Flickr / Bert Kauffman

Herover de universiteit!

Op maandag 3 september publiceerde NRC Handelsblad dit manifest van het InnovatieLab. In het InnovatieLab zijn studenten, docenten en opb’ers van de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit Utrecht bij elkaar gekomen om over de inrichting van universitair onderzoek en onderwijs te discussiëren. Dit werd geschreven door Guus Dix, Pim Klaassen, Bald de Vries, Eva Overman, Merlin Majoor, Gerben Moerman, Jacqueline de Vent Escalante, Matthias Cabri en Hanneke Verlijsdonk.

Aan aandacht van buiten heeft de universiteit geen gebrek. Maar wanneer het in Den Haag en in de krant over de universiteit gaat, dan gaat het vooral over fraudegevallen, over de verschraling van het studiebeurzenstelsel, de Topsectoren en de zesjescultuur, de langstudeerboete en het economisch belang van de universiteit. Naast sensatiezucht domineert nutsdenken de discussie over de toekomst van de universiteit; "competitie" is zo ongeveer het sleutelwoord. Het weerwoord vanuit de universiteit is gering. Als we de hopeloos romantische pleidooien voor een heropleving van een verleden dat nooit bestaan heeft buiten beschouwing laten, blijft het zelfs oorverdovend stil.

Met de opening van het academisch jaar is het tijd dat de discussie over de inrichting van het universitaire onderzoek en onderwijs weer in de handen komt van degenen bij wie deze thuis hoort: de universitaire gemeenschap. Studenten, docenten, ondersteuners en bestuurders zouden zich tezamen actiever moeten mengen in het debat over de waarden die ten grondslag liggen aan hun studie- of werkplek en het beleid dat deze het best uitdraagt.

Zo kun je je de universiteit niet voorstellen zonder openheid van geest, getrainde en georganiseerde twijfel, flexibiliteit, samenwerking en creativiteit. Waarden die thuis horen in zowel wetenschappelijk onderzoek als onderwijs

Het is aan ons om het debat over de inrichting van het universitaire bestel naar ons toe te trekken.

De dynamiek van wetenschappelijk onderzoek is het meest gebaat bij een vrijplaats waar onderzoekers kunnen experimenteren, fouten mogen maken, daarvan kunnen leren en opnieuw mogen beginnen.

Iets soortgelijks geldt ook voor wetenschappelijk onderwijs. Uiteraard is parate kennis het fundament onder elke studie: de concepten en theorieën waarvan iedere studie gebruik maakt, behoren onderdeel te zijn van de intellectuele gereedschapskist van studenten. Maar kennis alleen is onvoldoende. Ook het inzicht dat onze kennis altijd betwijfeld kan worden is cruciaal; en dat deze kritische reflectie weer bijdraagt aan de ontwikkeling van nieuwe inzichten. Een goede student heeft daarom een open en onderzoekende houding en is er van overtuigd dat precies die houding buiten de universiteit breed inzetbaar is – of het nu gaat om ondernemen, politiek bedrijven, leiding geven of een andere maatschappelijke rol.

De universiteit is een plek waar onderwijs en onderzoek samenkomen. Helaas worden beiden nog te vaak beschouwd als twee onafhankelijke grootheden. Hierbij lijkt de buitenwereld het onderwijs voorop te stellen, terwijl binnen de universiteit het onderzoek de prioriteit krijgt. Soms realiseren we ons onvoldoende dat het academische project juist in de synergie tussen onderwijs en onderzoek ligt.

Op basis hiervan kan de universiteit zichzelf blijven vernieuwen en levert zij niet zomaar afgestudeerden af, maar academisch gevormde burgers die tal van onderscheidende deugden meenemen in hun verdere werk en leven. Dit project staat echter onder druk.

Zo is onderzoek niet langer gevrijwaard van de eis dat kennis onmiddellijk toepasbaar moet zijn. Dit komt bijvoorbeeld door de plek die het NWO, Neerlands grootste fondsenverstrekker, toebedeelt aan "valorisatie". Zeker met het oog op de eis dat een deel van het onderzoeksbudget afkomstig is uit het bedrijfsleven, lijken de beoordelingscriteria van onderzoeksaanvragen steeds meer te worden ingegeven door onmiddellijk economisch en maatschappelijk nut. Voor (jonge) onderzoekers met eigen onderzoeksvragen wordt de speelruimte alsmaar kleiner.

Soms realiseren we ons onvoldoende dat het academische project juist in de synergie tussen onderwijs en onderzoek ligt.

Kijken we naar het academisch onderwijs, dan zien we dat de universiteit steeds meer gezien wordt als een leerfabriek waar plofstudenten worden volgestouwd met voorverpakte kennis. De invoering van de langstudeerboete, het uitkleden van de studiebeurs, de eigen bekostiging van de masteropleiding en het opheffen van zogenaamde niet-rendabele opleidingen – al deze maatregelen lijken te zijn gebaseerd op de gedachte dat studenten zo snel mogelijk en voor eigen rekening de universiteit dienen te verlaten.

En al springt het wellicht minder in het oog, ook de wisselwerking tussen onderwijs en onderzoek is in het geding, met als risico dat beiden uit elkaar gaan lopen. Enerzijds zien we dat ‘excellente onderzoekers’ via beurzen geld binnenhalen waarmee ze hun onderwijstijd ‘afkopen’, anderzijds worden academici aangesteld als ‘lecturer’, met vrijwel uitsluitend onderwijs in hun takenpakket. Zo’n tweedeling mag op het eerste gezicht efficiënt lijken in termen van onderwijs- en onderzoeksoutput, maar kan funest blijken voor de relatie die kennisontwikkeling en kennisoverdracht met elkaar hebben binnen de muren van de universiteit.

Het is aan ons, als leden van de academische gemeenschap, om het debat over de inrichting van het universitaire bestel naar ons toe te trekken. Met de opening van het academisch jaar openen we bij deze daarom ook de discussie over de institutionele rol van de universiteit in de samenleving en de organisatorische en personele invulling die daar het best bij past. Een debat waarin allereerst de universitaire waarden weer de rol moeten gaan spelen die nu vaak gegund is aan bedrijfseconomische en politiek opportune overwegingen.

Gerelateerde artikelen
Reacties
3 Reacties
  • Sicco de Knecht,

    Geen speld tussen te krijgen, werkelijk waar. Wat ik in het het stuk een beetje, en in de academische gemeenschap heel erg, mis is simpelweg dat men zich niet kwaad genoeg maakt over de situatie. Het is deprimerend om te moeten constateren dat het eenlijnige efficiencydenken de slag om de universiteit aan het winnen is. Het gaat niet meer om onderwijskwaliteit maar om docenturen die gedraaid moeten worden met een zo financieel gunstig mogelijke student/docent verhouding.

    "De universiteit is een plek waar onderwijs en onderzoek samenkomen. Helaas worden beiden nog te vaak beschouwd als twee onafhankelijke grootheden." Stellen de schrijvers van dit stuk. Hetgeen doet vermoeden dat deze grootheden zich in de richting van een fusie bewegen. Was het maar waar, de zin zou moeten zijn: 'Helaas worden beiden STEEDS VAKER beschouwd als twee onafhankelijke grootheden.'

    Opeenvolgende bestuurders hebben zich gevormd naar het scheidingsdenken van de overheid en hebben zogenaamde 'schotten in de financiering' geplaatst. Deze splitsing in geldstromen en het bijbehorende doelmatigheidsdenken negeren de symbiose van onderwijs en onderzoek en maken onmogelijk wat noodzakelijk is: de academie als levend, vormend en hernieuwend zien.

    De academie moet per definitie duurzaam zijn en hernieuwend denken. Een student is geen eindproduct maar een startproduct en alleen wanneer onderwijs en onderzoek vanzelfsprekend samengaan kan er van succes en efficiency gesproken worden. Wellicht is het een goed begin om bestuurders in het hoger onderwijs te zoeken in de academische pool, in plaats van bij de prominenten van politieke partijen of uit het bedrijfsleven.

  • Gertjan Scholten,

    Zoals Sicco al zegt, geen speld tussen te krijgen, heel sterk! Vergelijk het maar met de grote broer USA, daar zijn onderwijs en onderzoek wel sterk verbonden, terwijl hier iedereen bezig is om als boekhouder de zaken te regelen.

    Kwaliteit is gewoon niet belangrijk genoeg, op die manier ondergraaf je je eigen toekomstperspectief. De term plofstudent past hier perfect in!

  • Arjan Miedema,

    Ik probeer er een speld tussen te krijgen.

    Dit artikel houdt te weinig rekening met het feit dat het hoger onderwijs een massaproduct IS, geworden. Daar zul je dus in beleid rekening met moeten houden. Als bijna 50 procent van de jongeren nu hoger onderwijs volgt, in plaats van 10 procent in de jaren 60 (fact check: http://www.trendsinbeeld.minocw.nl/grafieken/3_1_1_3.php) zul je wat moeten doen aan de financiering en organisatie, iedereen die dit ontkent steekt zijn kop in het zand. Of uitspreken dat hoger onderwijs weer een elitair goed moet zijn, voor 100% door de overheid gefinancierd.

    Ik startte 6 jaar geleden met 150 anderen een bachelor opleiding, een massastudie met veel hoorcollege en verminderd practicum, deed vervolgens een kleine (20 anderen) gespecialiseerde master en stroom nu hopelijk in een nog kleiner gezelschap door naar een PhD. De aantallen in bovenstaand voorbeeld hebben invloed op de organisatie van deze onderwijsprogramma´s. 50% van de jongeren onderwijs bieden op de manier van de jaren 60 is een utopie.

    Dan nog een tweede punt over geldstromen. Aan mijn faculteit is onlangs besloten om het geld wat voor onderwijs bestemd is niet langer aan onderzoekers te geven, die vervolgens onderwijs organiseren, maar om dit om te draaien. Een goede ontwikkeling die opleidingen in staat stelt hun opleiding kwalitatief goed te organiseren en onderzoekers bewust maakt van hun plicht om ook onderwijs te geven, daar ze anders een deel van hun inkomsten mis lopen.

    Natuurlijk, roepen dat de vinger aan de pols gehouden moet worden, debat moet worden gevoerd en zo min mogelijk grijze pakken het Maagdenhuis zouden moeten bevolken is goed, maar hou de realiteit in beeld.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven