Flickr / miss_millions

Freud anno nu

Freud als filosoofPhilippe van Haute en Jens de Vleminck2013
Opboksen tegen het inertePaul Moyaert2014

‘Ik voel weerstand!’ riep mijn docente altijd triomfantelijk wanneer ik een vraag stelde die riekte naar twijfel of kritiek. Ik was eerstejaars student literatuurwetenschap en met name de vele fallussen zaten me niet lekker. Daar is sindsdien weinig aan veranderd. Mijn dochter – nu drie – begint er op gezette tijden over dat ze ook een piemel wil en ik blijf star benadrukken ‘dat zij ook iets heeft’, een vagina, die dan wel niet uit mag steken, maar toch zeker niet voor een piemel onderdoet. Toch denk ik niet dat mijn weerstand ingegeven wordt door het fallocentrische karakter van de klassieke freudiaanse psychoanalyse. Die komt eerder voort uit het gevoel dat aan de psychoanalyse geen ontsnappen mogelijk is. Met het ‘ik voel weerstand’ zette de docent in feite mijn kritisch denkvermogen buitenspel. En dat terwijl juist de psychoanalyse als filosofie (hoewel misschien niet als klinische praktijk) van blijvende waarde is.

Hoewel het dus goed gekomen is tussen de psychoanalyse en mij, is de weerstand nooit helemaal verdwenen. Wanneer ik een tekst van de psychoanalyticus Jacques Lacan lees, gebeurt het nog regelmatig dat ik geïrriteerd raak of zelfs boos word: ‘maar wat bedoel je nou!’ Ik vraag me dan af of je echt alleen over ‘vrees’ kunt schrijven door er niet over te schrijven. Nu staat de Franse structuralist natuurlijk bekend om zijn obscurantisme. Lacans corpus is een gesloten domein, bevolkt door begrippen als het objet petit a, jouissance, de imaginaire, symbolische en reële orde, die, als je ze eenmaal onder de knie denkt te hebben, in verschillende fasen van Lacans onderzoek net weer een andere betekenis blijken te hebben. Maar een soortgelijke ontoegankelijkheid geldt psychoanalysebreed. Ook recente en toegankelijke introducties in het denken van Sigmund Freud, de grondlegger van de hele rataplan, zijn vaak hermetisch. Je staat er in eerste instantie altijd buiten. Je zult je toch echt een weg naar binnen moeten vechten. Hoe kan dat? En waarom zou je dat gevecht eigenlijk aangaan? Wat levert het je op? Wat kunnen we met Freud anno nu?

De psychoanalyse is als filosofie van blijvende waarde

Volgens Philippe van Haute, die samen met Jens de Vleminck de redactie voerde van de bundel Freud als filosoof, over seksualiteit, psychopathologie en cultuur (2013), moeten we vooraleerst niet het belang vergeten van Freuds definitie van de mens: een 'ziek dier'. Freud laat zien dat de mens in wezen helemaal niet 'normaal' is en dat wie hem wil leren kennen er goed aan doet zijn afwijkingen onder de loep moet nemen. Er is continuïteit tussen normaliteit en pathologie. Zo zijn de seksuele perversies geworteld in een 'normale' fase in de seksuele ontwikkeling. In deze context speelt het zogenaamde 'kristalprincipe' volgens Van Haute een cruciale rol: 'zoals een kristal, zo breekt ook de mens volgens breuklijnen die vooraf niet zichtbaar waren. De pathologie verschaft ons op deze wijze toegang tot de fundamentele structuren van het menselijk bestaan die in beginsel verborgen blijven.'

Een dergelijke aandacht voor het afwijkende lijkt me inderdaad niet onbelangrijk in onze op normaliteit gefixeerde samenleving. Afwijkingen hebben een negatief imago en liever nog dan ze te verhelpen, voorkomen we ze in het geheel. Wie niet optimaal functioneert krijgt daarom een etiket opgeplakt – het aantal adhd-ers, autisten en depressieven is niet van de lucht – en gemaand het lot stevig in eigen handen te nemen. Want we zijn ten slotte maakbaar en functioneren zullen we.

Maar is de pathologie van toen ook de pathologie van nu? Hoewel Freud inzag dat de afgrenzing van normaliteit historisch en maatschappelijk bepaald is, gaat hij er volgens Van Haute wel degelijk van uit dat de kennis die hij opdoet over het wezen van de mens universeel is. In die zin is de freudiaanse psychoanalyse een klassieke wijsgerige antropologie – mede daarom ook de titel Freud als filosoof. Het probeert een antwoord te formuleren op de vraag: wat is de mens? Volgens Van Haute hebben filosofen als Michel Foucault overtuigend laten zien dat historicisering noodzakelijk is. Normaal en abnormaal, psychisch ziek en gezond, ze zijn niet gegeven, maar ingebed in machtsrelaties. Wat er dan overblijft van het freudiaanse project? Alleen het kristalprincipe blijft fier overeind. De manier waarop het kristal barst is tijd- en plaatsgebonden, maar het principe helpt ons wél om in te zien dat elke samenleving geconfronteerd wordt met psychisch lijden waarop een antwoord moet komen, dat dit antwoord afhangt van sociaalhistorische en culturele factoren en dat zich in het antwoord een mensbeeld uitdrukt. Het is een 'klinische antropologie': de kliniek informeert ons over de grondstructuur van het mens-zijn. Of anders: het maakt het heersende mensbeeld zichtbaar.

Normaal en abnormaal, psychisch ziek en gezond, ze zijn niet gegeven, maar ingebed in machtsrelaties

Ook Paul Moyaert beschouwt Freud als filosoof in Opboksen tegen het inerte, de doodsdrift bij Freud (2014). Hij ondervangt hiermee de steeds weer oplevende kritiek dat de psychoanalyse niet wetenschappelijk is (want niet falsifieerbaar, zoals Karl Popper liet zien) en dat Freuds theorie maar beter bij het oud papier kan omdat biologische principes waarop hij zich baseert achterhaald zijn. Hoewel Freud met zijn biologische referenties een wetenschappelijke glans probeerde te verlenen aan zijn wereldbeeld, moeten we zijn werk volgens Moyaert veeleer begrijpen als een ‘eigenaardige metafysica’, die gebaseerd is ‘op de eenvoudige stelling dat het leven nooit één is met zichzelf en in oorsprong al in conflict is met zichzelf’. Moyaert vat metafysica op als de theoretische discipline binnen de filosofie die zich bezighoudt met de grondbegrippen van het zijn en hun samenhang, en  benadrukt dat metafysica altijd gemotiveerd is door een interesse voor bepaalde fenomenen, die bovendien tijd- en plaatsgebonden zijn. ‘Er bestaat geen eindig vooraf gegeven arsenaal van begrippen en universele problemen waarover elke filosoof zich moet buigen. Neen, iedere filosoof selecteert en produceert de noties die hij nodig heeft’.

Dat geldt dus ook voor Freud. Hij stort zich op zijn manier op de bestaanswijze van de mens, en ziet dat het ‘ik’ weerbarstig is. Het is via de doodsdrift, aldus Moyaert, dat we ‘de oorspronkelijke ontoegankelijkheid en geslotenheid van het ik’ beter leren begrijpen. Kort gezegd: Naast de levensdrift (Eros) is er ook de doodsdrift (Thanatos) en laatstgenoemde staat voor datgene in de mens wat geen aandrang heeft om te veranderen. Onze default setting blijkt niet verbeteringzucht en pijnvermijding, maar stilstand en herhalingsdrift. Er is inertie in de kern van ons wezen en daarom herhalen we dingen die niet goed voor ons zijn.  En wanneer dat uit de hand loopt moeten we in analyse.

De tijd dat patiënten jarenlang, een uur per dag, vier dagen per week bij hun analist op de bank lagen, is voorbij. Wie heeft daar nog de tijd voor? Of het geld? En waarom zou je ook niet voor de quick fix van de cognitieve gedragstherapie gaan? Moyaert schuwt dergelijke praktijken van resocialisatie. ‘In zijn [Freuds] ontologie staat de spanning tussen individu en gemeenschap centraal, de spanning tussen fixatie en aanpassing. Het individu is het wezen dat, waar het zich ook bevindt, helemaal in de gemeenschap past en er altijd enigermate uitvalt’. Dat is onze bestaansconditie.

Er is inertie in de kern van ons wezen en daarom herhalen we dingen die niet goed voor ons zijn.

Dat is een pijnlijke waarheid, zeker in het huidige tijdsgewricht. We zijn immers allemaal geboren winnaars en het idee dat we deep down ons eigen slagen tegenwerken heeft iets ondenkbaars. Dat zwaar te bevechten inzicht – het is niet voor niets dat zowel in de psychoanalytische praktijk als theorie gevochten moet worden voor een beetje begrip – is wat Freud ons te bieden heeft. Het is dus maar goed dat er nog steeds filosofen zijn die met het levend houden van zijn gedachtegoed moedig weerstand bieden aan ons van functionaliteit, nut en doelgerichtheid doordesemde denken. En het is ook maar goed dat ze ons lezers niet aan het handje meenemen – we zouden er niets van begrijpen.

Voordat mijn dochter geboren werd, zat ik een tijdje in therapie. De cognitief-gedragstherapeutische variant. Ik kan me nog goed herinneren hoe teleurgesteld ik was dat mijn nieuwe baan en zwangerschap werden aangegrepen om er een punt achter te zetten. Mijn therapeut had me weer op het spoor van het normale functioneren gezet en blijkbaar was daarmee haar taak volbracht. Maar wat heb ik in de twee jaar dat ik in een stoel tegenover haar zat nou over mezelf opgestoken? Ze heeft het me niet moeilijk genoeg gemaakt, ze was te gefixeerd op mijn genezing. Dan had ik toch liever op de bank gelegen bij Paul Moyaert, die mij had geleerd om vrij te associëren en mij zodoende het ‘wrede genot’ had laten smaken van onderzoeken hoe mijn geest werkt. En hoe die weerstand biedt. Al is dat misschien vooral iets voor filosofen zoals ik, die hun inzichten graag bevechten en stiekem genieten van dat geworstel met teksten en met zichzelf.

Lisa Doeland is filosoof en programmamaker bij het Soeterbeeck Programma van de Radboud Universiteit Nijmegen. Op woensdag 19 november modereerde zij daar de avond "Freud anno nu", lezing en gesprek met Paul Moyaert en Philippe van Haute.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven