Flickr / Alexei & Verne Stakhanov

Het lyrisch delirium: drankromans

Under the VolcanoMalcolm Lowry1947
Moskou op sterk waterVenedikt Jerofejev1969
Advocaat van de hanenA. F. Th. van der Heijden1991

Alcohol is een van de oudste motieven in de westerse literatuur. Alcibiades’ dronken monoloog uit Plato’s Symposium, Jezus Christus’ befaamde partytrick of de illegaal gestookte drank in The Great Gatsby: de rol die de verslavende vloeistof speelt is allesbehalve marginaal. In enkele moderne werken uit allerlei taalgebieden staat alcohol zelfs centraal: in ‘de drankroman’ gaat de protagonist een destructieve haat-liefdeverhouding aan met de drank, wat op prachtige wijze tragische inzichten levert in het menselijk bestaan.

Een van de  beruchtste voorbeelden van een drankroman is Under the Volcano van Malcolm Lowry. De auteur die bekendstond om zijn twee grote passies, literatuur en drank, neemt de lezer in het semi-autobiografische werk mee in het leven van consul Geoffrey Firmin, die leeft in het Mexicaanse plaatsje Quauhnahuac, gelegen onder de vulkanen Popocatepetl en Iztaccihuatl. De aanleiding voor Firmins drankzucht kan niet alledaagser zijn: hij is verlaten door zijn vrouw Yvonne. Daarom besloot hij zich op de Dag der Doden, twee november, naar de verdoemenis te drinken. Yvonne keert deze dag echter terug en doet een poging Firmin én hun huwelijk te redden van de onvermijdelijke alcoholistendood.

Firmin besluit zich op de Dag der Doden naar de verdoemenis te drinken

In deze omineuze setting volgt het boek afwisselend het perspectief van Firmin en Yvonne. Vooral de gedachtegang van de consul is niet alleen naargeestig en beklemmend, maar ook onomstotelijk lyrisch van aard. In ogenschijnlijk onsamenhangende woorden verweeft Firmin literatuur en bespiegelingen op zijn dronkenschap, de liefde en de mensheid met rijk taalgebruik, klankspel, metaforen, associatieve opsommingen en symboliek. Te midden van de armoedige Mexicaanse dorpelingen, grauwe cafétaria’s en een oneindige stroom van mezcal ziet Geoffrey tijdens momenten van helderheid de verbijsterende schoonheid van de wereld om zich heen in, om vervolgens terug te vallen in zijn roes of een benevelde bewusteloosheid.

Yvonne koestert ijdele hoop op Firmins ommekeer tot een gezonde levensstijl en op een gezamenlijke toekomst voor hen tweeën. Tegelijkertijd ziet zij Firmin zich van fles naar fles bewegen en raakt hem tot haar wanhoop tegen de afloop van het verhaal kwijt. Haar zoektocht eindigt in haar eigen dood, overlopen door een paard dat het gehele verhaal door opduikt. Het fatalisme dat Firmin omarmt en waartegen Yvonne zich juist verzet, blijkt hun beider einde.

De extase van de alcoholist in zijn tropisch vagevuur wordt gevoed door de romantische inborst van de hoofdpersoon. Firmin voelt in de eerste plaats geen haat die hij wil verdrinken, maar liefde. Zijn liefde voor Yvonne is onbeschrijflijk diep, verzengend. Firmin maakt haar in zijn waanvoorstellingen van de zorgzame moederfiguur die zij was tot een onbereikbare Beatrice. Hij vervreemdt haar zo van hemzelf, dat hij, zelfs als zij hem smeekt om zijn zelfdestructieve queeste te stoppen, niets anders kan of wíl doen dan zich in de afgrond van het alcoholisme te werpen. De drank brengt hem van lucide hoogten tot pathetische diepten, maar hij lééft op deze Dag van de Doden: “The will of man is unconquerable. Even God cannot conquer it.”

Tijdens zijn dronken treinreis spreekt Venitsjka met medepassagiers, denkbeeldige engelenkoren en met zichzelf

De liefde voor een onbereikbare vrouw is een belangrijk terugkerend motief in de drankroman. In zowel Moskou op Sterk Water van Venedikt Jerofejev als Advocaat van de Hanen van A. F. Th. van der Heijden daalt de lezer steeds dieper af in de psyche van de hoofdpersonages, waar een strijd tussen de liefde voor een vrouw en de drankzucht woedt. In Jerofejev’s novelle is de hoofdpersoon, dakloze Venitsjka, op weg naar zijn liefje in Petoesjki, een dorp een paar honderd kilometer ten oosten van Moskou. Onderweg spreekt hij met treinpassagiers, denkbeeldige engelenkoren en met zichzelf. Die hemelse gesprekspartners lijken een uitvloeisel van de verwrongen, alcoholische geest van Ventisjka, maar ze representeren meer in het verhaal. Zij bieden hem troost en geweten, formuleren als zijn bovennatuurlijke tegenhanger reflectie op zijn toestand. Hij kan zich door deze engelenkoren loszingen van de aardse situatie in zijn trein. Er bestaat, juist op de weg naar een onvermijdelijke ondergang, hoop.

Venitsjka stapt in het kille Moskou ‘s ochtends op de trein, voortgedreven door liters wodka, bier en cocktails – huisgebrouwen van eau de cologne, shampoos en verfverdunners. Onderweg discussieert hij over zijn fascinatie voor het drankgedrag van zijn collega’s bij zijn laatste baan, literatuur van Tsjechov en Poesjkin, alcohol en de Russische geest, en over zijn favoriete onderwerp: zijn grote liefde, een oudere prostituee, die op hem wacht aan het einde van de rit. Helaas zal Venitsjka, zoals blijkt uit het laatste gesprek met de engelen en de daaropvolgende angstdroom, zijn grote liefde nooit bereiken. Eer hij haar zal zien is hij dood.

Is de geliefde uit Jerofejev’s werk een verlopen hoer, in Van der Heijden’s vierde deel uit de Tandeloze Tijd-trilogie is het de zorgzame echtgenote Zwanet. De hoofdpersoon, advocaat en geheelonthouder Ernst Quispel, geeft éénmaal per jaar toe aan een onstuitbare drang naar drank. In zijn eigen woorden probeert hij ‘zijn blasé leven te ontvluchten’. Uitbundigheid slaat dan de klok. Tijdens een aantal weken van continu drinken van de duurste soorten wodka in allerlei cafés, omschrijft Quispel zijn toestand met het predicaat ‘dip’: hij voelt zich licht, vrolijk en open. Hij voelt zich zweven over de hoofden van de mensen, met wie hij praat, lacht en flirt.

Quispel vreest de gemakzucht van een makkelijk en gewoon huwelijk

Hoewel hij in deze periodes succes heeft bij de vrouwen, zal hij nooit zijn Zwanet bedriegen: het komt niet één keer tot echte seks. Hier wringt namelijk de schoen voor Quispel. Hij blijft haar trouw, ook al is hij niet echt verliefd, maar snapt ‘deze banale verhouding’ niet. Hoe kan hij, als weldenkend en succesvol mens, nu bij deze vrouw blijven van wie hij niet echt houdt? Quispel vreest de gemakzucht van een makkelijk en gewoon huwelijk.  Maar een paar escapistische ‘dippe’ weken blijken paradoxaal genoeg telkens te volstaan om hem terug te leiden naar zijn Zwanet, die hem liefdevol verzorgt tijdens zijn ontnuchtering.

Gedurende de roman rijst de intensiteit van Quispels interne strijd. Hij vlucht aan het begin van de volgende ‘dip’ naar Schiermonnikoog. Zijn tweede drankperiode in hetzelfde jaar ervaart hij als een slecht voorteken, maar zodra hij wakker wordt op een zandvlakte met een lege fles en zonder enig mens om zich heen, valt hem het besef in: hij is nú hartstochtelijk verliefd op Zwanet. Wanneer zij daarentegen aankomt op Schiermonnikoog en zijn verliefdheid bemerkt, komt zij tot inkeer en zal kort daarop kiezen voor een geliefde van vroeger. Haar liefde bekoelt op het moment dat zijn liefde, doordrenkt van de alcohol, is opgelaaid. Het huwelijk blijkt te zijn gebouwd op tegenstellingen, niet op harmonie – zijn verliefdheid zou het nu écht gemakkelijk en gewoontjes maken. Quispels wanhoop die daarop volgt slaat om in het aanvaarden van zijn drankprobleem. Met trillende handen zet hij aan het einde van het boek een glas jenever aan de mond, het glas dat hem definitief brengt tot continu alcoholisme.

De lyrische hoogten die de hoofdpersonen bereiken door hun hang naar drank, liefde en moederfiguren, gesitueerd in vervreemdende omgevingen, is een terugkerend thema in de drankroman. Maar een banaal romantiseren van verslaving biedt niet de hele verklaring voor het schrijven over de ongezondste gewoonte uit de menselijke geschiedenis. In de vertellingen over alcoholische escapades schuilt een levensles: het is voor de mens onhoudbaar te leven in een banale of blasé wereld. Je verliest je baan, je bent niet verliefd op je vrouw, je grote liefde verlaat je of is onbereikbaar – en dat juist deze gevoelige zaken zo gewoontjes zijn, drijft mensen tot wanhoop.

Drankromans zijn een modern antwoord op de troosteloosheid van het bestaan

Het grijpen naar de fles door de drie karakters lijkt dan in eerste instantie een louter escapistisch middel, maar in het wonderlijke, bijna poëtische proza van Lowry of Jerofejev blijkt er iets anders aan de hand: de protagonisten ontsnappen niet aan zichzelf, zij ontstijgen zichzelf. In hun dronken roes keuren ze de banaliteit van het bestaan niet langer af, maar omarmen deze, zeggen ‘ja’ tegen het leven. Op het pad van de zelfdestructie openen zij hun ogen voor de schoonheid van het menselijk leven, banaliteit en al. Zij ontstijgen in hun delirium de grenzen van schoonheid en afstotelijkheid, haat en liefde, leven en dood.  De paradox die deze ontstijging meebrengt is des te schrijnender. Door de alcohol ontvlamt de liefde als nooit tevoren, maar die alcohol doet het even snel teniet – het brandt liefde en geliefden op.

In dat inzicht schuilt de aantrekkingskracht voor de lezer: het medelijden dat opgewekt wordt voor de ondraaglijke toestand van de karakters gaat gepaard met de diepgegronde angst dat wij ons aan ons gewone bestaan alleen kunnen ontrukken door het van binnen uit kapot te maken. Het subversieve maar louterende effect dat voortkomt uit de onverschrokkenheid waarmee de personages de dood induiken, bepaalt de kracht van deze literatuur. Die loutering ontwricht de lezer en diens gemakkelijke positie, doet hem inzien dat de offers voor écht escapisme levensbedreigend groot zijn. De drankromans zijn, kortom, een modern antwoord op de troosteloosheid van het bestaan. Een zelfdestructief antwoord, maar op de bodem van het glas van de drankzuchtige vinden wij ook iets moois: een aanwijzing naar de schoonheid van het banale leven.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven