Ets van Antonio Tempesta

Gatsby en Galatea: creep shaming van Theocritus tot Fitzgerald

IdyllenTheocritus3e eeuw v.Chr.
MetamorfosenOvidius1e eeuw n.Chr.
Acis and GalateaGeorg Friedrich Händel1718
The Great GatsbyF. Scott Fitzgerald1925

Een mooie vrouw zit in de trein. Tegenover haar heeft een ongeschoren, loensende man plaatsgenomen, die met scheve tanden naar haar lacht. Wat een creep, denkt ze, en werpt hem een zo vuil mogelijke blik toe. Maar bij het volgende station stapt een aantrekkelijke jongeman binnen en als deze met een knipoog de stoel naast haar uitkiest, knoopt ze gevleid een gesprek met hem aan. Onderwijl plukt de eerste man mismoedig aan zijn monobrauw en vraagt zich af wat hij nu toch verkeerd doet. Niets, zouden sommigen hem troosten – je bent slechts het slachtoffer van de oppervlakkigheid van deze vrouw. Zij maakt zich schuldig aan creep shaming: een fenomeen waarbij een contactzoekende man gebrandmerkt wordt als creep, zonder dat dit oordeel veel te doen zou hebben met zijn ‘werkelijke’ mate van bedreigendheid.

Of het verwijt redelijk kan zijn en of de afgewezen man ons medelijden verdient, is een gevoelige en complexe kwestie. Door te bekijken hoe een aantal mannelijke schrijvers met het thema van creep shaming is omgesprongen, kan duidelijker worden welke belangen er in het spel zijn – en vooral ook op welke manier een navertelling kan bepalen wiens belangen van belang zijn.

De man plukt mismoedig aan zijn monobrauw en vraagt zich af wat hij nu toch verkeerd doet

De Griekse herdersdichter Theocritus (3e eeuw v.Chr.) laat in zijn elfde idylle de harige cycloop Polyphemus – dezelfde Polyphemus die op latere leeftijd Odysseus en zijn makkers in zijn grot zal ontvangen – een klaagzang richten tot zijn grote liefde, de waternimf Galatea. Hij heeft haar veel te bieden: rijpe boomgaarden, duizend schapen, een fijne grot en zelfs vier baby-beertjes, die hij speciaal voor haar houdt… maar tot zijn verdriet wil ze niets van hem weten. Hij begrijpt, lelijke eenoog die hij is, best waarom – maar als ze wil mag ze die overbeharing van hem best weg komen schroeien, en als dat enkele oog het probleem is, mag ze dat zelfs uit komen branden! Zijn smeekbeden mogen echter niet baten: Galatea blijft hem koudbloedig afwijzen. De lezer is na Polyphemus’ aangrijpend lieve liedje geneigd haar daarom te beschouwen als een oppervlakkige trut – men zou de arme cycloop op het hart willen drukken (zoals hij aan het eind van de idylle inderdaad ook zelf doet) dat hij wel beter verdient. Het is tamelijk ondubbelzinnig naar wie Theocritus wil dat onze empathie uitgaat: Galatea is een belle dame sans merci, Polyphemus daarvan het arme slachtoffer.

In latere bewerkingen van het verhaal wordt dit ingewikkelder. Ovidius geeft in zijn Metamorfosen (1e eeuw n.Chr.) niet Polyphemus, maar Galatea het woord. Het beeld dat de lezer van Polyphemus krijgt wordt hierdoor al negatiever. Maar een nog veel grotere breuk met de versie van Theocritus ligt in de derde figuur die Ovidius de coupé laat binnenstappen: Acis, de zoon van een nimf en een faun, is jong, mooi, alom geliefd – en het vriendje van Galatea. Polyphemus is jaloers: ‘Ik zou die minachting van jou nog best kunnen verdragen, als je voor iedereen zou vluchten; maar waarom wijs je Cycloop af en heb je Acis lief, waarom verkies je Acis’ armen boven de mijne?’ Op dit moment voelen we misschien nog gemakkelijk met Polyphemus mee, maar de plotwending die Ovidius laat volgen compliceert dit: bij aanblik van het liefkozen van Acis en Galatea wordt het de cycloop te veel en verplettert hij Acis met een rotsblok. Moeten we bij Ovidius nog steeds rooten voor Polyphemus?

Hij is in ieder geval niet zomaar een schurk in wiens gruweldaden geen inleving mogelijk is. Sterker nog: zijn schurkachtige reactie kan gezien worden als teken dat de manier waarop Galatea hem behandelt ondraaglijk akelig is. Dit komt nog duidelijker naar voren in Georg Friedrich Händels opera-bewerking Acis and Galatea uit 1739. Nadat Polyphemus met zware basstem een lief liedje heeft gezongen, antwoordt Galatea bruusk dat hij uit de buurt moet blijven omdat hij een vies monster is dat mensenvlees eet. Vervolgens zet zij met Acis een duet in over hoeveel hij en Galatea van elkaar houden – en dan onderbreekt Polyphemus met de woorden ‘Torture! Fury! Rage! Despair! I cannot, cannot bear!’ en plet hij zijn rivaal met een steen. De volgorde van de gebeurtenissen, die zich in de opera scherper aftekent omdat het verhaal zich hier live ontvouwt, is van groot belang: Polyphemus’ agressieve gedrag vindt pas plaats nadat Galatea hem voor vuile menseneter heeft uitgemaakt; vóór dat ogenblik was er geen enkele aanwijzing dat hij ooit iets anders tot zich had genomen dan kaas en druifjes.

Hij is een cycloop, hij behoort tot de verkeerde soort, het verkeerde ras

Maar hij is een cycloop, zou je tegen kunnen werpen – en dat cyclopen mensen doden is voor elke Homerus-lezer toch een onomstotelijk feit? Dit is eigenlijk precies het argument dat Galatea opwerpt, precies haar reden om Polyphemus af te wijzen: hij is een cycloop, hij behoort tot de verkeerde soort, het verkeerde ras, en is daarom slecht. En het is juist dit, het feit dat hij beoordeeld wordt op iets waar hij, hoewel hij uit alle macht probeert, uiteindelijk geen invloed op kan uitoefenen, wat Polyphemus zo boos maakt – zo boos dat hij ‘presumptuous Acis’, die op basis van niets meer dan zijn knappe uiterlijk juist omarmd wordt, onder een rotsblok begraaft.

Een soortgelijk drama ontvouwt zich in F. Scott Fitzgeralds The Great Gatsby (1925). Hoewel alle personages in dit verhaal mensen zijn, is de parallel tussen de vrouwelijke protagonist Daisy en Galatea niet ver te zoeken: de kleur die door het boek heen met Daisy geassocieerd wordt is wit, terwijl de letterlijke vertaling van ‘Galatea’ ‘melkwitje’ luidt, en Daisy’s meisjesnaam luidt ‘Fay’ – Oudengels voor fairy. Maar voorbij de oppervlakte liggen ook de verhalen waarin Daisy en Galatea optreden dicht bij elkaar.

Nick Carraway, verteller van de roman en neef van Daisy, beschrijft haar als ‘the golden girl’: een verbijsterend charmant meisje wiens leven altijd geheel uit luxe heeft bestaan. Via Nick leren we ook Gatsby kennen, die in tegenstelling tot Daisy geboren is in een arme familie, maar in de loop der jaren eigenhandig een geweldig fortuin heeft vergaard. Toen Gatsby nog arm was hadden hij en Daisy een korte relatie, maar zij trouwde al spoedig daarna de eveneens tot de rijke klasse behorende Tom Buchanan. Gedurende het boek komen we erachter waarom Gatsby moeite heeft gedaan om zoveel rijkdom te vergaren: hij hoopt daarmee zijn geliefde Daisy terug te kunnen winnen. Dit lijkt hem tegen het einde van het verhaal gelukt te zijn – heimelijk gaat hij om met Daisy en zij staat, op Gatsby’s aandringen, op het punt haar relatie met Tom te verbreken. Dit verloopt echter niet zoals gepland. Tom heeft door wat er zich afspeelt, en valt uit tegen Gatsby. In een tirade waarin hij expliciet de link legt naar de poging tot integratie van zwarte mensen in de blanke samenleving, een thema waar Tom en Daisy zich eerder negatief over uit hebben gelaten, verzekert hij Gatsby dat diens zelfverworven rijkdom en zelfaangeleerde manieren vergeefs zijn. Hij is, en zal altijd blijven, een ‘Mr Nobody from Nowhere’: aan zijn ware aard kan hij niets veranderen, en Daisy zal hij nooit krijgen. Nick beschrijft hoe Gatsby hierop al zijn uiterlijke beheersing verliest: ‘I turned back to look at Gatsby – and was startled by his expression. He looked […] as if he had “killed a man.”’ De steen is geworpen, en vanaf dit ogenblik neemt Daisy afstand van hem.

Hij is, en zal altijd blijven, een ‘Mr Nobody from Nowhere’

Gatsby verliest omdat hij gereduceerd wordt tot iets waaraan hij, al zijn pogingen ten spijt, niets kan veranderen, en zijn reactie op dit verlies werkt de overtuiging dat hij in essentie een wrede barbaar is alleen maar in de hand.

Toch is Gatsby in geen enkel opzicht de bad guy van The Great Gatsby. Dat we niet hem, maar Daisy onsympathiek moeten vinden, is overduidelijk – terwijl het door Ovidius en Händel vertelde verhaal op het eerste gezicht misschien lijkt te gaan over een lelijke reus die het huwelijksgeluk van een liefhebbend koppel komt verstoren. De verklaring voor dit verschil ligt bij Nick, de ik-persoon die naar Gatsby omkeek en van hem schrok: een externe criticus als hij ontbreekt in de Galatea-mythe. Als enige rekent Nick Daisy af op haar oppervlakkigheid; als enige blijft hij trouw aan Gatsby en bewonderend tegenover diens sense of hope – zijn wil om te overstijgen wat hij door zijn afkomst zou zijn. Via Nick is de lezer in staat kritisch te staan tegenover het verhaal zoals dat zich zonder hem waarschijnlijk zou presenteren: twee fatsoenlijke mensen hebben een ongestoord huwelijk totdat een omhooggevallen sloeber de rust probeert te verstoren door zijn ex terug te winnen. Nick maakt het proces van Gatsby’s verlies expliciet, en laat de lezer de tragiek van zijn lot zien.

We hebben een aantal mannelijke schrijvers bekeken die in meer of mindere mate onze sympathie probeerden op te wekken voor de eerste man in de trein. Theocritus geeft hem zelf het woord, zodat we zonder meer met hem meeleven; Ovidius en Händel compliceren de kwestie door de andere passagiers de ruimte te geven, zodat het creep shaming thema iets onder de oppervlakte verdwijnt. Fitzgerald haalt het echter weer boven door een externe verteller de sympathie van de lezer te laten sturen – hoe explicieter de verteller tussenbeide komt, hoe duidelijker het is welke kant we geacht worden te kiezen. Wat kiezen we wanneer er geen schrijver is die ons bij de hand neemt? Misschien zegt de manier waarop je antieke herderspoëzie leest iets over de manier waarop je zou rapporteren wat je laatst in de trein hebt meegemaakt.

Gerelateerde artikelen
Reacties
2 Reacties
  • Maurits Lesmeister,

    Leuk stuk, leuke conclusie, behalve een detail: 'Ovidius geeft [...] niet Polyphemus, maar Galatea het woord'. Dit is niet waar, het citaat dat je later zelf aanhaalt is een extract uit een enorme speech van Polyphemus, die wat mij betreft daardoor (zoals je wel aangeeft bij Theocritus) een veel spannender (want liever) personage wordt, van wie ik ook wel berenjongen zou willen aannemen (twee in zijn geval).

  • Dank voor je reactie! Het is wel zo dat de speech van Polyphemus in Ovidius gekaderd is door een vertelling uit de mond van Galatea. Natuurlijk is het wel zo dat deze negatieve inleiding op de speech en de aandoenlijke inhoud van de speech zelf met elkaar in contrast staan, en ik denk dan ook niet dat van de lezer verwacht wordt dat zhij zonder meer Galatea's oordeel deelt. Maar Ovidius velt geen oordeel over Galatea's afwijzing, en doordat hij haar zelf als eindfocalisator laat optreden maakt hij het in ieder geval niet onmogelijk om het met haar eens te zijn (zoals Theocritus wel doet).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven