Wikimedia Commons

Hardheid HB

Heel wat gekte had ik meegemaakt. Mijn moeder liet zich op regenachtige dagen hypnotiseren door de slingerklok en mijn broer ging tijdens zijn psychoses in debat met het expressionistische schilderij boven de schouw. Het zat in de familie, en ook ik ontkwam er niet aan. Ons gezin stond als raar bekend en de kinderen uit de straat mochten van hun ouders niet bij ons komen spelen. Nadat de vrienden van mijn vader mijn moeder een keer in trance hadden aangetroffen, meden ook zij ons huis.

Tijdens mijn enige opname, op mijn drieëntwintigste, kwam ik erachter dat ik, vergeleken met andere bewoners, ondanks mijn dissociaties en hallucinaties eigenlijk akelig normaal was. Ik herinner me vooral de onnavolgbare monologen van een kamergenote met wie, sinds ze verward was teruggekeerd van een reis door Afrika, geen gesprek meer te voeren was. Van haar eigen woorden raakte ze zo over haar toeren dat alleen de isoleer nog uitsluitsel bood.

Een wit vel papier, formaat A3, bekraste ze tot er geen spoortje wit meer te zien was

Ook buiten de kliniek was de waanzin nooit ver weg. Ik was wel wat gewend, dacht ik. Tot ik bijna twintig jaar na mijn opname voor de research voor mijn boek door Europa reisde en Roka ontmoette.

Al drieëntwintig jaar woonde Roka in een psychiatrische inrichting aan de rand van Herisau, een onbeduidend Zwitsers stadje. Daarvoor had ze een doodgewoon leven geleid, met een lieve man, een veeleisende baan bij een bank, een vrijstaand huis met hypotheek en soms een bezoek aan vrienden of de schouwburg.
Twee keer per week kwam haar man bij haar op bezoek en steevast nam hij twaalf scherpgepunte potloden mee, hardheid HB. De bezoeken verliepen in stilte; Roka praatte al drieëntwintig jaar niet meer. Niemand begreep waarom.

Met uitzondering van de zondag, met de verplichte groepswandeling, verliepen haar dagen volgens hetzelfde patroon: na het ontbijt zaagde ze, met het mes waarmee ze even daarvoor haar brood met boter had besmeerd, de punten van vier potloden eraf. Met een puntenslijper begon ze de potloden weer te slijpen, tot ze net zulke scherpe punten hadden als eerst. Na dat ritueel kon het werk beginnen. Een wit vel papier, formaat A3, bekraste ze tot er geen spoortje wit meer te zien was. Daarna volgde een nieuw vel, met een nieuw potlood. Als haar man haar twaalf nieuwe potloden gaf, gaf zij hem twaalf vellen zwart papier terug.

Toen ik binnenkwam, was ze al bezig. Grijs haar hing als een gordijn voor haar gezicht en raakte de tafel. Ik weet zelfs niet of mijn aanwezigheid tot haar doordrong. Krampachtig hielden haar knokige vingers het potlood vast.
Het gekras sneed in mijn oren en hier en daar raakte het papier beschadigd. Twee vellen lang hield ik het vol, toen kon ik het niet meer aanzien. Ik sloop weg, terwijl Roka onverstoorbaar door kraste. Zachtjes trok ik de deur achter me dicht.

Als haar man haar twaalf nieuwe potloden gaf, gaf zij hem twaalf vellen zwart papier terug

In de gang hing een grote spiegel. Ik keek erin en deinsde terug: Roka staarde me ontzet aan. Een potlood viel uit mijn handen en kletterde op de vloertegels. Ik rende de gang door, alle trappen af, weer een gang door. Hijgend rammelde ik aan de buitendeur. Ik bleef de deurklink op en neer bewegen, tot er uit een belendende kamer een verpleger kwam.

‘Dit is een gesloten afdeling, voor permanente opname.’
‘Maar ik was alleen op bezoek!’
Hij verzachtte zijn blik, bijna alsof hij naar een kind keek. ‘Maar mevrouw, dan was u hier toch nooit terechtgekomen. De bezoekersruimte bevindt zich in een andere vleugel, en na het bezoek begeleiden we de mensen altijd naar de uitgang.’
‘Ik was bij Roka,’ zei ik.
‘Helaas mevrouw, we hebben hier geen Roka. U bent behoorlijk in de war en het lijkt me beter dat u hier blijft, voor uw eigen bestwil.’
Ik wist niet meer wat ik moest zeggen.
‘U bent hier vrijwillig naar binnen gegaan, dat heeft consequenties. U zult zich hier snel op uw gemak voelen. En niet getreurd, elke zondag gaat de groep uit wandelen. Loopt u maar even mee, ik wijs u de weg naar uw kamer.’

Ik sjokte achter hem aan, één, twee, drie trappen op. De verpleger ging me voor, een kleine eenpersoonskamer in. Op het onberispelijk opgemaakte bed lag een stapeltje witte handdoeken en een strak gesteven wit nachthemd.
‘Rust u maar even uit. Straks komt er iemand om u wegwijs te maken.’
Zodra hij de deur achter zich had dichtgetrokken, pakte ik het nachthemd en hing het voor de spiegel. Ik ging op bed liggen en staarde naar het plafond. Nog geen tien minuten later werd er aangeklopt.

'Rust u maar even uit. Straks komt er iemand om u wegwijs te maken’

‘Ik heb iets voor u,’ zei een kordate, maar niet onvriendelijk ogende verpleegster.  ‘Het is van de directeur, om u te verwelkomen.’
Ze overhandigde me een rechthoekig pakje. Ik trok het cadeaupapier eraf. Het was een doosje met daarin twaalf potloden, hardheid HB.
‘Morgen kunt u aan de slag.’

Meer Verhalen
Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Reacties zijn gesloten.

Naar boven