Flickr / Alistair Young

Iedereen en niemand: over Shakespeare en ons

Complete worksWilliam Shakespeare
Sejanus His FallBen Jonson1603
The Genius of ShakespeareJonathan Bate,1997

Op 26 april van het jaar 1564 werd hij gedoopt: Gulielmus filius Johannis Shakspere, zo meldt het register van de kerk in Stratford-upon-Avon. William, de zoon van John Shakespeare. Hij stierf op 23 april 1616 en werd in dezelfde kerk begraven. De traditie wil dat hij ook op 23 april geboren was: een vrome aanname die het leven van Shakespeare op een harmonieuze wijze afrondt.

De wens is de vader van de gedachte: vier-en-een-halve eeuw later viert niet alleen Engeland, maar de hele wereld het jubileum van de grootste toneelschrijver die de wereld ooit gekend heeft. (In de geest van Mart Smeets: ‘Mag ik dat zeggen? Ja, dat mag ik zeggen.’) In Amsterdam is, niet onverwacht, de Stadsschouwburg het hart van de feestelijkheden, waar Tom Lanoye’s nieuwe stuk Hamlet vs Hamlet onlangs in première is gegaan: een bewerking van Shakespeare’s meesterwerk ‘voor de eenentwintigste eeuw’, zo meldt de aankondiging.

Wat wil dat theatertechnisch gesproken zeggen, ‘de eenentwintigste eeuw’?

Niets ten nadele van Lanoye’s verdiensten en van wat ongetwijfeld een fascinerend nieuw stuk zal blijken, maar wat wil dat theatertechnisch gesproken zeggen, ‘de eenentwintigste eeuw’? Is dat hetzelfde als ‘na 11 september’? En wat gaat dat ons en Shakespeare aan? Dit soort kwalificaties wekken de indruk dat er een fundamentele barrière zou zijn gerezen tussen de moderniteit en het verleden, en – erger – dat het ‘moderniseren’ van het culturele erfgoed de geijkte manier zou zijn om die barrière te slechten. Paradoxaal genoeg is er juist geen betere manier om gedateerd te raken dan dat; de pijnlijke pogingen van zowel kerk als staat om hun bezigheden ‘aantrekkelijk voor jongeren’ te maken (denk alleen al aan de ‘beatmis’) hebben dit inmiddels vaak genoeg bewezen.

He was not of an age, but for all time. Dat schreef Ben Jonson (1572-1637) in een postuum lofdicht op Shakespeare, zijn vriend en rivaal; een zeventiende-eeuwse anekdote wil overigens dat het de gevolgen van een stevig drinkgelag met Jonson waren waar Shakespeare uiteindelijk aan bezweken is. Jonson – lyricus, tragicus, comicus, schelm en hoveling – is de bron van veel van onze informatie over Shakespeare’s karakter en werkwijze, maar illustreert ook in zijn eigen persoon het een en ander van wat Shakespeare zo opmerkelijk tijdloos maakt. Jonson, een hoogopgeleide, ambitieuze exponent van de Engelse Renaissance, legde zich toe op het schrijven van toneel dat in alle opzichten moest gehoorzamen aan ‘de regels’: een reeks aan Aristoteles en Horatius onttrokken criteria die voor de classicistische zeventiende eeuw als Gods Eigen Woord golden, met de zgn. ‘Aristotelische’ eenheden van tijd, plaats en handeling als kern. Het ergste voorbeeld is Jonson’s stuk Sejanus His Fall (1603), een loodzware, moraliserende tragedie in uit marmer gehouwen verzen, die Jonson zelf in druk liet voorzien van een ellenlang notenapparaat om aan te tonen dat hij niets, maar dan ook niets zelf verzonnen had: alle personages, ideeën en wendingen waren ontleend aan schrijvers als Tacitus en Seneca.

Shakespeare daarentegen, zo stelde Jonson ietwat neerbuigend in zijn anderszins lyrische lofprijzing, bezat small Latin and less Greek. Afgezien van het feit dat de jonge William op zijn provinciale schooltje waarschijnlijk meer en beter Latijn geleerd heeft dan bijna alle studenten vandaag de dag, zit er een kern van waarheid in Jonson’s opmerking. Shakespeare voelde zich weinig gebonden door de formalistische ketens die zijn tijdgenoten zichzelf aan het opleggen waren. Tussen de derde en vierde akte van The Winter’s Tale valt, bijvoorbeeld, een gat van zestien jaar, terwijl het toneel zich inmiddels ook van Sicilië naar de (non-existente) kust van Bohemen verplaatst: vaarwel, eenheid van tijd en eenheid van plaats. Tragedies worden bevolkt door paljassen en komedies lopen soms verdacht slecht af. De regels van het spel blijken rekbaar, maar is dat in de echte wereld niet ook zo?

De regels van het spel blijken rekbaar, maar is dat in de echte wereld niet ook zo?

Shakespeare was geen slaafse epigoon van zijn grote voorgangers, maar bewoog zich, geruisloos plooibaar, door het hele scala aan teksten en ideeën dat hem in zijn bibliomane tijdperk ter beschikking stond. Het bronmateriaal voor zijn stukken putte hij niet alleen uit de klassieken – zoals de Parallelle Levens van Plutarchus in het geval van Coriolanus, Julius Caesar en Antony and Cleopatra – maar ook uit Franse romannetjes, Engelse historiografen, de essays van Montaigne en – natuurlijk – andere toneelschrijvers, zijn voorgangers en rivalen. Hij had de vinger aan de pols van zijn tijd gelegd. Tegen een rondtrekkend toneelgezelschap laat hij prins Hamlet zeggen:

Suit the action to the word, the word to the action; with this special observance, that you o'erstep not the modesty of nature: for anything so overdone is from the purpose of playing, whose end, both at the first and now, was and is, to hold, as 'twere, the mirror up to nature; to show virtue her own feature, scorn her own image, and the very age and body of the time his form and pressure. (Hamlet, 3.2)

De kunst als spiegel van de tijd: het idee was niet nieuw, maar zelden zo geslaagd in de praktijk gebracht. In de Londense Globe, het theater waar Shakespeare’s gezelschap resideerde en waar hij zelf aandeelhouder van was, kwam een dwarsdoorsnede van de bevolking waar elk hedendaags theater jaloers op zou zijn: van aristocraten en geleerden tot biersjouwers en veerlui, en dat in groten getale. Om bij zo’n divers publiek in de smaak te kunnen vallen, moest zijn werk voor elk wat wils bieden: toegankelijk en vermakelijk zijn voor het nootjes etende volk op de staanplaatsen, en intellectueel uitdagend blijven voor de chique heren in de loges.

Het politieke en religieuze tumult van Shakespeare’s eeuw maakten van Engeland bovendien een plaats waar men goed op zijn woorden moest letten; terughoudendheid was een pre en ambivalentie de deugd der deugden. Dit laatste, betoogt Jonathan Bate in zijn meesterlijke boek The Genius of Shakespeare (1997), is precies wat de bard uit Stratford zijn onsterfelijkheid heeft opgeleverd: de schier oneindige ruimte tot herinterpretatie die Shakespeare door zijn doelmatige ongrijpbaarheid heeft gecreëerd. Shakespeare als romanticus, als imperialist, als proto-post-koloniaal, als scepticus, als crypto-katholiek, als homoseksueel, als rokkenjager, als ploeterende plagiator, als bevlogen profeet; zijn enige vaste eigenschap lijkt zijn kameleontische veranderlijkheid.

Wat voor man zit er achter deze maskers? De persoonlijkheidscultus die gevierde kunstenaars sinds de Romantiek achtervolgt, heeft de bewonderaars van Shakespeare voor een pijnlijk probleem gesteld. Bij gebrek aan persoonlijke correspondentie of autobiografische teksten is ‘de mens’ Shakespeare nog ongrijpbaarder dan auteurs normaliter al zijn, wat in de laatste eeuw geleid heeft tot een merkwaardig arsenaal aan samenzweringstheorieën over ‘de echte schrijver’ van Shakespeare’s werk: kennelijk kunnen we ons moeilijk voorstellen dat de zoon van een petit-bourgeois handschoenenmaker uit de provincie haast onopgemerkt zijn ogen en oren goed open heeft gehouden, enkele tientallen briljante toneelstukken van ongeëvenaarde rijkdom heeft geschreven, een chaotische kosmos aan beelden, ideeën en emoties, en vervolgens met pensioen ging om zich in zijn geboortestadje met kleine vastgoedtransacties bezig te houden. Het enigma van Shakespeare’s persoon is zelden beter gevat dan door Jorge Luis Borges (uit ‘Everything and Nothing’, vert. Barber van de Pol):

De geschiedenis vermeldt verder dat hij zich, voor of na zijn dood, in het aangezicht van God wist en tegen Hem zei: Ik, die vruchteloos zoveel mensen ben geweest, wil één mens en ik zijn. De stem van God antwoordde vanuit een wervelwind: Ook ik ben niet; ik heb de wereld gedroomd zoals jij je werk hebt gedroomd, mijn Shakespeare, en tussen de gedaanten van mijn droom bevind jij je, die evenals ik velen bent en niemand.

Shakespeare moderniseert óns, of we willen of niet.

De woorden van Hamlet zijn in elk geval profetisch gebleken: de wijze waarop wij Shakespeare lezen (en spelen) legt altijd iets bloot van onze eigen preoccupaties en onze eigen blinde vlekken, toont ons de form and pressure van onze eigen tijd, en toont ons in de spiegel van Shakespeare’s kunst het raadsel dat wij zelf zijn. Elke opvoering, zelfs de meest historistische spektakelstukken met harnas en wuivend vaandel, is er een ‘voor de eenentwintigste eeuw’: de werkelijke vernieuwing vindt plaats in de geest van een lezer of toeschouwer die de confrontatie met Shakespeare’s tekst zo openhartig mogelijk aangaat, niet op de tekentafel van de regisseur. Dit maakt het ‘moderniseren’ van zijn stukken even zinloos als onvermijdelijk: Shakespeare moderniseert óns, of we willen of niet.

Over twee jaar is Shakespeare’s vierhonderdste sterfdag. Tijd genoeg, intussen, om hem – en dus onszelf – beter te leren kennen.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven