Wikimedia Commons / Jankie

Heeft de sociaal-democratie in Nederland haar missie volbracht?

Op 1 mei 2011 vierde de Partij van de Arbeid haar 65ste verjaardag, maar steeds vaker wordt de vraag gesteld of de PvdA vandaag de dag nog wel bestaansrecht heeft. Naar aanleiding van de 65e  verjaardag  van de partij stelde PVV’er Martin Bosma dat het voor die partij tijd was met pensioen te gaan en ook de Volkskrant kopte ‘Missie volbracht’. De vraag naar het bestaansrecht van de PvdA lijkt gerechtvaardigd nu de partij in de peilingen nog maar rond de 25 zetels behaalt en structureel minder kiezers achter zich lijkt te kunnen scharen. Vooral lijkt ook de historische missie om de arbeider te verheffen geslaagd, want Nederland is tegenwoordig zo welvarend dat armoede niet meer dan een marginaal probleem kan zijn. Maar in hoeverre klopt dat beeld eigenlijk?

Nederland is rijk, maar niet zo rijk dat er geen sprake meer is van armoede. Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) publiceren sinds 1997 gezamenlijk over de omvang van armoede in Nederland. Uit die stukken blijkt dat armoede ook in Nederland nog steeds een grote groep mensen treft. Uit de laatste cijfers blijkt dat in 2009 het aantal armen in Nederland groeide tot  6,2 procent van de bevolking als men uitgaat van het zogenaamde ‘niet-veel-maar-toereikendcriterium’. Dat betekent dat er op grond van dat criterium in 2009 bijna een miljoen mensen arm waren in Nederland, 971.000 personen om precies te zijn. Dergelijke cijfers roepen de vraag op of men niet te makkelijk aanneemt dat de missie van de sociaal-democratie in Nederland is geslaagd.

Armoede kan je op verschillende manieren definiëren en de manier waarop je dat doet  heeft vanzelfsprekend gevolgen voor de vastgestelde grootte van het armoedeprobleem. Het SCP en CBS hanteren daarom vier inkomensgrenzen voor het meten van armoede. De meest aansprekende van die vier vind ik de budgetbenadering, omdat het uitgaat van wat in onze samenleving minimaal noodzakelijk is. Ik wil me dan ook hoofdzakelijk op die benadering richten. Op grond van de budgetbenadering meet men armoede aan de hand van twee normbudgetten: het basisbehoeftebudget en het ‘niet-veel-maar-toereikendbudget’ waaraan in de eerste alinea al werd gerefereerd. Het basisbehoeftebudget is het bedrag dat minimaal nodig is voor de eerste levensbehoeften, zoals eten, drinken, kleding en wonen. Het ‘niet-veel-maar-toereikendbudget’ is het basisbehoeftebudget  plus een klein bedrag voor uitgaven die niet strikt noodzakelijk zijn. Het SCP en CBS duiden dit extra bedrag ook wel aan als de kosten die nodig zijn voor sociale participatie, zoals het lidmaatschap van een vereniging of  de kosten voor het kunnen ontvangen van bezoek. Om het plaatje volledig te maken: in 2009 lag het budget voor basisbehoeften op 900 euro per maand voor alleenstaanden onder 65 jaar, het ‘niet-veel-maar-toereikendbudget’ op 980 euro. De budgetten verschillen vanzelfsprekend per type huishouden (heb je kinderen, ben je alleenstaand, etc.) en worden vastgesteld op basis van gegevens die worden verzameld door het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud). Zoals aangegeven, leefde 6,2 procent van de Nederlandse bevolking in 2009 onder het niet ‘niet-veel-maar-toereikendbudget’. Van de mensen die onder dit niveau vielen, was 2,2 procent bovendien vier jaar of langer arm. Dat betekent dat 309.000 personen zich in 2009 in langdurige armoede bevonden. Daarnaast viel 4,4 procent van de Nederlanders onder het basisbehoefteniveau. Dat kwam neer op 684.000 personen, waarvan zich weer 179.000 (1,3 procent) in langdurige armoede bevonden. Een laatste gegeven dat niet onvermeld kan blijven is dat een hoog percentage kinderen in armoede leeft. 9,1 procent van de kinderen in de leeftijdsgroep van 0 tot en met 17 jaar leefde in 2009 in armoede. Zelfs voor diegenen die de eigen verantwoordelijkheid tot hoogste deugd verheven hebben, zal dat een schrikbarend hoog percentage moeten zijn.

 niet per se reden om ons als Nederlanders op de borst te kloppen

Toch is het belangrijk om al deze cijfers in perspectief te zien. Internationaal gezien doet Nederland het namelijk relatief goed. Uit een publicatie van het CBS en SCP uit 2008 blijkt dat Nederland samen met Tsjechië in 2006 het laagste percentage armen had van alle landen in de EU. Wel werd in dat geval het Europese armoedebegrip gehanteerd wat een sterk relatief karakter heeft. Het wordt gedefinieerd als 60 procent van het middelste inkomen in het specifieke land, dat wil zeggen het inkomen dat lager ligt dan het inkomen van de ene helft van de huishoudens maar hoger dan het inkomen van de andere helft van de huishoudens. Een dergelijke vergelijking met andere landen is los daarvan niet per sé reden om ons als Nederlanders op de borst te kloppen. De groep armen in Nederland is nog steeds groot en is de afgelopen jaren nauwelijks afgenomen. Tussen 2000 en 2009 daalde het aantal armen op grond van het ‘niet-veel-maar-toereikendbudget’ slechts licht, van 7,0 naar 6,2  procent. Bekijkt men de armoedecijfers vanaf de jaren ’80, dan ontstaat een soortgelijk beeld, het armoedecijfer schommelt sinds toen rond de 6 procent.

Ondanks economische groei lijkt het er dus op dat structureel een deel van de Nederlanders arm blijft. In het boek ‘Niemandsland’ en de film ‘De Onrendabelen’ geeft Marcel van Dam aan die groep mensen een naam: hij noemt ze ‘de onrendabelen’. Onrendabelen zijn mensen die niet kunnen voldoen aan de eisen van die de huidige economie. Ze zijn onrendabel, omdat ze meer kosten dan dat ze in economische termen kunnen opleveren. Van Dam stelt dat ons denken in de maatschappij en politiek sinds de jaren tachtig teveel geleid is door het neoliberalistisch gedachtegoed waarbij sterke nadruk is gelegd op de zelfredzaamheid van de burger en het streven naar economische groei. Die ontwikkeling ging gepaard met een versobering van sociale voorzieningen. Het gevolg daarvan is wellicht een grote economische groei (hoewel door Van Dam ook wordt betwijfeld of dat echt te danken is aan dit neoliberale beleid) waarvan veel mensen hebben geprofiteerd, maar tevens een verslechtering van de situatie van mensen aan de onderkant van de samenleving en de onrendabelen in het bijzonder.  Volgens Van Dam ontkennen we aan deze groep mensen door de afbouw van sociale voorzieningen in toenemende mate het recht op een menswaardig bestaan. Die groep onrendabelen is in het politieke debat bovendien nauwelijks vertegenwoordigd.

Van Dam relateert armoede daarnaast aan het punt van de inkomensongelijkheid. Voor Van Dam is armoede dan ook hoofdzakelijk een relatief begrip: arm ben je als je in vergelijking met anderen in de samenleving waarin je leeft, heel weinig hebt. Hij haakt daarom aan bij het Europese armoedebegrip en geeft aan dat de armoede op basis van dat criterium sinds de jaren ’80 van 4 procent naar bijna 11 procent in 2006 is gestegen. Ook geeft hij aan dat de koopkrachtontwikkeling van de minima er sinds de jaren ’80 op is achteruit gegaan, terwijl de hoogste 10 procent inkomens sterk steeg. Zo brengt de kwestie van armoede in Nederland ons op de kwestie van een schijnbaar toegenomen inkomensongelijkheid en de vraag of we die inkomensongelijkheid ook als een probleem moeten zien.

Mijns inziens is het verstandiger om de armoedeproblematiek en de vraag naar de aanvaardbaarheid van grote inkomensongelijkheid in eerste instantie los van elkaar te zien. Als we de absolute armoedegrens zien als de grens waaronder mensen niet meer de middelen hebben om een fatsoenlijk bestaan te leven, dan denk ik dat de meeste mensen het erover eens zijn dat we zoveel mogelijk zullen moeten vermijden dat mensen onder die grens vallen. Als we er dan vanuit gaan dat het ‘niet-veel-maar-toereikendbudget’ als die absolute armoedegrens geldt, dan hebben we in Nederland nog steeds een probleem, omdat er bijna een miljoen mensen onder die grens vallen. In internationaal perspectief kunnen we het dan nog zo goed doen, voor de individuen die in Nederland onder die armoedegrens leven maakt dat niets uit.

Het punt van de inkomensongelijkheid is naar mijn mening van een minder basale orde, omdat de kwaliteit van leven van het individu niet per sé wordt bepaald door hoeveel hij heeft in vergelijking met anderen. Toch moeten we de vraag stellen in hoeverre een hoge inkomensongelijkheid rechtvaardig is en hier acht ik de visie van de politiek filosoof John Rawls nog steeds van grote waarde. Zijn idee is grofweg dat als we uitgaan van een begintoestand waarin mensen vrij en gelijk zijn, eventuele ongelijkheden in materiële welvaart die daarna ontstaan uiteindelijk ook ten goede zullen moeten komen aan diegenen die het slechts af zijn. Volgens Rawls zouden we de basisstructuur van de samenleving dan ook zo moeten inrichten dat inkomensongelijkheid uiteindelijk ook ten goede komt aan diegenen die het minste hebben. Zo bezien lijkt de oplossing van Rawls wellicht radicaal, omdat het weinig waarde lijkt te hechten aan eigen verdienste. Het aantrekkelijke aan zijn visie is echter dat deze ervan uitgaat dat toevallige omstandigheden die je in principe niet hebt verdiend, zoals het hebben van een hoge intelligentie of de sociale positie van je ouders, je  evenmin per definitie recht geven op een hogere materiële welvaart. Als het klopt dat in Nederland de inkomensongelijkheid groter wordt, maar dat de mensen aan de onderkant daar structureel niet of nauwelijks voordeel van hebben, dan hebben we dus reden om te twijfelen aan de rechtvaardigheid van ons systeem.

Wellicht dat een 100ste  verjaardag er dan ook nog in zit.

Los van dit rechtvaardigheidsperspectief lijkt het bovendien ook in ieders eigenbelang om een grote materiële ongelijkheid te vermijden. Dat is althans de conclusie van de Engelse hoogleraren Wilkinson en Pickett in het boek ‘The Spirit Level’ en hun stelling is in Engeland inmiddels over het gehele politieke spectrum onderschreven. Aan de hand van een groot aantal onderzoeken proberen zij statistisch aan te tonen dat welvarende landen met een meer gelijke inkomensverdeling het op een groot aantal vlakken beter doen dan welvarende landen met een minder gelijke inkomensverdeling. Zo geven ze aan dat meer gelijke samenlevingen veiliger zijn, meer gelijke kansen bieden en de mensen er gezonder zijn. Die voordelen gelden bovendien vaak voor mensen in alle lagen van de bevolking.

Het onderzoek van Wilkinson en Pickett is zeker niet onomstreden, maar hun onderzoek en ook de armoedeproblematiek noodzaken ons wel om de vraag te stellen wat de kwaliteit van onze economische groei van de afgelopen decennia eigenlijk is. En ook moeten we ons afvragen waarom die vraag eigenlijk zo weinig gesteld wordt. Daarmee roept de discussie over armoede ook vooral de vraag op of onze democratie nog wel functioneert op de manier dat wij zouden willen. Niet alleen is er in de politiek zeer weinig aandacht voor het probleem van armoede en is de groep armen in het politieke debat slecht vertegenwoordigd, vooral lijkt het politieke domein zo zeer bepaald door het economisch denken dat de vraag wat voor samenleving we eigenlijk willen nauwelijks nog gesteld wordt. En daarmee vergeten we dat de economie er uiteindelijk voor ons is en niet andersom.

Heeft de sociaal-democratie in Nederland haar missie dan voltooid? Nee, want gezien de armoedecijfers in Nederland en de schijnbare gevolgen van toenemende inkomensongelijkheid, lijken oude sociaal-democratische thema’s en idealen onverminderd actueel. Daarmee is echter niet alles gezegd, want een probleem vraagt naast de diagnose ook om een oplossing en een aansprekend verhaal. Het lijkt erop dat de PvdA  juist in dat opzicht in steeds mindere mate in staat is om een overtuigend alternatief te formuleren waarin de oorspronkelijke idealen voldoende duidelijk naar voren komen. Wil de PvdA ook voor de toekomst zijn bestaansrecht rechtvaardigen, dan zal het een realistische toekomstvisie moeten ontvouwen waarin de oorspronkelijke idealen op heldere wijze naar voren komen. Wellicht dat een 100ste  verjaardag er dan ook nog in zit.

Meer lezen

http://www.equalitytrust.org.uk/

John Rawls, A Theory of Justice (Revised Edition), Oxford: Oxford University Press 1999

Marcel van Dam, Niemandsland, Biografie van een ideaal, Amsterdam: De Bezige Bij 2009.

Richard Wilkinson en Kate Pickett, The Spirit Level, Why Equality is Better for Everyone, Londen: Penguin Books 2010.

Gerelateerde artikelen
Reacties
3 Reacties
  • Mooi stuk!

    Wel denk ik dat de 'is er nog armoede?' versmalling van het mogelijke bestaansrecht van de PvdA, die partij onrecht aandoet. Ik denk bij het bestaansrecht van de PvdA ook aan toegankelijk onderwijs, goede betaalbare zorg, progressief Europees beleid en internationale solidariteit.

    Zeker die laatste twee punten zijn de laatste jaren steeds minder onomstreden.

  • Nik de Boer,

    Dat lijkt me een terechte opmerking en ik ben het er niet mee oneens dat de missie van de PvdA breder kan/moet worden gezien. Ik denk dat ik in het stuk misschien te veel de suggestie heb gewekt dat de missie van de PvdA op de genoemde smalle wijze geïnterpreteerd zou moeten worden. Dat is echter niet mijn bedoeling geweest. Wat ik in de eerste plaats wou laten zien, is dat het idee dat de PvdA haar missie volbracht heeft, berust op een verkeerde veronderstelling. Namelijk, de veronderstelling dat sociaaleconomische achterstand en armoede in Nederland slechts een zeer marginaal probleem is.

  • Goed stuk! Met een mooie aanbeveling als afsluiter!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven