Een heilig moeten: de menselijke worsteling met taal

Taal is voor onze menselijke samenlevingsvorm onontbeerlijk. Het is ons unieke gereedschap om ideeën te ontwikkelen, te formuleren en te communiceren. De verhouding tussen de mens en de taal is echter niet zelden problematisch. Dat onontbeerlijke gereedschap is namelijk ook een hopeloos onvolkomen gereedschap, zo laat het leven en werk van de Oostenrijkse filosoof Ludwig Wittgenstein (1889 – 1951) zien.

Het is echter ook het leven en werk van Wittgenstein dat ons laat zien dat we de worsteling met dat gereedschap niet uit de weg kunnen of mogen gaan. Van de meest persoonlijke en existentiële vraagstukken tot de grootste sociaal-maatschappelijke thema’s, de les die we van Wittgenstein kunnen leren is dat we ons een moeizame weg zullen moeten blijven wringen door een prikkelig struikgewas van onbegrip. Wittgensteins worsteling met taal is onze worsteling met taal – of toch in ieder geval de mijne.

Een eerste gevoel van onbegrip was voor mij al direct onvermijdelijk bij het lezen van het eerste hoofdwerk van Wittgenstein – de Tractatus Logico Philosophicus. Dat is zeker geen dikke pil en er staan zo goed als geen formeel logische of wiskundige formules in. Het wordt gekenmerkt door een steriele soberheid en ogenschijnlijke eenvoud. Toch begreep ik er niets van. Wat wilde hij nu in hemelsnaam met dit boek zeggen?

Wittgensteins worsteling met taal is onze worsteling met taal

Zoals Wittgenstein mij na die eerste lezing van de Tractatus in een wanhopig onbegrip achter liet, zo moet hij zich zijn hele leven hebben gevoeld. Niet omdat hij dacht anderen niet te begrijpen, maar toch vooral omdat niemand hém leek te begrijpen. Zijn leven, voor zover wij daar als ‘ander’ enig waarlijk inkijkje in hebben gekregen, moet zich gekenmerkt hebben door die wanhopige geestelijke eenzaamheid. Ik kan zijn werk en leven niet anders zien dan een poging om uit die isoleercel te geraken die hem gevangenhield. Filosofie, zo schreef hij zelf al, is de vlieg de weg uit de fles te wijzen. De geschiedenis van de filosofie had nog geen filosoof voortgebracht die daartoe in staat was, was zijn stelling. Of die er nu wel is, weet ik niet.

Wittgenstein schijnt een onuitstaanbaar persoon geweest te zijn. Als leraar zou hij op een basisschool een jongetje bewusteloos hebben geslagen en geen enkel oog hebben gehad voor leerlingen die geen wiskundig wonder waren. Hij zou niet zelden onbehouwen arrogant over zijn gekomen. Anderen zouden hem niet begrijpen, en ze zouden de moeite misschien niet eens moeten doen om hem proberen te begrijpen – het zou ze toch nooit lukken. Toch schreef hij door.

Met de Tractatus dacht Wittgenstein dat hij alle filosofische problemen opgelost had. Het is typerend dat hij zich later genoodzaakt zag om zich toch weer tot dat vermaledijde instrument van de taal te wenden om te laten zien dat alle problemen van de filosofie misschien toch niet waren opgelost. In de Tractatus schrijft hij dat de grenzen van onze taal de grenzen van onze wereld zijn. Filosofie probeerde iets te zeggen over dat wat voorbij die grenzen lag en daarmee ging het fout. Het zou goed moeten gaan als we maar binnen die grenzen bleven. In de Philosophische Untersuchungen lijkt hij daarvan terug te komen. De taal, zo probeerde hij daar door middel van taal te communiceren, is eigenlijk fundamenteel mank. Taal is ook binnen haar grenzen niet perfect. Dat kan het ook niet zijn. Het is gedoemd fundamentele misverstanden te veroorzaken. De enige manier waarop de ene persoon misschien de taal van de ander kan begrijpen is als beide er zeker van zijn dat ze hetzelfde taalspel spelen en de context op eenzelfde manier interpreteren. Taal, en zeker alledaags taalgebruik, is veel te rommelig en ambigu om ook maar enigszins aan die voorwaarden te voldoen. Alledaags taalgebruik is niet zo steriel als Wittgensteins taalgebruik in de Tractatus.

Taal is ook binnen haar grenzen niet perfect

De Philosophische Untersuchungen is iets toegankelijker en beter leesbaar dan de Tractatus. Wittgenstein zag wellicht in dat die steriele soberheid en ogenschijnlijke eenvoud niet zouden volstaan. Hij schrijft dat een filosofische verhandeling volledig uit grappen zou kunnen bestaan, maar een dergelijke verhandeling zou in het beste geval leedvermaak zijn. Het communiceren met anderen door middel van taal blijft namelijk een pijnlijke worsteling, ook in de Philosophische Untersuchungen. Toch beriep hij zichzelf er weer op. Omdat hij niet anders kon. Zijn biograaf noemde het de duty of a genius, in het Nederlands vertaald als het heilige moeten.

Het schijnt dat Wittgenstein besloot om terug te keren tot de filosofie na het aanhoren van een lezing van de Nederlandse filosoof-wiskundige L.E.J. Brouwer. Met dat in ogenschouw lijkt het niet verwonderlijk dat Brouwer meende dat onfeilbare communicatie via taal niet bestaat. Hij schrijft dat “nooit nog door de taal iemand zijn ziel aan een ander heeft meegedeeld; alleen een verstandhouding, die toch reeds is, kan door de taal worden begeleid”. Voor mij is dat precies het vraagstuk waar het leven en werk van Wittgenstein door gekenmerkt is.

Al mis ik ongetwijfeld het genie, toch voel ik mij ook vaak onbegrepen. En toch moet ik ook constateren dat, ook al voel ik me soms onbegrepen, ook al voel ik me soms niet gehoord, ik me toch niet aan de worsteling kan en mag onttrekken. Alle moeite die ik heb met taal – mijn stotteren, mijn zoeken naar woorden, mijn onvermogen om mijn ideeën helder uiteen te zetten – ik zal me toch moeten beroepen op dat onvolkomen instrument.  Taal is noodzakelijk een worsteling, maar een worsteling die we aan blijven moeten gaan. Een heilig moeten.

In dat wat niet uitgesproken is, lag volgens Wittgenstein de meeste waarde

Ik wilde eerst schrijven dat we ‘juist in deze gepolariseerde tijden’ – anno 2018 – die worsteling aan moeten blijven gaan, tot ik besefte dat Wittgenstein twee wereldoorlogen meegemaakt heeft. Kan een wereldoorlog gereduceerd worden tot een botsend taalspel? Een fundamentele miscommunicatie? Ik weet niet of ik zover zou gaan, al schrijft Allen Ginsberg in Wichita Vortex Sutra wel dat bijna al onze taal belast is door oorlog. Hij schrijft dat mensen proberen een existentiële eenzaamheid te doorbreken door te zoeken naar een taal die niet alleen ‘de mijne’ is, maar ook ‘de jouwe’, omdat het niet alleen ‘mijn eenzaamheid’ is, maar ‘de onze’. Taal lijkt echter juist een onoverkomelijk obstakel te zijn. Toch zullen we ons ertoe moeten wenden, simpelweg omdat we niets beters lijken te hebben. Al schreef Wittgenstein aan zijn uitgever Von Ficker over de Tractatus wel het volgende: “Mijn studie bestaat uit twee delen: uit datgene wat er feitelijk in staat en uit alles wat ik niet geschreven heb. En dat tweede deel is nu juist het belangrijkste.” In dat wat niet uitgesproken is, lag volgens Wittgenstein de meeste waarde. Zoals de befaamde laatste stelling in de Tractatus stelt: “Van dat, waarover niet kan worden gesproken, moet men zwijgen.”

Wittgensteins stelling ontslaat ons mijns inziens echter niet van de plicht om ons toch tot die taal te blijven wenden. Niet alleen als een verwoede poging om uit een persoonlijke existentiële eenzaamheid te geraken, maar juist ook om in deze gepolariseerde tijden ons te blijven proberen verhouden tot ‘de ander’. Zouden we werkelijk zwijgen, dan sterft in stilte de democratie.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven