Wikimedia / Adriaen van Coenensoen van Schilperoort

Historici te wapen tegen past-free politics

Het publieke debat lijdt aan een schrijnend gebrek aan historisch besef. Of het nu gaat over de EU, de economie of geopolitieke conflicten, het lijkt alsof het verleden er niet meer toe doet. Een grove vergissing. ‘Het verleden is niet per definitie voorbij. Het verleden leeft voort, hier en nu, maar ook elders en straks,’ aldus de roemruchte historicus Maarten Brands in zijn vorige maand gepubliceerde Arsenaal van de geschiedenis. Een pleidooi tegen bijziendheid in de tijd. Een welkome herinnering, in een tijd dat we ons niet druk moeten maken over fact-free politics, maar over past-free politics.

Net als in feiten, kun je in geschiedenis verdrinken.

Net als in feiten, kun je in de geschiedenis verdrinken. Publiek en politiek hebben daarom historici nodig die verklarende verhalen aanreiken. Zij moeten het grotere verband portretteren. Niet vanuit het archief, of de ivoren toren, maar dicht op de actualiteit, voortbouwend op literatuur doch dapper genoeg om een eigen these te poneren. Dat is beslist geen originele gedachte. Al generaties lang vormen historici als Brands, Presser, Romein en stamvader Johan Huizinga een ‘school’ van generalistische historici, encyclopedisten. Lumpers, in de karakterisering van de Amerikaanse geschiedschrijver J.H. Hexter. Zij zoeken de betekenis van een geschiedenis in de samenhang, de eenheid. Niet in de vergruizing van het historisch beeld, maar in een synthetiserend, afgerond en helder geschiedverhaal, waarin niet alles even belangrijk hoeft te zijn.

Een nieuwe loot aan deze stam is het onlangs verschenen Cultuur als macht. Cultuurgeschiedenis van Duitsland 1800-heden (Arbeiderspers), van de Amsterdamse emeritus-hoogleraar Frits Boterman. Een goed geschreven geschiedenis over grote thema’s door de eeuwen heen, zoekend naar lijnen en patronen in het schijnbaar toevallige complex van menselijk handelen. Daarmee geeft hij blijk van gezonde aversie tegen gedetailleerde studies op de vierkante millimeter.

 Cultuur werd taboe verklaard door historici in de postmoderne, multiculturele samenleving.

Boterman volgt in zijn magnum opus de lijn van de cultuur door twee eeuwen Duitse geschiedenis om uiteindelijk te concluderen dat Weimar en Buchenwald dichter bij elkaar liggen dan we willen geloven. Bildung en Bürgertum, romantiek en Pruisisch militarisme, Goethe en Marx, alles hangt samen. Cultuur is immers macht, zeker in Duitsland. In zijn oratie Weimar Revisited (2004) stelde Boterman al dat de cultuurgeschiedenis bij uitstek kan dienen om diversiteit, nuances en ambivalenties in het Duitse verleden bloot te leggen. Kortom: wie Angela Merkel wil begrijpen, moet Hegel kennen. En Wagner. Met die these sluit Boterman aan bij de gedachten van de intellectuelen die in de jaren 1930 in de verdrukking kwamen, zoals Sebastian Haffner en Thomas Mann. Later zijn die opvattingen helaas overschaduwd door studies op basis van platitudes als ‘het kwaad schuilt in ieder mens’, ‘Hitler was een uniek en toevallig fenomeen’ of ‘Duitsland heeft nu eenmaal een bijzondere geschiedenis’. Cultuur werd taboe verklaard door historici in de postmoderne, multiculturele samenleving. Zij zochten verklaringen liever in politiek, sociale verhoudingen en economie.

Boterman mag geprezen worden dat hij wars is van deze politieke (in)correcties en de olifant in de kamer niet alleen benoemt, maar ook nog eens uit zijn lijden verlost. Hij debunkt niet, maar bouwt zijn eigen verhaal op. Hij verschuilt zich niet achter andere historici of quasi-wetenschappelijke gewichtigdoenerij, maar ontleedt voor een breed publiek het ‘Faustiaanse pact’ tussen Duitse politiek en cultuur door de geschiedenis heen.

Boterman laat zien dat geschiedenis antwoorden biedt op prangende vragen. Zoals: hoe konden die beschaafde Duitsers afglijden van hun Olympos van Dichter und Denker naar de Hades van - vrij naar Jacques Presser - Richter und Henker? Maar ook: waarom krijgen we eigenlijk een Duits Europa, terwijl we ooit intekenden op een Europees Duitsland? Of: wat was het verband tussen 'kolen en staal' als eerste ingrediënten van de EU en het 'bloed en ijzer' in Bismarcks eenheidsdwang? Voor de antwoorden moet u het boek maar lezen.

Terecht betreurde H.L. Wesseling afgelopen december in de Groene Amsterdammer dat er in het huidige academische bestel “verkeerde eisen aan de historicus” worden gesteld. De rol van historicus als publieke intellectueel is daarom voor de academische geschiedkundige niet meer weggelegd.

Van Poesjkin tot Poetin, en van Krim tot Kremlin!

Gewaagde, generalistische geschiedschrijving geeft historici echter de kans om weer ‘publieke intellectuelen’ te worden. Boeken als Cultuur als macht zijn een medicijn tegen de past-free politics. Ze laten ons zien dat het synthetiserende, afgeronde en duidelijke geschiedverhaal de broodnodige geschiedenis terugbrengt in het publieke debat. Academische historici zouden zicht juist van die actuele factor bewust moeten zijn. Alleen op die manier kunnen ze hun rechtmatige plaats in de maatschappij opeisen.

We zouden al kunnen beginnen bij Nederland: van Spinoza tot Bolkenstein, van Plakkaat van Verlating tot Verdrag van Maastricht - de Nederlandse politieke cultuur in perspectief. Gek genoeg zijn het vooral buitenlanders, zoals Jonathan Israel, Russell Shorto en Ernest Zahn, die de grote lijnen aandurven. Rusland is een andere mooie kluif. Een beter begrip van de Russische cultuurgeschiedenis kan helpen tegen de naïeve houding van het westen in Oekraïne. Kom op historici… Van Poesjkin tot Poetin, en van Krim tot Kremlin!

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven