Flickr / Ming-yen Hsu

Gysbreght: actuele tragedie

Gysbreght van AemstelJoost van den Vondel1637
AeneisVergilius29-19 v. Chr.

Gysbreght van Aemstel (1637), Joost van den Vondels beroemdste stuk, is een everseller. Nog bijna ieder jaar wordt het op en om de eerste januari opgevoerd, een traditie die eind jaren zestig tot een einde leek te zijn gekomen. Aan alles – van de literaire ambitie die eruit spreekt tot Vondels uitvoerige bemoeienis met het drukken – is te merken dat het niet een eenmalig te beluisteren toneeltekst is, maar een die openstaat voor zorgvuldige lezing en voortdurende herinterpretatie. Na een blik op de ontstaansgeschiedenis en de literaire achtergrond van het stuk, volgt zo’n herinterpretatie die toont dat het juist na dit jaar passend is dat de Gysbreght ten tonele verschijnt.

We moeten een paar stappen zetten voor we in kunnen zien waarom een zeventiende-eeuws toneelstuk over de ondergang van Amsterdam op kerstavond 1300 ons iets kan vertellen over actuele wereldproblematiek. Het achterliggende thema van de Gysbreght is de grootsheid van Amsterdam. Opmerkelijk is de keuze van dat thema uiteraard niet: de feestelijke opening van de stadsschouwburg moest worden bezongen van een stad die het behoorlijk voor de wind ging – een passende metafoor, indachtig de voornaamste bron van de rijkdommen. Het vehikel voor het bezingen van Amsterdam mag opmerkelijker heten. De Gysbreght is een tragedie en een duidelijke verwijzing naar het tweede boek van Vergilius’ Aeneis, het epos over de Trojaanse held Aeneas, die voorbestemd is te Latium de stad te stichten die later Rome zal worden.

Vondels bewerking van de Aeneis snijdt specifiek het thema vlucht en ballingschap aan

Vondels interpretatie is niet schokkend te noemen, opvallend is wel dat hij besluit een specifiek thema aan te snijden: vlucht en ballingschap. Vondel draagt het stuk zelfs op aan de dan gedwongen in Parijs woonachtige Hugo Grotius, die niets liever zou willen dan weer een maatschappelijke functie vervullen in zijn vaderland: dit gegeven duidt op het belang dat Vondel aan dit thema hecht. In zijn begeleidende brief aan De Groot gebruikt Vondel, zelf een immigrant, geboren in Keulen, uit een Antwerpse familie die op de vlucht voor religieuze uitsluiting in Amsterdam terechtkwam, het woord balling nog tweemaal in de slotregels, eenmaal van toepassing op Grotius, eenmaal op Gysbreght. De Gysbreght is te lezen als een tragedie over vluchtelingen.

Het stuk is geen adaptatie van de hele Aeneis. De basis vormt het tweede boek, een door de titelheld aan het Carthaagse hof verteld relaas over de laatste dag en nacht van Troje. Na een tien jaar durend beleg lijken de vijandige Grieken vertrokken, met achterlating van het beroemde houten paard. Het paard wordt met een feestelijke parade de stad ingetrokken, een tragische inschattingsfout: de buik herbergt het puikje van de Griekse strijders, dat ’s nachts het paard verlaat en van binnenuit de Trojaanse poorten weet te openen voor de rest van de Griekse legerscharen. Die waren bij het nabijgelegen Tenedos voor anker gegaan, en weten in één nacht meer te bereiken dan in tien jaar zwoegen. Binnen afzienbare tijd brandt Troje en weet de groep inwoners door Aeneas geleid als enige aan de chaotische gevechten te ontsnappen. Vondel transponeert dit geheel naar de ondergang van Amsterdam rond 1300. Het Trojaanse paard verschijnt in de gedaante van een schip met brandhout: ’t Zeepaerd. Gysbreght vervult de rol van Aeneas en ook zijn oude stad gaat te gronde: Urbs antiqua ruit (‘een oude stad stort in’), een citaat uit de Aeneis, dient als motto van het geheel.

Hoewel sommigen de Gysbreght (te) vertellend en (te) episch vinden voor een tragisch etiket, zijn er wel degelijk tragische dilemma’s aan te wijzen in Vondels behandeling van de stof. Tragiek geldt hier als een gedwongen keuze tussen fundamentele waarden die met elkaar worden geconfronteerd en op elkaar botsen, binnen een persoon of groep: Gysbreght heeft, door de fout het schip met rijshout binnen te halen, zowel de taak om zijn volk te begeleiden naar een betere toekomst buiten de stad als om Amsterdam te verdedigen, al is het tot de dood erop volgt. Hij laat zich door eerdere aansporingen van zijn vrouw Badeloch en de heer van Vooren niet overhalen om te vertrekken. De laatste, een van de vijanden van Gysbreght, probeert hem er in het laatste bedrijf van te overtuigen de wijk te nemen, uiteraard uit eigenbelang; iedereen wil wel dat zijn vijand vrijwillig vertrekt. Badeloch maakt het bovendien nog ingewikkelder door een beslissing die wordt ingegeven door de voor het stuk zo belangrijke huwelijkse liefde, bezongen in de beroemde rei ‘Waar werd oprechter trouw | dan tussen man en vrouw | ter wereld ooit gevonden?’ Zij confronteert Gysbreght met een heel nieuw tragisch dilemma: ze weigert de stad te verlaten zonder haar man. Zo stelt Gysbreght niet alleen zijn eigen leven, maar ook dat van zijn vrouw én zijn beide kinderen in de waagschaal door in Amsterdam te blijven.

Zijn vrouw Badeloch stelt Gysbreght voor een nieuw tragisch dilemma

Tegelijkertijd zijn vooral de laatste twee bedrijven een staalkaart van oorlogsleed en dus van wat men bereid is te doorstaan om maar niet in ballingschap te hoeven aangezien de mogelijkheid tot vluchten zich immers zo expliciet aandient. Uiteraard de nodige oorlogsslachtoffers, in de strijd zelf, met als voornaamste Gysbreghts broer Arend. Een centraal paneel is het verkrachten en vermoorden van een hele rits nonnen, gelegen in het bloed van een geslachte ex-bisschop. De beschrijving van dit tafereel door een bode is het meest plastische en meest aangrijpende deel van het toneelstuk. Toch is Gysbreght na dit bloedblad nog steeds niet overtuigd van de noodzaak Amsterdam te verlaten. Het is pas de tussenkomst van de aartsengel Raphael die de titelheld zijn vaderland doet verruilen voor het verre Pruisen, al wordt dat voorgesteld als een paradijs op aarde. Het afscheid van Amsterdam is kort maar indringend, en sluit het stuk af.

Het loont de moeite om deze gegevens te vergelijken met wat er zoal over vluchtelingen wordt geschreven. De keuzes die Vondel zijn hoofdpersoon laat nemen zou je kunnen zien als extreem eenvoudig. Aan de ene kant kan hij met vrouw en kinderen sterven in een toch al verloren stad, of hij kan ervoor kiezen de boel de boel te laten en een beetje rentenieren in Pruisen: de toekomst lonkt voor gelukszoeker Van Aemstel. Maar tot het einde toe blijkt de keuze ingewikkelder dan dat: Gysbreghts ronde door de stad voert hem langs de plekken die hij zo goed kent, het lot van de achterblijvers is op zijn best ongewis, en de hopelijk mooie toekomst gaat onherroepelijk samen met een afscheid van het bekende. Het tragische dilemma waarvoor zowel Gysbreght als moderne vluchtelingen staan: is in het vaderland blijven het waard om voor te sterven? Als die vraag wordt beantwoord met ‘nee’, zoals het geval is voor iedereen die de oversteek waagt, is daarmee de tragiek niet verdwenen.

Onderkenning van Gysbreghts tragische dilemma’s is onderkenning van de tragiek die voorafgaat aan de tocht naar Europa. Al zou dat Europa net zo aantrekkelijk zijn als het Pruisen dat door Raphael wordt geschetst, de keuze is voor Gysbreght lang niet eenvoudig: tegenover het ‘vette land van Pruissen’ staat nog altijd ‘mijn Aemsterland’. De klacht van de vluchtelingen vlak daarvoor is niet mis te verstaan: ‘Helaes! hoe bitter valt | Het scheiden van zijn land, daer alles loopt verloren!’. Het gegeven dat de bewoners van het klooster niet door Gysbreght gered wilden worden en dat er voor Gysbreght zelf goddelijke interventie nodig is om de stap te zetten, is veelzeggend. Tot het moment dat Raphael verscheen, stond het voor Gysbreght vast dat zijn leven hem minder waard was dan sterven waar hij zich echt thuis voelde. Dat besef stelt wellicht de tragische dilemma’s van Europa – halen wij geen Trojaans paard in huis met de vluchtelingen? hoe zit het dan met onze welvaartsstaat? – in de schaduw.

Voor vluchteling Gysbreght stond vast dat hij liever stierf dan zijn thuis te ontvluchten

Natuurlijk was Vondel geen ziener die in de zeventiende eeuw pasklare antwoorden op eenentwintigste eeuwse vraagstukken zat te dichten, elke claim dat een bezoek aan de Stadsschouwburg rond de eerste januari ons ook maar één stap dichter bij een concrete oplossing van het vluchtelingenprobleem voor Europa brengt, is idioot. Maar de Gysbreght, een stuk dat mikt op een gevoel van patriottisme in de Amsterdamse gemeenschap, kan ons wel een inkijk geven in de gevoelswereld van alle anderen, die de overweging moeten maken have en goed te verlaten. De situatie roept op om met hernieuwde oren naar een misschien wat platgetreden vers uit het slot van de Gysbreght te luisteren: ‘De liefde voor zijn land is ieder aangeboren’. En ‘ieder’ is dan niet alleen de Europeaan die zijn fijne veilige vaderland beschermt tegen de Oosterse horden, maar ook de vluchteling die ondanks deze liefde een nieuw leven elders zoekt.

Literair chauvinisme zou normaliter voldoende zijn om de Gysbreght te bezoeken. Het is een magistraal gedicht, een unieke verwerking van de Aeneis. Maar het stuk dat er van de hele Nederlandse literatuurgeschiedenis nog wel het meest van verdacht wordt alleen om de traditie gelezen te worden, geeft bovendien een indringende kijk op het leed dat voorafgaat aan de stap naar ballingschap. Gysbreghts dilemma’s zijn niet alleen de dilemma’s van een leider van zijn volk, maar die van elke vluchteling, en in zijn meesterwerk laat Vondel zien wat ervoor nodig is om zo radicaal met je verleden te breken. Soms kan grote literatuur helpen om anderen scherper te zien. We zouden misschien wat gastvrijer worden naar vluchtelingen als we onszelf Gysbreghts vragen gezamenlijk wat vaker stelden.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven