Flickr / Jean-Marie Hullot

Genocide in 'vakantieparadijs' Myanmar

De Volkskrant bestempelde Myanmar recent als ‘vakantieparadijs’ omdat het na vele decennia onder militair bewind eindelijk stappen richting de democratie zet. ‘Het totalitaire regime is eindelijk gezwicht voor de democratische partij van [Aung] San Suu Kyi’ vermeldt het en Myanmar wordt onmiddellijk als nieuwe toeristische hub bestempeld. De schaduwzijden van dat nieuwe bewind lijken onze aandacht echter te ontglippen.

San Suu Kyi wordt alom geprezen om haar inzet voor de bescherming van mensenrechten in Myanmar en won mede daardoor de Nobelprijs voor de Vrede in 1991. Lang heeft ze haar eigen leven op het spel gezet om op te komen voor minderheden in het Zuidoost-Aziatische land. Ze bleef zelfs vechten vanuit haar eigen huis toen ze, verspreid over verschillende episodes, 15 jaar lang vastzat vanwege huisarrest.

Ontegenzeggelijk is San Suu Kyi een bijzondere vrouw,  maar ze krijgt soms meer lof dan ze verdient. Want hoewel San Suu Kyi zich inzet voor velen, negeert ze de bevolkingsgroep die haar misschien wel het hardst nodig hebben: de Rohingya. Dit doet de vraag rijzen of San Suu Kyi selectief is in haar activisme, wat beïnvloed lijkt te worden door haar boeddhistisch nationalisme.

De overheid beoefent een moordloze genocide

De Rohingya is een onderdrukte minderheid die leeft in de Rakhine-regio in West-Myanmar. Hoewel de bevolking van Myanmar voor 80% boeddhistisch is, zijn de Rohingya moslim en deze numerieke minderheid versterkt de systematische discriminatie. Discriminatie van, en geweld tegen, de Rohingya is een historisch fenomeen maar manifesteert zich geleidelijk ook in de landelijke wetten en politieke besluitvorming. In 1974, onder het regime van dictator Ne Win, werden 135 ‘nationale rassen’ in kaart gebracht: de Rohingya werden echter niet erkend. In 1984 werd het burgerschapsrecht zo aangepast dat kinderen van ouders met een niet erkend ras geen burgerschap meer toegekend kregen. De Rohingya zijn hierdoor effectief stateloos, wat hun situatie in toenemende mate verslechtert.

Anno 2016 telt de Rohingya-bevolking in Myanmar ongeveer 800.000, maar dit getal neemt jaarlijks af. Zij leven in erbarmelijke levensomstandigheden: zij hebben geen toegang tot schoon drinkwater, gezondheidszorg of onderwijs en zitten gedwongen opgesloten in vluchtelingenkampen die ze niet mogen verlaten van de overheid. De New York Times noemde deze kampen zelfs hedendaagse concentratiekampen. Degenen die kunnen, vluchten het land uit want degenen die blijven zullen langzaam maar zeker vergaan door het tekort aan schoon drinkwater, voedsel en levensreddende gezondheidszorg. De overheid beoefent hiermee ‘een moord-loze genocide’, aldus onderzoeker Dr. Penny Green van Queen Mary University in Londen.

Wat de situatie nog ernstiger maakt, is dat de overheid ngo’s systematisch verbiedt om de Rohingya humanitaire hulp te verlenen. Zo werd de Nederlandse tak van Artsen Zonder Grenzen, die op dat moment nog als enige organisatie medische hulp gaf aan de Rohingya, in 2014 het land uitgestuurd. Later mochten zij wel terugkeren om in verminderde mate hulp te verlenen, maar werden ze daarin, evenals in de mogelijkheid zich uit te spreken over het lot van de Rohingya, ernstig beperkt.

Het gebrek aan politieke wil om verandering te bespreken wordt verklaard vanuit 'realpolitik'

San Suu Kyi is op meerdere momenten bekritiseerd vanwege haar gebrek aan steun voor de Rohingya. Toen in 2012 140.000 Rohingya massaal onder dwang van het militaire regime verplaatst werden naar de vluchtelingenkampen, waarbij velen werden gemarteld, verkracht en vermoord, sprak San Suu Kyi zich niet uit over deze gruweldaden. Toen een soortgelijke crisis nogmaals voorkwam in 2015 en volgens de VN meer dan 25.000 Rohingya het land ontvluchtten bleef San Suu Kyi weer stil. Een vertegenwoordiger van haar partij verkondigde zelfs dat de Rohingya geen prioriteit waren. Hoewel haar partij het land toen nog niet leidde, gaf haar status als mensenrechtenactivist en politica haar een positie waarin zij een verschil had kunnen maken voor de Rohingya. Ze koos er voor om dit niet te doen.

Eind 2015 verschenen er twee grote rapporten van de universiteiten Queen Mary en Yale, die verklaarden dat de Rohingya slachtoffer zijn van een genocide. De rapporten analyseren hoe de overheid van Myanmar en Boeddhistische extremistische groeperingen samenwerken om deze etnische groep uit te roeien. De rapporten concluderen dat de overheid van Myanmar betrokken is bij de genocide op de Rohingya. Deze claims worden systematisch ontkend door de overheid en krijgen weinig gehoor bij de VN, internationale ngo’s of het publiek. Als zij dit wel zouden krijgen, zou de internationale gemeenschap namelijk een interventieverantwoordelijkheid hebben volgens het genocideverdrag. Het gebrek aan politieke wil om verandering in het lot van de Rohingya te bespreken wordt in de rapporten verklaard vanuit het perspectief van ‘realpolitik’. Ondanks de vernieuwde interesse in Myanmar sinds de opheffing van het handelsembargo met de EU in 2013, heeft het land de internationale gemeenschap nog steeds te weinig te bieden. Hierdoor blijft het mobiliseren van politieke steun voor deze onderdrukte minderheid een traag proces.

Juist doordat het gebrek aan politieke wil om te bemiddelen geen recht doet aan de ernst van de situatie is het nóg meer van belang dat er geen verkeerd beeld geschetst wordt van Myanmar – zoals recentelijk gebeurde in de Volkskrant. Een land waar systematische uitroeiing van een bevolkingsgroep plaatsvindt kan niet, en mag niet, gezien worden als een vakantieparadijs.

Erkenning van het probleem door overheden en het bredere publiek is een eerste stap. Het is onze plicht om het lot van deze bevolkingsgroep zonder stem en zonder rechten wereldkundig te maken. De rapporten van de universiteiten Queen Mary en Yale laten weinig aan de verbeelding over: de onderdrukking van de Rohingya in kampen is mensonterend en een enorme hoeveelheid bewijs toont aan dat hier sprake is van genocide. Op het 10-jarig herdenkingsmoment voor Rwanda werd er gezegd, ‘If only we knew what was to come, we would have acted’. Dit keer kunnen wij echter niet zeggen dat we het niet hebben geweten. De feiten spreken voor zich.

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie
  • waarom eens geen artikel over de vervolgde en vermoorde christenen in Islamgebied, of de recent geschiedenis van de westelijke Sahara, of het wel en wee van de Papoea's onder het Indonesisch bewind?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven