Flickr / miquitos

Globalisering én geborgenheid

‘Eigenheid én openheid. Plaatsgebondenheid én een blik op de wereld. Lokaal én globaal. Dat zijn de woordparen die nadrukkelijker met elkaar verbonden moeten worden, omdat ze elkaar voor ontsporing behoeden.’ Dat schreef ik precies twee jaar geleden op deFusie. Nu – als kersverse nieuwe hoofdredacteur – denk ik dat die woordparen niet alleen richting kunnen bieden in ons globale bewustzijn, maar ook iets uit zouden kunnen drukken over de missie van deFusie: het zoeken en benoemen (het ‘fuseren’) van die schijnbaar aan elkaar tegengestelde woordparen die ons ondanks de paradox vooruit kunnen helpen. Daarom trap ik nu graag af met het artikel uit 2013 waarin ik die mogelijkheid verkende.

Sommige mensen zijn hun tijd mijlenver vooruit. Diogenes van Sinope (400 v. Chr. – 324 v. Chr.) bijvoorbeeld. Hij antwoordde volgens de overlevering op de vraag waarom hij zich niet hield aan de gebruiken van zijn stad, dat hij geen stadsbewoner maar een bewoner van de kosmos was. Daaraan dankt hij de twijfelachtige eer om de eerste ons bekende ‘kosmopolites’ te zijn. Een tegenstelling lijkt geboren: denken en handelen we lokaal of globaal?

Diogenes kiest voor het globale. De kosmos blijkt hier een grenzeloos toevluchtsoord voor de beknellende wetten van de polis. Een hogere orde van waaruit de specifieke wetten van de een of andere (politieke) gemeenschap gerelativeerd kunnen worden. Kritiek op dat standpunt ligt voor de hand. De mens die zich op de grootst mogelijke abstractie beroept verwaarloost al snel de concrete sociale en politieke banden om hem heen. Van de kosmos kan je alleen maar dromen. Wonen moet je desondanks in meer nabije gemeenschappen. Kosmopolitisch denken kan voor een gezonde relativeringszin zorgen, maar kosmisch handelen is een fictie.

Van de kosmos kan je alleen maar dromen

Echter, het kosmopolitisme kan inderdaad bevrijdend lijken tegenover de beknelling van willekeurige lokale gemeenschappen.

In een tijdperk van globalisering rijst echter de vraag of die bevrijding blijvend is. Of we niet op nieuwe beklemmingen stuiten, die weer doen terugverlangen naar de geborgenheid van kleine gemeenschappen – juist omdat daar heldere grenzen worden gesteld. Of we het verlies van  de vanzelfsprekendheid van eigen gebruiken, in confrontatie met de pluriformiteit waarvan we ons bewust zijn geworden, wel kunnen verdragen.

De Duitse filosoof Rüdiger Safranski stelt zich in het piekfijne essay Hoeveel globalisering verdraagt de mens? (2004) precies die vraag. Hij stelt de mens voor als het enige wezen dat buiten zichzelf kan treden, kan transcenderen. Daarmee geniet de mens een trotse distantie waarmee hij van zichzelf bewust wordt én het geheel kan overzien. Maar dat ‘geheel’ kan ook vreeswekkende proporties aannemen. Schopenhauer bijvoorbeeld beschouwde de mensheid als ‘schimmellaag op een van de talloze bollen in het heelal’. Als het kennende leven zichzelf op zo’n manier ontdekt, lijkt een (te) weidse horizon eerder een last dan een zegen.

Met de globalisering is dat probleem nog schrijnender geworden. Een ‘globaal bewustzijn’ bevat tegenwoordig meer dan de mens verdragen kan. Globalisering ging aanvankelijk vooral gepaard met grote euforie, en het vermoeden van grenzeloze nieuwe mogelijkheden. Maar tussen euforie en wanhoop loopt slechts een dunne lijn. Want terwijl we als nooit tevoren in globalisering worden meegezogen, groeit ook de angstige vraag of we de regie niet helemaal kwijt zijn geraakt. We zijn ons inmiddels bewust van een moderne wapentechniek die hele volksstammen kan vernietigen, van het feit dat er altijd wel ergens op onze aarde (en dus permanent) oorlog woedt en van klimaat- en ecologische problemen op onze planeet. We weten inmiddels dat we – hoe dan ook – in staat zijn onze aarde volkomen te verwoesten. Globalisering kan zodoende een constante latente hysterie in de hand werken.

Zo keert de wal het schip. Leek het kosmopolitische of ‘globale’ bewustzijn eerst bevrijdend, nu blijkt het vooral benauwend te werken. Zijn beklemmingen zijn wellicht nog groter dan die van de kleine gemeenschap.

Tussen euforie en wanhoop loopt slechts een dunne lijn

En er ligt nog een ander gevaar op de loer. Het kosmopolitische bewustzijn blijkt namelijk eveneens in staat om gemeenschapszin uit te hollen, ook in Nederland. In het beruchte essay Het multiculturele drama (2000) stelde Paul Scheffer dat de integratie in Nederland grotendeels was mislukt door een tekort aan ‘bronnen van saamhorigheid.’ Nodig was volgens hem ‘een afscheid van de kosmopolitische illusie waarin velen zich wentelden.’ Want: ‘De wegwerpende manier waarop (…) is omgesprongen met nationaal besef werkt niet uitnodigend. We slaan onszelf op de nationale borst omdat we denken er geen te hebben.’ We brachten volgens Scheffer onvoldoende onder woorden wat ons als samenleving bijeenhoudt: ‘Een samenleving die zichzelf verloochent heeft nieuwkomers niets te bieden’.

De vraag dringt zich daarom op, of we dat permanente ‘globale bewustzijn’ niet moeten compenseren met plaatsgebondenheid. In de jungle van globalisering redden we het immers alleen met begrenzingen die van levenswijsheid getuigen.

We doen er daarom goed aan om, in de woorden van Safranski, ‘lichtingen  te kappen’. Dat betekent: ‘gedrags- en denkwijzen koesteren die niet goed bij de globale hysterie passen: de onthaasting, de eigenzinnigheid, de plaatsgebondenheid, het uitschakelen, het onbereikbaar zijn.’ We moeten het punt leren kennen waarop we ophouden ons te laten informeren. Anders zijn we in de permanente informatiestroom reddeloos verloren. In het nabije moet dus geborgenheid en vertrouwen teruggevonden worden die in het globale verloren zijn gegaan.

Ook Scheffer ging uiteindelijk precies daarnaar nadrukkelijker op zoek toen hij, na de publicatie van zijn beroemde essay, stelde dat we keihard moesten werken aan de opbouw van een gemeenschappelijk ‘wij’, dat wordt gekenmerkt door zowel ‘eigenheid’ als ‘openheid’.

Dat gemeenschappelijke 'wij' biedt wellicht perspectief. Een 'wij' dat zich zowel teweer stelt tegen de bedreigende elementen van globalisering, als tegen de uitholling van gemeenschappen. Een identiteit die zowel ‘openheid’ als ‘eigenheid’ omvat.

Eigenheid én openheid. Plaatsgebondenheid én een blik op de wereld. Lokaal én globaal. Dat zijn de woordparen die nadrukkelijker met elkaar verbonden moeten worden, omdat ze elkaar voor ontsporing behoeden. Precies daarin gaat de nieuwe uitdaging schuil: met oog voor het globale lichtingen kappen naar plaatsgebondenheid en geborgenheid. Dan blijkt de lokale begrenzing – bijna 2500 jaar na Diogenes – zowaar een zegen.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven