Rosa van Triest

Hypocrisie

Onlangs verscheen op opiniesite Joop een artikel van de hand van oorlogsfotograaf Matulessy. Vol wrok ageert de fotograaf tegen wat hij ziet als hypocriet gedrag onder ‘moslimjongeren’. Deze jongeren zouden zich zeer kritisch uiten over het westerse kapitalistische systeem dat zou roven en moorden in het Midden-Oosten, maar tegelijkertijd zouden deze jongeren evenzeer van dit door hen bekritiseerde systeem profiteren, iets wat de auteur als hypocriet bestempelt. ‘Ga dan als het je niet bevalt!’ roept de fotograaf tot besluit.

Het hypocrisieargument van de auteur is emotioneel gezien begrijpelijk; de situatie gaat hem duidelijk aan het hart en iemand betichten van hypocrisie lijkt dan een makkelijke uitlaatklep. Vaak worden mensen van hypocrisie beticht maar het begrip hypocrisie zélf is zelden onderwerp van discussie.

Een hypocriet is iemand die – in etymologische zin – toneelspeelt of acteert. Het is belangrijk om hier op te merken dat een acteur pretendeert iets te zijn wat hij niet is; hij speelt zijn rol. De inconsistentie tussen het individuele handelen en datgene wat de acteur speelt noemen we niet hypocriet omdat we de acteur herkennen als speler. We noemen iemand pas hypocriet indien hij zijn woorden meent en we hem hieraan kunnen houden. Hypocrisie gaat namelijk uit van de impliciete claim dat iemands uitingen – zouden moeten – corresponderen met diens handelen.

Men dient uit vrije wil, waarlijk en overeenkomstig de persoonlijke overtuiging te spreken. Wanneer de individuele handeling niet blijkt te corresponderen met de gedane uiting dan is iemand oneerlijk. Deze oneerlijkheid zit ’m dan in het niet doen van wat de actor stelt dat gedaan had moeten worden. Deze oneerlijkheid lijkt van hypocrisie dus een morele term te maken – in negatieve zin verband houdend met een ethische eis. We verwachten (wellicht naïef) dat er niet slechts sprake is van pretentie van de spreker, maar dat zijn handeling een consequentie is van de gedane uitspraak.

Iemand betichten van hypocrisie lijkt een makkelijke uitlaatklep

Met name in hiërarchische relaties lijkt onze verwachting van de spreker toe te nemen. Wanneer iemand een zekere autoriteit bezit, of zichzelf deze autoriteit aanmeet, zijn we in toenemende mate geneigd te verwachten dat iemands handelingen corresponderen met diens uitingen. Zo doet een Kamerlid uitspraken als politicus en verwachten we, indien we zijn autoriteit als politicus erkennen, dat diens handelingen consequent zijn met de gedane uitspraken. Het Kamerlid committeert zich immers aan een verkiezingsbelofte, en pretendeert deze te realiseren. In zoverre impliceert de politicus dat er geen sprake is van spel, en dat zijn toekomstig handelen, waar mogelijk, consistent zal zijn met de gedane beloften. Indien deze belofte verbroken blijkt als gevolg van een gebrek aan wilskracht, verwijten we de politicus hypocrisie en pogen daarmee de gedane uitspraken te delegitimeren: ‘Zie je wel! Hij doet het zelf ook niet, waarom zouden we hem dan geloven?’

Door een beroep op hypocrisie te doen vergeten we voor het gemak dat individueel handelen niets zegt over de waarheidswaarde van de uiting. Iemand van hypocrisie betichten blijft veelal een tu quoque, een drogredenering zonder logische geldigheid. Immers, een uitspraak kan waar of onwaar blijken, ongeacht de autoriteit van de spreker. Hoogstens is het iets plausibeler dat een spreker met een zekere autoriteit eerder geneigd is een ‘ware’ uitspraak te doen waaraan hij zich ook in zijn handeling committeert. Daarmee is echter niet gezegd dat iemand zonder deze autoriteit per definitie minder geloofwaardig is als het gaat om het doen van juiste uitspraken. Geloofwaardigheid van het individu staat daarmee los van de geloofwaardigheid van de uitspraak zelf, iets dat nog wel eens vergeten lijkt te worden.

De politicus die ageert tegen belastingontduiking, maar zich hier zelf schuldig aan maakt, is hierdoor wellicht hypocriet en op persoonlijke titel aansprakelijk, maar daarmee is niet gezegd dat zijn handelen invloed heeft op zijn politiek functioneren. Het aan het licht komen van zijn persoonlijk belastingontduiken toont hem oneerlijk, maar daaruit volgt niet dat hij als politicus ook incapabel is (zijn strijd tegen belastingontduiking is er immers niet minder waardevol door).

Geloofwaardigheid van het individu staat los van de geloofwaardigheid van de uitspraak zelf

We ontheffen dit soort personen echter wel uit hun functie en vullen opiniebladen en praatprogramma’s vol morele verontwaardiging en boe-geroep. Zo kwam PvdA-senator Adri Duivesteijn vorig jaar nog in het nieuws omdat hij tegen de nieuwe zorgwet omtrent vrije artsenkeuze stemde met een mogelijke kabinetscrisis als gevolg. Niet alleen stemde hij tegen een wetsvoorstel deels afkomstig van zijn eigen partij, maar hij zou er gezien zijn eigen ongeneeslijke ziekte bovendien op vooruitgaan. Het hypocriseverwijt was snel gemaakt, maar vergeten werd dat de senator zich al sinds 2012 hardmaakte tegen de vermarkting van de zorg.

Hoewel een hypocrisieverwijt soms simpelweg goed voelt, moeten we niet vergeten wat de reële consequenties van een dergelijk verwijt kunnen zijn. Het is dan ook lang niet altijd zinvol om hypocriet gedrag te verwerpen als immoreel en af te geven op de geloofwaardigheid van de spreker. Morele consistentie mag namelijk dan wel deugdzaam zijn, maar morele inconsistentie en hypocrisie lang niet altijd ondeugdelijk.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven