Flickr // Carol Lin

Guerrilla’s van de waarheid

De afgelopen week riepen de woordenboeken van Oxford ‘post-truth’ uit tot het woord van het jaar 2016. In het jaar van Brexit en Trump waren feiten en waarheid minder invloedrijk dan emoties, onderbuikgevoelens en persoonlijke overtuigingen. Hiermee is het publieke debat verschoven van waarheid naar emotie en leven we in een ‘post-waarheid’-wereld. Hoewel de uitkomst van deze verschuiving tot nog toe grimmig is, is er misschien een sprankje hoop: omdat het begrip ‘waarheid’ zelf op de politieke agenda staat, kunnen filosofie en politiek een nieuwe alliantie aan gaan.

Donald Trumps presidentiële campagne was een parade van ‘post-truth’-politiek: zijn doembeeld van een Amerika in verval is gebaseerd op verzonnen statistieken, halve waarheden en simpele leugens. Dat het BNP in 2016 is gestagneerd. Dat Hillary Clinton de bron is van de leugen dat Barack Obama niet in Amerika zou zijn geboren. Dat je in Chicago niet over straat kan lopen zonder neergeschoten te worden (ik heb na 6 maanden in Zuid-Chicago nog steeds geen kogelgaten in mijn lijf). Ook tijdens de presidentiële debatten onderbrak Trump zijn tegenstander regelmatig door ‘wrong’ in de microfoon te grommen. Door Clintons mitrailleurvuur aan feiten en cijfers platweg te ontkennen, hoefde hij zich niet eens meer te verdedigen. Kranten en andere nieuwsmedia konden nog zo gretig fact checken, de geest was uit de fles en een deel van de Amerikaanse bevolking slikte Trumps narratief als zoete koek. Zijn overwinning laat zien dat feiten en waarheid op de lange termijn niet per se zegevieren: het tijdperk van de waarheid is voorbij, welkom in de post-truth world.

De postmoderne olifant raast door de porseleinkast van goed fatsoen

Dit is niet de eerste keer dat de waarheid dood is verklaard: eind twintigste eeuw werd het ‘postmodernisme’, een parapluterm voor een cluster van filosofische en literair-kritische theorieën, verantwoordelijk gehouden voor een uitholling van normen en feiten. Wat de verschillende versies van postmodernisme gemeen hebben, is dat ze waarheid, werkelijkheid en objectiviteit beschouwen als bijverschijnselen van andere, diepere structuren, zoals taalspelen (Lyotard), machtsformaties (Foucault), of de structuur van teksten (Derrida). Deze denkers kregen van hun critici het verwijt dat ze door het begrip ‘waarheid’ te ondermijnen ook alle gevestigde systemen van waarden, normen en criteria voor handelen overhoop haalden. De postmoderne olifant raasde door de porseleinkast van het goed fatsoen.

Nu het Brexitreferendum en de verkiezing van Trump duidelijk hebben gemaakt dat post-waarheidspolitiek een machtig middel is, moeten journalisten en filosofen de handen ineenslaan om te achterhalen waar deze plotselinge minachting voor waarheid vandaan komt. Het zou voor de hand liggen om het ‘postmodernisme’ weer als hoofdverdachte aan te wijzen. Maar het valt moeilijk hard te maken dat er een directe lijn loopt van Judith Butler en Michel Foucault naar Nigel Farage en Donald Trump. De mensen die sympathiseren met het postmodernisme zijn over het algemeen juist tegenstanders van nationalisme en autoritaire politiek. De conservatief-populistische Trumpisten en de kosmopolitisch-academische postmodernisten staan recht tegenover elkaar, niet minder dan Geenstijlreaguurders en Maagdenhuisbezetters.

Directe waarneming is onomstotelijk, kritische reflectie is verdacht

Naast de sociologische verschillen tussen de twee groepen is er een filosofisch verschil, dat bovendien hoopvol stemt. Voor zover de postmodernisten de ‘waarheid’ hebben onttroond, was dat als resultaat van een ingewikkelde technische operatie. Door uitgebreide verhandelingen over de geschiedenis van het denken (Foucault), de pragmatiek van taal (Derrida, Butler, Rorty) of de metafysica van verschil en multipliciteit (Deleuze) kwamen deze denkers tot de conclusie dat de dingen die op het eerste gezicht als ‘waarheid’ gelden bij nader inzien minder stabiel en eeuwig zijn dan ze leken. De ‘waarheid’ die ze ondermijnden is dus de huis-tuin-en-keukenwaarheid zoals die zich direct aan ons voordoet, terwijl het ondermijnen ervan een proces van kritische reflectie vergt. In de post-waarheidspolitiek is het precies andersom. Trump en co klampen zich vast aan de directe waarneming: het gaat steeds slechter, er is steeds meer misdaad, de immigranten pikken onze banen in en ze zijn crimineel. Terwijl de directe waarneming onomstotelijk is, is kritische reflectie juist verdacht. Als fact checkers, statistici en opiniepeilingen de directe waarneming tegenspreken, kan dat alleen maar betekenen dat ze vooringenomen en corrupt zijn.

Deze logica van post-waarheidspolitiek is tegelijk een reden om te blijven hopen. Waar postmodernisten door hun reflecties uitkomen op een zeker dedain voor het begrip ‘waarheid’, is bij de Trumpisten het fundamentele geloof in het bestaan van een Waarheid (hoofdletter w) onverminderd aanwezig. Ze geloven alleen dat de specialisten die claimen namens de Waarheid te spreken het mis hebben, en dat ze zelf een betere sensor voor waarheid hebben. Zoals Brexiteer Michael Gove in een interview zei: ‘I am asking the public to trust themselves’ en ‘I think the people of this country have had enough of experts from organizations with acronyms saying that they know what is best and getting it consistently wrong.’

Als een guerrillaleger van Socratici beladen thema’s bevragen

Dat betekent dat voor de hedendaagse politiek, in tegenstelling tot voor het postmodernisme, een therapie beschikbaar is die misschien kan helpen: de Socratische dialoog. Veel van de Socratische dialogen van Plato beginnen met een waarheidsclaim die gebaseerd is op de directe waarneming – laten we zeggen: het ‘onderbuikgevoel’ – van een van de sprekers. Socrates ontmantelt deze waarheidsclaim met een methode van kritisch ondervragen, en door zijn gesprekspartners ervan te overtuigen dat het kritisch onderzoeken van onderbuikgevoelens de enige manier is om in de buurt van de felbegeerde Waarheid te komen.

Filosofen moeten in het tijdperk van Trump als een guerrillaleger van Socratici overal onderbuikgevoelens over economie, etniciteit, seksualiteit, immigratie en andere beladen thema’s op een kritische maar vriendelijke manier gaan bevragen. In plaats van onze gesprekspartners te willen overtuigen van onze mening (en dus een propagandaoorlog van betweterij te beginnen) is het zaak om zoveel mogelijk mensen ervan te overtuigen dat onderbuikgevoelens geen feiten zijn, maar dat kritische reflectie het enige pad richting de Waarheid is. Laat ze vrij om hun eigen meningen vormen, maar dan wel op basis van redeneringen en bewijs. Als we de moed hebben om voorbij het postmodernisme te gaan en weer Platonisten te worden, kunnen de filosofen een antwoord bieden op Trump.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven