Herdenken herdacht

Een jaar geleden kondigde Christa Noëlla aan niet te gaan herdenken op 4 mei met de hashtag #geen4meivoormij. Noëlla wilde niet langer herdenken omdat ze het hypocriet vond in het licht van moslimhaat, het aanhoudende geweld in Syrië en het opkomende fascisme, en ze vond dat niet alleen de witte geschiedenis herdacht moest worden. Noëlla’s boodschap deed aardig wat stof (lees: haat) opwaaien. Dit jaar veroorzaakte de ‘Herdenking met We Gaan Ze Halen’ veel ophef. Het initiatief van Rikko Voorberg van de gelijknamige organisatie We Gaan Ze Halen had als doel om Syrische vluchtelingen die aan de Europese grenzen gestorven zijn op te nemen in een herdenking op het Rembrandtplein.

Zowel de twitteractie als de herdenking willen de ruimte voor de Dodenherdenking, de twee minuten stilte, openstellen voor andere herinneringen. Beide tonen een bepaalde competitie tussen herinneringen die wel en herinneringen die niet geformaliseerd zijn middels een herdenking. Nog los van onze mening over deze initiatieven, moeten we ons afvragen wat de gepoogde inmenging van verschillende herinneringen binnen de herdenking op 4 mei betekent.

In dit verband is het zinnig om Aleida Assmann aan te halen. Assmann is een van de pioniers van cultural memory studies, het academische veld rondom herinneringen en het collectieve geheugen. Volgens Assmann moeten we, voordat we het over het geheugen en herinneringen hebben, eerst over vergeten praten. Om sommige dingen te kunnen onthouden moeten we andere dingen vergeten: ‘’ons geheugen is zeer selectief,’’ stelt ze in Canon and Archive (2008). Assmann beschrijft dat vergeten een natuurlijk en automatisch proces is en dat herinneren het tegendeel is. Herinneringen vormen een verzet tegen het natuurlijke proces van vergeten en hangen daarom af van de gedane moeite en een wil om iets te herinneren, zo licht Assmann haar gedachtegang toe in de lezing Forms of Forgetting (2014).

Voordat we het over herinneringen hebben, moeten we eerst over vergeten praten

Vergeten en herinneren zijn twee processen die samengaan; kunnen herinneren is afhankelijk van vergeten. Assmann kent geen waardeoordeel toe aan een van de twee. De betekenis en waarde van herdenken en vergeten hangt af van sociale en culturele kaders. Die bepalen wat de moeite van het herinneren waard is, en wat vergeten kan worden.

Assmann herinnert ons eraan dat herinneringen geen opzichzelfstaande zaken zijn, ze staan onderling in een spanningsveld. In dit veld is slechts beperkte ruimte en hoe meer ruimte een bepaalde herinnering inneemt, hoe minder ruimte er overblijft voor andere herinneringen. Het is begrijpelijk dat Voorberg en Noëlla andere gebeurtenissen aankaarten om te herdenken in de twee minuten van 4 mei. Zij brengen andere gebeurtenissen niet ter sprake als vervanging, maar als kritische vraag. Hoe veel ruimte bieden we welke gebeurtenis, en wat verwordt wel, en wat verwordt niet tot herinnering? Binnen de Nederlandse herdenkingscultuur overheerst 4 mei als de herdenkingsdag. Onze nationale herdenkingscultuur kent ook andere herdenkingen, maar geen enkele herdenking is zo uitgebreid georganiseerd en drukbezocht als 4 mei.

Voorberg en Noëlla proberen deze ‘hegemonie’ van 4 mei te doorbreken, niet omdat zij de herdachte gebeurtenis minder belangrijk vinden of hier respectloos mee omspringen, maar omdat zij de Nederlandse collectieve herinneringsruimte, die, zoals Assmann benadrukt, maar beperkt is, open willen stellen voor andere herinneringen.

Hun strategie is sterk, omdat ze door deze herinneringen aan te kaarten op 4 mei, het overwicht van 4 mei blootleggen. Tegelijkertijd wordt dit overwicht niet doorbroken door 4 mei uit te breiden met meerdere herinneringen. Het overwicht van 4 mei wordt hierdoor namelijk alleen maar benadrukt: er is nog meer aandacht voor 4 mei door de ophef die gecreëerd wordt, en mocht de ophef tot iets constructiefs leiden, dan gaat meer aandacht naar 4 mei omdat er meer herinneringen herdacht worden op 4 mei. Is dit wat Voorberg en Noëlla willen bereiken?

Voorberg en Noëlla pleiten voor een egalitaire herdenking, zij willen het herinneringsveld uitbreiden door meer herinneringen te herdenken. Maar dit gebeurt niet: slechts de herdenking wordt uitgebreid, het herinneringsveld vernauwt. Een uitbreiding van het herinneringsveld betekent dat er meer aandacht uitgaat naar verschillende herinneringen. Maar het is onmogelijk om binnen twee minuten meerdere gebeurtenissen te herdenken. Zoals Assmann ons bewust maakt: herinneren vergt moeite en inspanning, en dus kost herinneren tijd. Nog voordat we ons de verschillende gebeurtenissen goed herinnerd hebben, zijn de twee minuten al om. Er blijft dan geen tijd over om te herdenken. Kortom, de strategie die Voorberg en Noëlla kiezen is ineffectief omdat specifiek en grondig herinneren bemoeilijkt wordt, en de mogelijkheid om te herdenken daardoor verloren gaat.

Herinneren vergt moeite en inspanning, en dus kost herinneren tijd

Als we meer herinneringen willen herdenken, kunnen we ook meerdere herdenkingen hebben. Deze herdenkingen bestaan al. Zo is er de Internationale Dag van de Vluchteling (20 juni) en de Nationale Herdenking van de afschaffing van de slavernij (1 juli). Het overwicht van 4 mei kunnen we beter verminderen door de andere herdenkingen meer (media)aandacht te geven. Volgens Assmann’s principe van de beperkte herinneringsruimte wordt de aandacht onder herdenkingen dan vanzelf beter verdeeld. Op die manier verbreedt het herinneringsveld zich zonder dat de specificiteit van de herinnering en de mogelijkheid om te herdenken bedreigd worden. Sterker nog: de specificiteit van de herinnering wordt juist verbeterd, omdat de media-aandacht inhoudelijk van aard kan zijn en kan leiden tot gesprekken en discussies.

Terugkomend op de betekenis van de gepoogde inmenging van verschillende herinneringen op 4 mei: deze initiatieven laten zien dat er binnen de collectieve herdenkingsruimte een overwicht van 4 mei heerst waardoor andere herinneringen (te) weinig ruimte krijgen. Toch is de gekozen strategie om deze onvrede aan de kaak te stellen en te verhelpen niet productief. Laten we daarom andere herdenkingen uitgebreider en nadrukkelijker herdenken; allereerst door er zelf meer aandacht aan te besteden, en door hier (inhoudelijke) media aandacht voor te vragen. Zet 20 juni en 1 juli alvast in je agenda.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven