Wikimedia Commons

Geen standbeeld voor de criticus

De criticus is traditioneel behept met een slecht imago. Al vanaf het ontstaan van de kritiek, in de vorm zoals wij die nu kennen (de bespreking of ‘recensie’) zijn er voorbeelden te vinden van de slechte reputatie van de criticus. In hun literatuurgeschiedenis Worm en donder (2013) halen Leemans & Johannes een aardig voorbeeld aan uit de vroegmoderne Nederlandse literatuur. Het betreft een vers van Johannes Lublink de Jonge (1736-1816), voorman van het Amsterdamse literaire genootschap Concordia et Libertate. Het gaat over een ondankbare dinergast die zijn ongezouten mening geeft over de maaltijd die hij net heeft genoten. Vanuit het perspectief van de gastheer horen we wat die mening was:

...

Gansch anders had de man ’t verwacht;

Hy vond by my niets fraais, niets vreemds, niets uitgelezen;

De soep was veel te laf, de visch te gaar gekookt;

De wyn niet fyn genoeg, het vleesch niet goed gerookt;

In ’t kort, niets was er, of ’t had beter kunnen weezen.

Wie zag ooit onbeschaamder vent? –

Slaa dood den hond! slaa dood! het is een Recensent! [i]

Leemans & Johannes wijzen er op dat de term ‘recensent’ in Nederland geen gebruikelijke term was. [ii] Er werd eind 18e eeuw eerder gesproken over de ‘criticus’. De reputatie van de criticus was echter dezelfde als die van de recensent: hij was ofwel een domkop (vanwege ‘een gebrek aan wetenschappelijke kennis en kunde’), ofwel een schurk (die reageerde vanuit ‘persoonlijke hatelijkheden’).

Tegenwoordig koppelen we ‘goede smaak’  aan onderscheidend esthetisch vermogen

Een fraai hedendaags voorbeeld van de onsympathieke criticus vinden we in de animatiefilm Ratatouille (2007) van Walt Disney. Hierin is de criticus Anton Ego letterlijk de schurk van het verhaal. Ego – alias ‘The Grim Eater’ – recenseert restaurantervaringen en toont zich daarbij buitengewoon kritisch. Het recenseren is voor hem een serieuze zaak: ‘I don’t like food, I love it’ verklaart hij. Ego’s slanke postuur illustreert nog het beste de hoge eisen die hij aan de kookkunst stelt. ‘When I don’t love it, I don’t swallow’.

Voor zowel de recensent uit Lublink de Jonge’s vers als de recensent Anton Ego is ‘voedsel’ het object van hun kritiek. Dit is niet zonder toeval, de voedselrecensent staat voor de ‘goede smaak’ die de criticus traditioneel kenmerkt (ook Leemans & Johannes wijzen op de analogie tussen ‘de smaak voor het proeven van spijzen’ en ‘de smaak voor werken van kunst’). Tegelijkertijd betreft het hier meer dan alleen een sprekende overeenkomst. In het beeld van de recensent als kritische disgenoot valt een verwijzing te lezen naar de oorsprong van de kritiek.

We zijn tegenwoordig geneigd het begrip ‘goede smaak’ te koppelen aan het hebben van een onderscheidend esthetisch vermogen, maar de geschiedenis van het begrip toont dat de betekenis van de term oorspronkelijk breder was. In Waarheid en Methode (1960) belicht de filosoof Hans-Georg Gadamer de begripsgeschiedenis van het begrip ‘smaak’. Hij laat zien dat de goede smaak zowel het geestelijke (of intellectuele) onderscheidingsvermogen betrof als het lichamelijke onderscheidingsvermogen. Gadamer verwijst daarbij onder andere naar het werk van de 17e-eeuwse Spaanse filosoof Balthasar Gracián. Voor Gracián is de smaak het meest directe zintuig waarmee we op basis van genot kunnen ‘opnemen en afwijzen’. Het proeven is niet iets wat alleen maar natuurlijk gegeven is (je vindt iets wel of niet lekker), maar iets wat zich moet ontwikkelen en vormen. Het ideaal van de beschaafde mens begint volgens Gracián bij het ontwikkelen van de smaak, de vaardigheid om een gepaste afstand te bewaren, ‘zodat hij welbewust en soeverein kan onderscheiden en kiezen’.

De goede smaak – pas later gereduceerd tot oordelen in intellectuele zin – staat zo aan de wieg van wat later het Bildungsideaal zou heten, het ideaal van een maatschappij gebaseerd op vorming van de burger.

Vergelijken we nu nogmaals de disgenoot van Lublink de Jonge en Anton Ego dan valt er echter ook een groot verschil op: Ego boezemt het publiek grote angst in vanwege de vernietigende kracht van zijn oordeel. De chefkok siddert en beeft wanneer Anton Ego’s bezoek wordt aangekondigd; een slechte recensie van Ego en hij kan de tent sluiten.

De gastheer in Lublink de Jonge’s gedicht is veel minder bevreesd dan Ego’s publiek. ‘Slaa dood den hond! slaa dood!’ roept hij uit. De onbeschaamdheid van de recensent is niet gewenst en wordt meteen fel bestreden. Het doet denken aan de behandeling die de criticus Felix Finch in David Mitchells Cloud Atlas (2004) krijgt van de auteur Dermot Hoggins. Nadat Finch een slechte recensie schreef over Hoggins boek, gooit de auteur de criticus tijdens een receptie persoonlijk van de twaalfde verdieping. Het boek dat tot dan toe belabberd verkocht gaat vervolgens als warme broodjes over de toonbank.

De angst voor de criticus lijkt een overblijfsel uit de hoogtijdagen van de kritiek, eind 19e eeuw, wanneer geaccepteerd is dat de criticus niet zozeer beoordeelt vanuit lange ervaring of gedegen kennis maar vanuit het eigen ‘subjectieve’ gevoel. Wanneer de kritiek met andere woorden zelf een kunstvorm is geworden en de criticus zich kunstenaar waant.

De auteur gooit de criticus tijdens een receptie van de twaalfde verdieping

In Ratatouille verdwijnt de angst voor de criticus overigens als Ego het eten heeft gevonden waar hij van houdt. Van kritische disgenoot verandert Ego plots in een Bourgondische genieter, om niet te zeggen een tevreden consument. Daarmee verdwijnt niet alleen zijn slechte imago, maar is hij ook ‘criticus af’. Ook auteur Hoggins uit Cloud Atlas toont weinig angst en al helemaal geen respect voor de criticus. Toch bevestigt de parodie op de verhouding tussen schrijver en criticus in Cloud Atlas nog altijd meer de kracht van de kritiek dan het happy end van Disney. Wanneer de criticus een tevreden consument wordt, verdwijnt de ‘gepaste vrijheid en afstand’ waar Gracián over sprak, de afstand die het mogelijk maakt ‘welbewust en soeverein’ te oordelen.

Het slechte imago van de criticus blijkt inherent aan de functie die hij vervult. Hoe kwalijk is het dus eigenlijk dat de reputatie van de criticus niet al te best is? Laat kunstenaar en criticus nog maar lang op elkaar vloeken en, wanneer ze samen aan tafel gaan, dan is het hopen dat er met borden wordt gesmeten. Zolang recensenten in romans nog van het balkon worden gegooid is er eigenlijk niets mis met de reputatie van de criticus.


[i] Johannes Lublink de Jonge, versfragment ontleend uit de lezing ‘Verhandelingen over het puntdicht’ 1790. In: Leemans en Johannes 2013, p.249

[ii] Het gebruik ervan door Lublink de Jonge verklaren Johannes & Leemans uit het feit dat het vers een vertaling was van een gedicht van Goethe uit begin jaren 1770.

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie
  • "When he looks back, the critic sees a eunuch's shadow. Who would be a critic if he could be a writer? Who would hammer out the subtlest insight into Dostoevsky if he could weld an inch of the Karamazovs, or argue the poise of Lawrence if he could shape the free gust of life in The Rainbow? "

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven