Wikimedia Commons

Het ontbreken van geestelijk (mede)lijden bij euthanasie

De Volkskrant berichtte op 14 januari j.l. dat op 14 december 2012 een Belgische tweeling op 45-jarige leeftijd tot euthanasie is overgegaan. Beide mannen waren doof geboren en door een erfelijke aandoening dreigden zij op korte termijn ook volledig blind te worden. Hoewel er geen sprake was van ondraaglijk en uitzichtloos fysiek lijden, was er wel sprake van geestelijk lijden. Het voorval is om meerdere redenen nieuwswaardig. Ten eerste, omdat een tweeling synchroon het leven beëindigde met euthanasie. Ten tweede, omdat van ondraaglijk en uitzichtloos fysiek lijden geen sprake was. Door de nadruk op fysiek leed bij euthanasie komen mensen in bepaalde gevallen niet in aanmerking voor euthanasie. Compassie als grondslag voor euthanasie biedt een alternatief voor de focus op fysieke aandoeningen, waardoor mensen die ondraaglijk geestelijk lijden eerder in aanmerking komen voor euthanasie.

In Nederland wordt het lijden aan een geestelijke aandoening zelden als grond voor euthanasie erkend. Dit geldt zowel op het niveau van de wetgever, als in de persoonlijke relatie tussen arts en patiënt. Het lijkt erop dat wij ons geen raad weten met de geestelijke aspecten van lijden. Terwijl lijden, in tegenstelling tot pijn, juist een complex psychisch fenomeen is. Ondanks de liberale opvattingen in Nederland omtrent euthanasie, ontbreekt in juridische zin een belangrijk element, namelijk inlevingsvermogen. In praktijk vallen sommige mensen buiten de boot, omdat de mate van geestelijk lijden niet goed is vast te stellen.

Compassie als grondslag voor euthanasie biedt een alternatief voor de focus op fysieke aandoeningen.

Dit probleem is nauw verbonden met een discussie die eerder in Nederland is gevoerd omtrent het Groningen protocol. Het protocol is het resultaat van een samenwerking tussen het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) en het Openbaar Ministerie en primair gericht op actieve levensbeëindiging van pasgeborenen. Belangrijker nog, het protocol legt een praktijk vast waarin compassie met een ander noodzakelijk is om over te gaan tot levensbeëindiging.

In het Groningen protocol stond de vraag centraal op welk moment het gelegitimeerd is het leven van een pasgeborene actief te beëindigen, omdat het kind nooit wilsbekwaam is geweest. De benadering van lijden in deze zin is problematisch, omdat het indruist tegen de traditionele opvatting van autonomie. Deze houdt in dat een subject met persoonlijkheid over het eigen lot dient te beschikken. Zolang geen expliciete instemming is met de dood, is het beëindigen van het leven door anderen ongeoorloofd.

Bij geestelijk lijden of geestelijke stoornissen vragen artsen zich af in hoeverre het lijdend subject werkelijk achter zijn beslissing staat. Er is immers geen fysiek lijden aanwezig en de geestelijke aandoening kan het autonome individu belemmeren bij het vaststellen van zijn eigen wil. Maar het idee dat een autonoom persoon geheel op zichzelf staat, los van interpersoonlijke relaties, is achterhaald. Kunnen anderen dan geen weloverwogen keuze voor ons maken omtrent leven en dood als zij mee lijden met ons geestelijk lijden? Het antwoord is dat autonomie niet geïsoleerd moet worden begrepen. Het accepteren van een interrelationeel begrip van autonomie vormt een goede legitimatie voor euthanasie om ondraaglijk en uitzichtloos geestelijk lijden te beëindigen.

Zo ontstaat het mededogen, het eerste relatieve gevoel hetwelk, volgens de wet der natuur het menschelijke hart treft.
– Rousseau

Compassie kan als grondslag dienen voor beëindiging van een leven dat bestaat uit ondraaglijk geestelijk lijden. Arthur Schopenhauer spreekt in deze zin van Mitleid. Het feitelijk mee lijden met een ander als extensie van zichzelf. Hij breidt daarmee de Gulden Regel van Hillel de Oudere uit. Talmud, Shabbat 31a stelt: Wat u verafschuwt, doe dat ook uw naaste niet. Schopenhauer voegt hier aan toe: Help iedereen, voor zover dit in je macht ligt. Schopenhauer geeft daarmee een actieve plicht aan mensen om zich zo veel mogelijk in te zetten een ander uit het lijden te verlossen. Dit is mogelijk doordat anderen het lijden meebeleven op basis van Mitleid (compassie).

Ook Martha Nussbaum is van mening dat compassie een belangrijke beweegreden is tot handelen. Een afweging dient te worden gemaakt omtrent de ernst van het lijden, de mate van eigen schuld waardoor het lijden is ontstaan en een zogenaamd eudaimonisch oordeel waarbij de ander de doelen en projecten van het lijdend subject relateert aan het eigen leven. In tegenstelling tot Schopenhauer is Nussbaum van mening dat compassie een cognitief karakter heeft. Dat wil zeggen dat Nussbaum uitgaat van een rationeel beslissingsmodel waaruit compassie voortvloeit. Schopenhauer daarentegen, baseert compassie op een metafysische verbondenheid die hij als universele wil kenmerkt.

Een persoon die niet in staat is zijn wil kenbaar te maken kan werkelijk worden geholpen als wij ons inleven in dit lijdend subject. Eduard Verhagen, kinderarts en hoofd van de afdeling Neonatologie van het UMCG, heeft met het Groningen Protocol een mogelijkheid geboden inleving in een ander als basis te vinden voor actieve levensbeëindiging. Hoewel sprake is van pijn en lijden, kan de ondraaglijkheid van dit lijden nooit worden bewezen. Wij kunnen niet in de geest van pasgeborenen duiken en de pasgeborene kan de mate van lijden niet communiceren. Toch biedt het een grondslag voor actieve levensbeëindiging van pasgeborenen. Wij nemen immers aan dat wij met de kinderen mee lijden alsof hun lijden deel van ons is.

Het accepteren van een interrelationeel begrip van autonomie vormt een goede legitimatie voor euthanasie om ondraaglijk en uitzichtloos geestelijk lijden te beëindigen.

Maar hoe creëren we een situatie waarin met zekerheid kan worden gesteld dat we een juiste beslissing nemen over leven en dood zonder dat er sprake is van uiterlijke kenmerken van lijden, zoals pijn. Rousseau biedt een oplossing in de Emile:

"Zo ontstaat het mededogen, het eerste relatieve gevoel hetwelk, volgens de wet der natuur het menschelijke hart treft. Om gevoelig en medelijdend te worden, is het noodig, dat het kind wete, dat er wezens zijn, gelijk aan hem, die lijden wat hij heeft geleden, die de smarten gevoelen, welke hij gevoeld heeft, en ook nog andere, van wie hij denken moet, dat ook zij ze kunnen gevoelen. […] Wij lijden niet, dan voor zoover wij meenen dat het dier lijdt. Het is niet in ons, het is in het dier dat wij lijden. Niemand wordt derhalve gevoelig, dan wanneer zijne verbeelding wordt opgewekt en hem zijne aandacht ook op iets anders dan op zich zelven doet vestigen."

Ondanks de liberale houding in Nederland ten aanzien van euthanasie geeft de beperkte uitoefening van euthanasie bij mensen die geestelijk lijden weer hoe een autonoom persoon als geïsoleerd subject wordt begrepen. Deze benadering is onjuist, omdat lijden altijd geestelijk is en zich niet bevindt in de fysieke fenomenen. De fysieke pijn is slechts de oorzaak van het lijden, maar de beoordeling of lijden ondraaglijk is of niet, is afhankelijk van subjectieve factoren. Het gevolg is dat personen met bepaalde aandoeningen die niet een fysieke oorzaak hebben zelden euthanasie kunnen laten plegen. Misschien vertrouwen artsen te veel op de fysieke fenomenen om de ondraaglijkheid van het lijden te bevestigen.

Met de tweeling die het leven beëindigde door een zelfgekozen dood kan een volgende stap gezet worden in het euthanasiedebat. Voor pasgeborenen is hier reeds in voorzien, maar mensen met geestelijke aandoeningen, zoals de ziekte van Alzheimer, komen in bepaalde gevallen niet in aanmerking voor euthanasie. Als wordt geaccepteerd dat personen zich interrelationeel tot elkaar verhouden en dat lijden in essentie een complex van mentale factoren is, dan moet het taboe op euthanasie bij geestelijk uitzichtloos en ondraaglijk lijden worden doorbroken.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven