Happy Meal

~

De zaallichten van de bioscoop doven als ik, met een rammelende glazen theekop en schotel in mijn hand, voor de knieën van de vijfenzestigplussers op rij twaalf langs schuifel. Een man en een vrouw zijn met elkaar in gesprek en hangen ieder over een helft van de stoel waar ik een kaartje voor gekocht heb.

‘Vroeger belde mijn dochter me nog weleens om te vragen of ik een cd van een of andere hippe band voor haar kon branden,’ zegt de man. Zijn rossige snor beweegt als een rups over zijn bovenlip. ‘Tegenwoordig kan ze alles downloaden en hoeft ze me niet meer te bellen vanwege de Whatsapp.’

De vrouw antwoordt door haar hand op het midden van haar borst te leggen. Ze draagt om iedere vinger minstens één zilveren ring met hoekige vormen. Ze zegt er niets van dat de man Whatsapp uitspreekt als watsap. Ze knikt met een schuin hoofd en ik blijf staan wachten.

‘Oh,’ zegt de vrouw. ‘Is dit jouw stoel?’

‘Ja,’ zeg ik. ‘Maar misschien wilt u naast elkaar zitten?’

‘Nee hoor, meisje, wij kennen elkaar ook pas net en dit is mijn vrouw,’ antwoordt de man. Hij laat zijn hand even boven het been van de vrouw aan de andere kant naast hem hangen, om die zonder haar aan te hebben geraakt weer in zijn eigen schoot te leggen. Zijn vrouw bekijkt me vluchtig van mijn voeten tot mijn kruin en richt haar ogen dan weer op het scherm van haar smartphone. Iedere keer als haar vinger het scherm raakt, klinkt er een piepje.

Ik wil deze documentaire zien, omdat ik heb gelezen dat walvissen nooit eenzaam zijn. Ze kunnen zingen. Ze hebben een klankkast in hun lichaam waarin geluid wordt weerkaatst en versterkt. Het gezang is tot wel duizend kilometer verderop nog te horen. Een walvis weet altijd dat er soortgenoten in de buurt zijn en dat ze hem zullen horen als hij zingt.

Op het scherm hangt een moederwalvis slapend in het water, met één oog open. De voice-over vertelt dat de ene hersenhelft van de walvis slaapt, met de andere helft blijft ze waakzaam. Ze houdt haar jong, dat met zeewier speelt, in de gaten. Ik kijk opzij naar de vrouw met de ringen.

Ik kuch zacht in de hoop dat ze mijn blik opmerkt.

De vrouw kijkt naar het scherm, waar de moeder en haar jong beginnen aan een trektocht richting de zuidpool. Het jong zwemt onder de vin van haar moeder, zoals de andere moeders vroeger een hand op de rug van hun dochters legden wanneer ze naar school fietsten.

De bioscoopzaal vult zich met walvismuziek. Het klinkt alsof je met een natte vinger over de rand van een wijnglas cirkelt, maar dan slomer.

Wanneer de film al zo’n twintig minuten bezig is, ontspannen mijn schouderspieren en zak ik wat dieper in de stoel. De vrouw doet dat ongeveer tegelijk. Zo rustig dat het de vrouw niet lijkt op te vallen dat haar onderarm tegen de mijne aan zakt. Tot de vrouw van de man aan mijn andere zijde zucht en haar mobieltje uit haar tas pakt en met haar wijsvinger op het scherm begint te tikken. Piep. Piep. Piep piep piep. We schrikken en trekken onze armen terug. De mensen op de rij voor ons draaien zich om in de richting van het geluid. De man glimlacht verontschuldigend en legt zijn hand over het scherm van de telefoon. Waarop de vrouw deze, zonder haar man aan te kijken, terug in haar tas stopt.

De bioscoopzaal vult zich met walvismuziek. Het klinkt alsof je met een natte vinger over de rand van een wijnglas cirkelt, maar dan slomer.

Op het scherm hangt een walvis loom tussen ijsschotsen. Dit is de eenzame walvis, vertelt de voice-over. Hij zingt op een frequentie die een stuk hoger is dan die van de andere walvissen en daardoor kan niemand hem horen. De donkerblauwe kleur van het dier steekt grauw af tegen het helderblauwe water en witte ijs. Het is dezelfde kleur als het balletpakje dat ik vroeger droeg als ik bij mijn opa en oma was.

De zaallichten gaan aan als de aftiteling is afgelopen. De vrouw buigt zich over mijn schoot. ‘Mooi was het, hè?’

‘Ja, echt,’ antwoordt de man. ‘Zo bijzonder dat er zulke intelligente wezens bestaan en wij geen idee hebben wat ze denken.’

Ik knik. De man kijkt even naar zijn eigen vrouw, die haar smartphone alweer uit haar tas heeft gehaald. De piepjes die het ding maakt overstemmen het geluid van de mensen die hun jassen aantrekken en de zaal verlaten. De man kijkt naar de vrouw met de ringen en laat zijn ogen hangen ter hoogte van haar hals. De vrouw strijkt een hand door haar haren en vraagt: ‘Hoe heet u eigenlijk?’

‘Aart,’ zegt de man. ‘En u?’

‘Martha.’

De vrouw van Aart gniffelt om iets wat op het scherm van haar telefoon gebeurt. We kijken alle drie haar kant op, maar ze merkt ons niet op. Martha glimlacht naar Aart.

Niemand vraagt naar mijn naam, dus zeg ik: ‘Ik heet Eline.’

Op ongeveer hetzelfde moment stopt de vrouw van Aart haar telefoon in haar tas en zegt: ‘Aart, kunnen wij zo gaan?’

Aart knikt. We staan op.

In de lobby staan we ieder met een jas over onze arm. ‘Ik ga naar het toilet,’ zegt de vrouw en ze duwt haar jas in de armen van Aart. Ze wacht niet tot hij hem goed heeft aangepakt, maar loopt weg terwijl Aart nog staat te stuntelen om niets op de grond te laten vallen.

‘Ze is niet heel vriendelijk, hè,’ zeg ik.

‘Kind, zoiets zeg je toch niet zomaar?’ Martha kijkt even naar mij en werpt Aart een glimlach toe waarbij ze maar een mondhoek optilt.

‘Zo was het niet altijd, hoor,’ zegt Aart.

Martha legt haar hand even op de onderarm van Aart, schrikt zelf van het gebaar, trekt haar hand terug en klemt hem om het hengsel van de tas die aan haar schouder hangt.

‘Onze kinderen zijn zo snel volwassen geworden,’ gaat Aart verder. ‘En kleinkinderen hebben we niet.

‘Ach, kleinkinderen, dat lijkt me zo mooi,’ verzucht Martha. ‘Heb jij lieve opa’s en oma’s?’

‘Nee,’ zeg ik.

De lobby stroomt vol, de volgende film staat op het punt te beginnen. Ik steek mijn armen door die van Martha en Aart en loop met ze richting de uitgang van de bioscoop.

‘Nou, zeg,’ stamelt Martha en ze probeert zich los te wurmen.

Ik klem hun armen steviger tegen mijn lichaam en glimlach naar het meisje achter de kassa die met een volle schep popcorn in haar handen naar ons kijkt.

We komen vooruit, maar botsen. We botsen tegen een groep jongeren die allemaal dezelfde jas met nepbontkraag draagt en de jas van de vrouw van Aart valt op de grond. Aart wil zich losmaken om hem op te rapen. Ik moet hard klemmen om zijn arm niet los te laten glippen.

‘Kom op,’ zeg ik. Aart kijkt naar mij. Dan naar de jas. En weer naar mij.

Ik trek nog een keer flink.

We staan voor de draaideur. De eerste punt is gevuld met een moeder en twee kinderen.

Mijn bovenarmen doen pijn van het klemmen.

De volgende punt is vrij. Ik trek Aart en Martha erin.

Samen lopen we naar buiten.

~

De roze gelakte nagel aan de wijsvinger van het meisje achter de toonbank tikt verveeld tegen de rand van het kassascherm als ze me vraagt of ik friet of snoeptomaatjes bij mijn Happy Meal wil. Ik kijk naar Martha die me met zacht gesloten ogen toeknikt.

‘Friet, alsjeblieft,’ antwoord ik.

Het meisje tikt met haar roze nagel iets aan op het scherm.

‘En voor u meneer,’ vraagt ze aan Aart.

‘Een medium Chicken Sensatie menu, graag.’

‘Een medium Chicken Sensation menu,’ zegt het kassameisje. ‘Eén of twee bakjes frietsaus?’

Aart kijk naar Martha, die direct zegt: ‘Nou, voor mijn part neem je er zestig.’

‘Nee,’ fluistert Aart naar haar. ‘Mijn cholesterol.’

‘Oh,’ zegt Martha. ‘Oh. Je cholesterol.’ Ze trekt haar vest recht en zegt tegen het kassameisje: ‘Maar één bakje saus voor meneer en geen druppel meer.’

Aart draagt de twee dienbladen met het eten erop. Ik houd de rietjes vast en Martha een stapel servetten. We nemen plaats aan een tafel die is nagemaakt van het soort zithoeken dat je in Amerikaanse diners ziet. De McDonalds-radio draait het liedje van Tracy Chapman met de auto en dat ze overal naartoe kunnen.

De roze gelakte nagel aan de wijsvinger van het meisje achter de toonbank tikt verveeld tegen de rand van het kassascherm als ze me vraagt of ik friet of snoeptomaatjes bij mijn Happy Meal wil.

Martha strooit de inhoud van haar bakje friet uit op een servet. Op het hoekje van het servet zet ze haar bakje frietsaus. Ze zoekt steeds twee frietjes van ongeveer dezelfde lengte, die ze in de saus doopt en in het midden af bijt, om de laatste helft nogmaals in de saus te dopen.

Aart bekijkt haar vingers die de frietjes bij elkaar zoeken, terwijl hij een grote hap van zijn burger neemt. Tijdens het kauwen verplaatsen zijn ogen zich van haar vingers naar haar gezicht.

‘Is het lekker, meisje?’ vraagt Martha en ze kijkt als de moederwalvis die een oog op haar jong gericht houdt.

Met mijn laatste kipnugget haal ik alle saus uit het bakje en stop hem dan snel in mijn mond, zodat er geen saus op mijn shirt druppelt. Aart legt zijn hand even op de onderarm van Martha en herhaalt haar vraagt: ‘Is het lekker?’

‘Vet lekker,’ antwoord ik met volle mond, waardoor ik per ongeluk een stukje kip over de tafel spuug. Ik sla mijn hand voor mijn mond en maak mijn ogen groot. Een seconde is het stil aan tafel. Dan buldert Aart een lach waar het hele restaurant van op kijkt.

Martha knikt stuk voor stuk naar alle gevulde tafels met een opgestoken hand als verontschuldiging, maar begint dan ook te lachen.

Als alle friet op is en van de burger van Aart alleen nog de schijven tomaat over zijn, begint het buiten te schemeren. Ondanks dat het nog vroeg is, hangt een halve maan al ergens boven de lantaarnpalen, die op dat moment aan springen. Met een servetje veegt Martha het stukje uitgespuugde kip op. Aart staat op om de dienbladen met etensresten naar de vuilnisbak te brengen. Samen vertrekken we.

~

In het huis van Martha neemt Aart plaats op de luie stoel alsof hij de kuil in de zitting zelf gevormd heeft. Het leeslampje achter de stoel knipt hij aan. Het licht schijnt vanachter op zijn uitstekende oren. De huid is zo dun dat ik alle rode vaatjes door zijn oorschelp zie lopen. Martha geeft hem de krant, die hij openslaat, maar niet leest. Hij kijkt naar de grond voor zijn voeten. Ik vraag me af of in een van de zakken van zijn jas aan de kapstok een mobieltje zit. Het scherm staat nu vast helemaal vol met ongelezen berichten van zijn vrouw.

Ik blijf in het midden van de kamer staan.

‘Is er iets,’ vraagt Aart.

‘Ik denk dat ik heel moe ben,’ zeg ik.

‘Ach,’ zegt Martha die vanuit de keuken aan komt lopen. ‘Blijf hier maar slapen.’ Ze gaat naast me staan en legt haar arm om mijn schouders. Wat een vreemd gezicht moet zijn, ik ben ruim een kop groter dan zij.

‘Aart,’ zegt ze. ‘De kopjes koffie staan al op het aanrecht. Ik maak even de logeerkamer in orde en wijs dit meisje waar de badkamer is.’

Na het omkleden en het tandenpoetsen sluit Martha het deksel van de wc en zegt: ‘Ga hier maar even zitten.’

Uit de la onder de wasbak haalt ze een houten borstel met paardenharen. ‘Van mijn moeder gekregen toen ik nog jong was,’ vertelt ze.

Ik ga schuin op het deksel van de wc zitten. Het plastic plakt koud tegen de delen van mijn billen die niet met onderbroek bedekt zijn. Het reservoir loopt zachtjes vol met water en Martha komt achter me staan.

Ze begint bij de onderste tien centimeter. Steeds omklemt ze een nieuwe pluk met haar vrije hand en maakt korte, snel op elkaar volgende halen. Mijn handen liggen met de palmen naar boven in mijn schoot en elke keer als Martha met haar nagel langs mijn achterhoofd gaat om een nieuwe pluk haar te pakken, ben ik een puppy. Pluk een, mijn tong hangt uit mijn bek. Pluk twee, mijn staart kwispelt zachtjes. Pluk drie, een rilling trekt door mijn wervels en ik schud me voorzichtig uit.

‘Heb je het koud?’

Ik schud mijn hoofd. Ik draag een groot wit t-shirt met op de borst een slapend kind geborduurd. Het katoen is stijf en ruikt alsof het in een tuin met vers gemaaid gras en veel bloemen aan de waslijn heeft gehangen. Met mijn tenen woel ik door het hoogpolige tapijt dat om de wc-pot ligt.

Pluk een, mijn tong hangt uit mijn bek. Pluk twee, mijn staart kwispelt zachtjes.

Martha borstelt van het begin van het haar op mijn voorhoofd tot het einde tussen mijn schouderbladen. Het enige wat je nog hoort zijn de tanden van de borstel langs mijn haren en onze ademhaling.

We ademen uit van haarzakje tot gespleten uiteinde, ademen in als de borstel zich door de lucht weer naar het begin begeeft.

Uit, van haarzakje tot gespleten uiteinde.

In, als de borstel zich door de lucht weer naar het begin begeeft.

Uit, door de haren.

In, door de lucht.

We maken onze eigen walvismuziek.

‘Zal ik het voor je invlechten? Dan raakt het vannacht niet weer in de knoop.’

Ik knik.

Bij de wasbak maakt Martha haar handen nat zodat ze meer grip heeft tijdens het vlechten. Ik heb ooit geleerd dat je een onrustige baby met een vinger over de brug van zijn neus moet aaien. De ogen zullen met iedere beweging een beetje verder sluiten tot de baby slaapt. Mijn ogen sluiten per pluk die Martha aan de vlecht toevoegt. Als ze klaar is legt ze haar handen op mijn schouders en ik laat mijn hoofd naar links buigen tot mijn wang op de rug van haar hand ligt.

 

 

 

In samenwerking met Uitgeverij Lebowski publiceert deFusie om de twee weken een kort verhaal van aanstormend talentHeb je zelf een goed kort verhaal? Stuur dan een e-mail dan naar redactie@defusie.net. Lees hier de Lebowski Blog. 

Meer Verhalen
Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven