gegeven. Dit druist echter in tegen de werkelijke betekenis van het begrip volkssoevereiniteit, omdat de staat vervreemd raakt van de burgers, aan wie het de legitimiteit in eerste instantie ontleent. Deze bestuurscultuur is dermate vervreemd dat het ook geen idee heeft wat de werkelijke problemen van de zelfstandige burgers zijn. Uiteindelijk waren het dan ook de wachtlijsten in de zorg die voor Fortuyn zo belangrijk waren tijdens de verkiezingen. Deze waren tegelijkertijd het resultaat van de bestuurscultuur en symbool voor de blinde bestuurscultuur, omdat de bestuurders vervreemd waren van de wensen van de burgers.

Fortuyn oppert als alternatief in dit boek zijn ‘contractmaatschappij’ bestaande uit rationeel calculerende burgers die zelfstandig leven en zich niet laten domineren door bestuursculturen. Aangezien de emancipatie in de moderne individualistische samenleving al zo ver is gevorderd, is er in deze contractmaatschappij geen plaats voor vakbonden.

Fortuyns kritiek op het socialisme en op de bestuursstructuur kan de indruk wekken dat hij een simpele beweging maakte van socialisme naar liberalisme. Ik denk dat men Fortuyn daarmee echter te kort zou doen. Het is niet toevallig dat Fortuyn slechts korte tijd lid is geweest van de VVD. Zijn probleem met de VVD zat denk ik deels in zijn kritiek op het feit dat de VVD ook deel uit maakte van de eenpartijstaat, maar ook dat zou niet voldoende zijn. Ik vermoed dat Fortuyn ook in het liberalisme geen aanknopingspunten zag voor een politieke samenleving waarin onafhankelijke burgers centraal staan. Liberalisme verdedigt zo min mogelijk staatsbemoeienis als het gaat om de markt, maar hier kon Fortuyn zich goed in vinden. Een ander aspect van het liberalisme is dat het meent dat alle burgers zo veel mogelijk vrij gelaten moeten worden waar het aankomt op de invulling van hun ‘idee van het goede’ (Dworkins beroemde uitspraak dat de overheid “must not constrain liberty on the ground that one person’s conception of the good life of one group is nobler or superior to another’s”).

Liberalisme wordt hier geassocieerd met het begrip tolerantie. Tolerantie staat echter op één lijn met onverschilligheid. Waar het op vrije en geëmancipeerde burgers aankomt zal juist de staat deze vrijheid ten alle kosten moeten verdedigen. De staat dient er namelijk toe om de onafhankelijkheid van haar burgers zo veel mogelijk te beschermen. Om die reden moet de staat ook actief bijdragen in het stimuleren van onafhankelijkheid en moet de staat voor de middelen zorgen om mensen autonome individuen te maken. De staat moet dus een bepaald burgerschap promoten en deze opvatting prioriteren boven andere ideeën van burgerschap, omdat deze vorm van burgerschap leidt tot autonomie. Hierin mag de staat zich dus letterlijk bemoeien met het leven van de individuen, voor zover het bijdraagt aan de onafhankelijkheid van deze personen, terwijl het liberalisme meent de burgers in al deze facetten zo veel mogelijk vrij te moeten laten. Een opvallende maatregel die Fortuyn bijvoorbeeld in de Puinhopen van acht jaar paars verdedigt, is de herinvoering van de dienstplicht.

In zijn kritiek op de multiculturele samenleving drukt zich dezelfde gedachte uit. Het liberalisme ondersteunt de instituties in de samenleving die zorgdragen voor het behoud van onderdrukkende mechanismen. Fortuyn meent echter dat de staat juist in deze situaties een andere soort van neutraliteit moet tonen. Geen neutraliteit als tolerantie, of onverschilligheid, maar neutraliteit als burgerlijke gelijkheid. In die betekenis moet de staat actief optreden tegen instituties die gelijkheid en onafhankelijkheid in de samenleving frustreren. Dit kan eventueel ook de markt zijn.

Al deze frustrerende elementen in de samenleving, zoals de verzorgingsstaat die genoegzaamheid creëert, de bestuurscultuur die inspraak belemmert en de multiculturele samenleving die ongelijkheid voedt, zijn verschillende voedingsbodems voor het ressentiment dat Fortuyn uitstraalde in zijn politieke tijd. Het feit dat Fortuyn ressentiment opriep en uitstraalde, betekent echter niet dat er geen (min of meer) coherent politiek idee achter zijn optreden schuil ging. Al deze aspecten zijn obstructies voor het idee van volkssoevereiniteit. Als Fortuyns ideeën vanuit het perspectief van burgerschap en volkssoevereiniteit worden beschouwd valt er meer eenheid in zijn ideeën te ontdekken en zijn er aanknopingspunten om serieus na te denken over de inrichting van de staat Nederland. Dit betekent echter, dat een onderscheid tussen links en rechts ons niets zal helpen.

Dit betekent echter, dat een onderscheid tussen links en rechts ons niets zal helpen.

Fortuyns opvattingen kunnen met een meer internationaal georiënteerde academische discussie over constitutioneel patriottisme worden vergeleken. Dit begrip werd eind jaren tachtig door Jürgen Habermas geïntroduceerd. In het neo-republikanisme wordt aan de term ‘burgerlijk patriotisme’ de voorkeur gegeven. Ook hierin wordt het idee uitgesproken dat een democratie zonder actief burgerschap vanzelf uitmondt in een onderdrukkend mechanisme en dat dit het idee van volkssoevereiniteit ondermijnt. Daarom zal de staat zelf een actief burgerschap moeten promoten, waarin mensen betrokken worden bij de praktische keuzes over de inrichting van hun publieke ruimte. Fortuyns oproep ‘aan het volk van Nederland’ was niet enkel bedoeld als informatieverstrekking aan een willekeurige groep mensen, maar in zijn oproep probeerde hij juist performatief het bewustzijn van een soeverein volk op te roepen.

Al deze historische/biografische opmerkingen legitimeren een groot gedeelte van Fortuyns uitspraken nog niet. Fortuyn beschuldigde in veel gevallen de letterlijke personen die de problemen vertegenwoordigden. Daarmee verwierf hij veel populariteit, maar in deze beschuldigingen is ieder persoon inwisselbaar. Voor een fundamentele kritiek op de structuren, of misschien de ideologieën, die verantwoordelijk waren voor het gebrek aan zelfbeschikking, was in Fortuyns politieke carrière al met al weinig plaats.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven