Het fragment van de parel en het zwijn

‘Ik wil wel een sigaret, maar alleen als er lucifers zijn’

‘Die zijn er niet!’

Veel was er niet aan te doen. Er waren wel aanstekers voorhanden. Ik ben een man van mijn principes of mijn woord. Het hangt er vanaf. Soms zeggen mijn principes ‘kies voor A’, maar dan heb ik al B gezegd. Op zulke moment ben ik pragmatisch. Praten betekent sporen nalaten, principes hebben niet. Je moet dan wel zo slim zijn je mond erover te houden. Ik praat toch niet graag.

Het park was vol. Ik kwam er niet vaak en iedereen sprak over iets belangrijks. Naarmate de avond vorderde werden steeds meer zaken belangrijk, zo ook het toegepaste vocabulaire. Menig verhaal meanderde door de zwoele avond lucht. De adem die leven gaf aan de woorden was meer en meer doordrenkt van druifachtige geuren. Ineens was mij duidelijk waarom de Engelsen spreken van ‘spirits’. Stuk gelopen liefdes waren aan het eind van de avond niet meer dan het relaas van een ontvangen kennisgeving. Zo konden de grootste onbekenden elkaar ook nog eens wat vertellen. Ze hadden alle boeken gelezen, muziek gehoord en gerechten gegeten.

‘Hoe heet je?’

'Parel. Nee, dat heeft niets met de oesters van mijn moeder te maken.’

Ik had daar niet eens aan gedacht. En wist ook niet of ik het grappig vond. Eigenlijk wel natuurlijk, maar het was een plompe dikzak.

‘Hoezo oesters?’

‘Nou, parels, oesters. Weet je wel?’

‘O ja, zo.’

Het was een avond in het park. Wat kon mij het donderen met welke associaties van anderen zij door de jaren heen om de oren was geslagen. Je kunt het bij mij spelen: het zal wel zelfverdediging zijn geweest. Ik kreeg plots zin haar te beledigen.

‘Nu je het zegt. Je lijkt wel een beetje op een oester.’

‘Dank je’, zei ze terwijl ze bloosde.

Jezus, dit was er een van het ergste soort. Elke poging om er vanaf te komen, werkte als honing op een bij. De bomen om mij heen begonnen te ruisen van gêne. Dat dacht ik althans. Bomen ruisen doorgaans niet om emotionele redenen, ze hebben een hart van steen wat dat betreft.

‘Ik bedoelde dat ik je lelijk vind.’

‘Dank je. Je bent nog best grappig. Toen ik je net voor het eerst zag keek je een beetje zuur, maar dat ben je helemaal niet’, zei ze wederom blozend.

‘Ik bedoelde het ook zeker niet zuur. Het was meer een constatering.’

De zaken liepen goed, zoveel kon ik nu toch wel zeggen. Het was winst ten gevolge van niet gedane investeringen. Zo krijgen gelauwerde zakenmannen het maar zelden op een zilveren schaaltje. En ik had niet eens een das, kun je nagaan. Ik vind dassen wel mooi, dus volgende keer met das.  Ik keek om mij heen. Er was überhaupt niemand met een das te bekennen. Ik had het dus echt helemaal zelf gedaan.

‘Zullen we eens kijken of er verderop nog lucifers zijn?’, vroeg ze. Ze had kennelijk gehoord dat ik alleen sigaretten met lucifers rookte.

‘Nee. Soms is de aanwezigheid van aanstekers voor mij genoeg om niet te willen roken’, antwoordde ik op fluistertoon. Dat klonk wat onheilspellender. Onder dreiging van het onheil worden de meeste mensen inventief. Het kon geen kwaad Parel een beetje op de goede weg te helpen. Het kon natuurlijk zo niet door blijven gaan met die oesters.

‘Zullen we dan toch gaan kijken?’, probeerde ze nog eens.

'Is goed.’

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven