Hoe excellentie onze universiteiten ondermijnt

Nog niet zo lang geleden werd het Nederlandse onderwijs beschimpt vanwege zijn zesjescultuur. Maar omdat deze mentaliteit niet in een kennisgerichte economie paste, hebben politici de afgelopen vijftien jaar ingezet op een strengere selectie en een hogere standaard op universiteiten. Middelmaat moest plaatsmaken voor ‘excellentie’: studenten moesten leren het beste uit zichzelf te halen. Deze opzet lijkt geslaagd: hedendaagse studenten worden aangemoedigd, en moedigen zichzelf aan, om af te studeren met zo hoog mogelijke cijfers en zo veel mogelijk extra programma’s op hun cv. Op zowel individueel als maatschappelijk vlak zijn er echter heel wat vraagtekens te plaatsen bij deze excellentiecultus.

Wie de websites van universiteiten bekijkt struikelt over het excellentiejargon. Bijna alle Nederlandse universiteiten bieden ‘Honours Programmes’ aan waar excellente studenten extra interdisciplinaire vakken kunnen volgen, of reiken prijzen uit aan de best presterende studenten. Voor universiteitsbesturen is deze nadruk op excellentie een beproefde manier om publieke financiering te verantwoorden. Maar ook studenten zelf organiseren zich in toenemende mate op basis van prestatie. Nu ‘alleen’ een universiteitsdiploma steeds minder garant staat voor een baan, haken studenten graag aan bij organisaties die de eigen kwaliteit benadrukken. Zo bestaat er in Nederland een ‘Socrates International Honours Society’ ter ondersteuning van ‘jonge, ambitieuze high potentials’. Net als bij de Honours Programmes ligt de nadruk op een select groepje hoog presterende studenten, vaak aangeduid als de ‘leiders van de toekomst’.

Doordat ze binnen een steeds kortere tijd worden geacht af te studeren, slaat bij veel studenten om begrijpelijke redenen de stress toe

Deze instelling is niet nieuw en kritiek erop evenmin. In 1945 schreef de Oostenrijkse filosoof Karl Popper al: ‘The impossible demand for an institutional selection of intellectual leaders endangers the very life not only of science, but of intelligence’. In deze tijden van excellentie is het belangrijk dat we de gevaren waarvoor Popper waarschuwde opnieuw tot ons laten doordringen. Natuurlijk is het een prima streven om extra programma’s aan te bieden aan studenten die het standaard curriculum met gemak doorlopen of die over de grenzen van hun eigen wetenschapsgebied willen kijken. Maar de mentaliteit en retoriek die achter deze programma’s schuilgaan, kunnen schade aanbrengen aan zowel individuele studenten als wetenschappelijk onderwijs in zijn geheel.

Over de toenemende psychologische problemen onder studenten verschijnen inmiddels met enige regelmaat onheilspellende berichten in de media. Uit een rondgang van de Volkskrant onder studentenhuisartsen bleek deze zomer dat studentenpsychologen de psychische hulpvragen van vermoeide en gedemotiveerde studenten nauwelijks meer aankunnen. In een artikel in De Groene Amsterdammer uit september 2017 beschreven Sacha Hilhorst en Djuna Spreksel vergelijkbare bevindingen. Volgens hen ligt de verklaring van deze problematiek voor een groot deel in de prestatiedrang op universiteiten. Doordat studenten binnen een steeds kortere tijd (en met steeds minder financiële ondersteuning) worden geacht af te studeren, en als het even kan ook nog met excellente resultaten, slaat bij veel studenten om begrijpelijke redenen de stress toe.

Noch ‘excellente’, noch ‘gewone’ studenten zijn gediend met deze instelling

Excellentietrajecten vormen natuurlijk maar een deel van de oorzaak van deze problematiek, maar hun rol moet niet worden onderschat. Van interessante keuzetrajecten zijn deze programma’s nu tot verplichting verworden. Wanneer je als student hoge cijfers haalt, is het vanzelfsprekend dat je solliciteert voor een Honourstraject. Noch ‘excellente’, noch ‘gewone’ studenten zijn gediend met deze instelling. Bij de eerste groep wordt een houding aangeleerd dat de verdiepende programma’s allereerst een carrièreopstapje zijn, in plaats van inherent waardevol, wat het studieplezier ondermijnt. Daarbij zal de tweede, veel grotere groep studenten die niet voor deze programma’s in aanmerking komt, snel het gevoel krijgen te hebben gefaald. Zo wordt wetenschappelijk onderwijs in het slechtste geval een strijd tegen de klippen op en in het beste geval een tribune voor persoonlijke talenten. In ieder geval blijft er van studieplezier en zelfontplooiing weinig over.

In dit kader wordt steeds vaker gesproken over een ‘ratrace’ of een ‘competitiecultuur’. Bijvoorbeeld door Jeroen van Baar, auteur van De prestatiegeneratie, een boek waarin hij de prestatiedrang van zijn generatie onder de loep neemt. ‘De Nederlandse studententijd, die bekendstond om zijn onbezorgde karakter en die ruimte gaf aan zelfontplooiing van de student, wordt in sneltreinvaart vervangen door een neoliberale competitiecultuur waarin cijfermatig uitblinken centraal staat’, schrijft Van Baar. Van Baar spreekt in dit verband van ‘maximalisme’: het idee dat je alles kunt bereiken wat je wilt – en dus ook zelf verantwoordelijk bent wanneer dit niet lukt. Hoewel maximalisme bevrijdend kan werken, schrijft Van Baar, leidt het ook tot toenemende stress en competitie. Poppers waarschuwing dat het onderwijs in een hordeloop dreigde te veranderen lijkt vandaag even relevant als in de jaren ’40.

De psychologische schade onder studenten is verontrustend, maar nog niet eens het enige probleem. Wanneer studenten hun studie gaan zien als een carrièreplatform waarbij het doel is om tot ‘de besten’ te horen, ondermijnt dit niet alleen het studieplezier van de studenten maar ook de kern van wetenschappelijk onderwijs. Beloning van persoonlijke excellentie creëert namelijk het idee dat academisch succes een individuele prestatie is. Dit is echter diametraal in tegenspraak met het sociale karakter van de wetenschappen. Filosofen als John Stuart Mill en Karl Popper hebben benadrukt dat de kracht van wetenschap niet ligt in de individuele talenten van de wetenschapsbeoefenaars. De wetenschap draait juist om de vrijheid van iedereen om aan een wetenschappelijke discussie deel te nemen en anderen te bekritiseren of te adviseren. Volgens Popper betekent dit dat geen wetenschapper zich voor kan laten staan op zijn of haar persoonlijke excellentie, want ieder wetenschappelijk succes behoort toe aan de wetenschappelijke gemeenschap als geheel.

De leiders van onze tijd zijn geen koningen en zeker geen filosofen

De ideale wetenschap is dus inherent democratisch: zij neemt iedere bijdrage serieus en weigert de wetenschappelijke ‘elite’ op een voetstuk te plaatsen. Popper leidt deze democratische waarde terug naar Socrates. Socrates zou, nadat hij door het orakel van Delphi was aangewezen als de meest wijze man van Athene (een excellentiecertificaat avant la lettre), hebben gesteld dat deze wijsheid alleen voortkwam uit het besef hoe weinig hij wist. Daarom bleef hij altijd openstaan voor discussie met zijn mede-Atheners. Deze democratische houding werd volgens Popper ongedaan gemaakt door Socrates’ opvolger Plato, die vond dat ware kennis is voorbehouden aan een klein aantal individuen. Als gevolg hiervan zag Plato onderwijs niet als een open discussie, maar als de training en selectie van een beperkt aantal verlichte geesten die als enigen geschikt zouden zijn als toekomstige leiders – de beroemde filosoof-koningen.

De leiders van onze tijd zijn geen koningen en zeker geen filosofen. Toch bestaat nog steeds – of opnieuw – het Platonistische ideaal dat ons onderwijs als voornaamste doel heeft om de beste toekomstige leiders te selecteren en op te leiden. Het Honours College masterprogramma van de Rijksuniversiteit Groningen heeft bijvoorbeeld als expliciet doel om ‘de leider in jezelf te ontdekken’. Ook andere universiteiten maken geen geheim van hun nadruk op toekomstig leiderschap. De term ‘excellentie’ in zichzelf suggereert dat sommige studenten nou eenmaal ‘beter’ zijn dan andere – en daarmee, bij implicatie, een belangrijkere maatschappelijke rol zullen vervullen in de toekomst. Eenzelfde ondertoon vinden we in de werving van de Socrates International Society van ‘de meest ambitieuze studenten’ en ‘toptalenten’. (De ironie van het feit dat Socrates de belichaming van intellectuele bescheidenheid was lijkt tot deze vereniging niet door te dringen.)

Maar door deze nadruk op selectie van ‘de besten’ dreigen creativiteit en debat op universiteiten verloren te gaan. Excellentie wordt altijd beoordeeld naar een bepaalde standaard, die vooraf door de opleider moet worden vastgesteld. Onorthodoxe studenten, studenten die afwijken van gebaande dogma’s of studenten die niet aan de uiterlijke ‘leiderschapskwaliteiten’ voldoen vallen volgens deze standaard buiten de boot. Dit betekent dat de ‘leiders van de toekomst’ die universiteiten afleveren dreigen te veranderen in kopieën van de leiders van vandaag.

Wetenschap zou moeten berusten op het Socratische inzicht dat het de gezamenlijke wetenschappelijke bijdrage is die het verschil maakt

In een tijd waarin we voor ongekende uitdagingen staan die vragen om fundamentele herwaardering van economische, politieke en ethische aannames is dit niet anders dan zorgelijk te noemen. Willen we de selectie van toekomstige topeconomen afhankelijk maken van selectiecriteria die zijn opgesteld door de economen die de crisis van 2008 niet konden voorzien? De leiders die we nodig hebben zijn juist degenen die onze veronderstellingen op onverwachte manier kunnen uitdagen. Dit zijn niet per se degenen die voldoen aan de verwachtingen van de vorige generatie leiders. Wetenschappelijk onderwijs dient de samenleving het meest door debat, heterodoxie en discussie aan te moedigen. Selectie op basis van excellentie creëert echter individualistische leiders die wetenschap eerder als persoonlijke carrière zien dan als publiekelijk toegankelijk debat.

De opvatting van onderwijs als leerschool voor leiders van de toekomst is, ongetwijfeld, stimulerend voor het zelfvertrouwen van de selecte groep studenten die zichzelf als excellent kan bestempelen, en praktisch voor de boekhouders van de universiteit die op zoek zijn naar tastbare bewijzen van het ‘succes’ van hun opleidingen. Maar ze is ook in essentie antidemocratisch. Wetenschap zou moeten berusten op het Socratische inzicht dat het de gezamenlijke wetenschappelijke bijdrage is die het verschil maakt, en niet de individuele wetenschapper, of student, die bijdraagt. Laten we niet langer excellente studenten belonen, maar vruchtbare opleidingen, vakgroepen en faculteiten, waarbij juist de inclusie van alle studenten als maatstaf voor collectieve vruchtbaarheid dient. Dat is uiteindelijk ook de beste manier om individuele studenten te motiveren en om te voorkomen dat de wetenschap van de toekomst ten onder gaat in een individualistische hordeloop.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven