Flickr / Bodie Strain

IJstijd verwarmt de Nederlandse literatuur

IJstijdMaartje Wortel2014
Boek van de dodenPhilip Huff2014
The Paradox of ChoiceBarry Schwartz2004

Het vriest in het literaire landschap. Althans, zo concludeerde de vijfkoppige jury die afgelopen maand voor de tiende keer de BNG Bank Literatuurprijs uitreikte. Die prijs, onderdeel van het cultuurfonds van de bank, wordt toebedeeld aan een jonge schrijver (veertig min) die nog niet definitief is doorgebroken. Volgens de jury was de oogst in 2014 mager. De shortlist die de vijf samenstelden, bestond uit drie romans, waar er eerdere jaren vijf boeken tot op het laatst kans maakten: de drie koplopers van het afgelopen jaar zouden mijlenver uitsteken boven het verder dungezaaide maaiveld.

Het juryrapport luidde: ‘Er zijn betere wijnjaren geweest, metaforisch gezegd. Te weinig durf, te povere stilistische en compositorische middelen, geen urgentie, zozeer dat de vraag opkomt: waren deze boeken wel uitgegeven als de auteur niet jong en niet onweerstaanbaar aantrekkelijk was geweest? Literaire armoede bestaat en dat werd pijnlijk zichtbaar in 2014.’

Volgens mij een onnodig pessimistische voorstelling van het afgelopen boekenseizoen. En: kun je wel spreken van een tegenvallend wijnjaar als er op zijn minst één topwijn tot stand kwam? Maartje Wortel won de prijs met IJstijd – een tekenende titel voor het door de jury geschetste literaire klimaat. Desondanks (en: gelukkig) sprak de jury met warme woorden over Wortel, was er ‘natuurlijke overeenstemming over Wortels krachtige, autonome stem, die helder weerklinkt in haar onverwisselbare kwaliteitsoeuvre.’

Kristalhelder is dat veel jonge schrijvers in hun werk een ijskoude vertelwereld uithouwen

Of de Nederlandse literatuur nou wel of niet is vastgevroren, kristalhelder is wel dat veel jonge schrijvers in hun werk een ijskoude vertelwereld uithouwen: heel wat van de nieuwste romans worden op inhoudelijk vlak geteisterd door een ongekende kilte. Zo ziet in IJstijd de financieel welbedeelde James Dillard, verlaten door zijn Marie, nergens zin. Hoofdzakelijk vanuit de hotelkamer in Amsterdam, waar hij leeft van roomservice en tv-series, vertelt hij de vergaansgeschiedenis van hun liefde. Ondertussen worstelt hij onafgebroken met de niksigheid van zijn bestaan – sla het boek op een willekeurige pagina open en je vindt een alweer even prachtig gearticuleerde niksigheid: ‘Maar wat als er verdomme niets is? Als dit is wat het is: geklooi en gestuntel op een willekeurige plek, desnoods in een tuin langs het spoor, tegen beter weten in proberen het elkaar naar de zin te maken, met een beetje geluk ergens aankomen op het moment dat de koffie klaar is?’ (127) Ook Monica, redacteur bij een uitgeverij, die James vertelt dat ze in zijn geklooi en gestuntel een boek ziet en hem vraagt of hij het zou willen schrijven, kan aan de niksigheid niet tornen. James vermoedt na haar belletje meteen een vergissing: het romanwaardige bestaan dat Monica voor ogen moest hebben, zou vast dat van zijn opa (een andere J. Dillard) zijn, ‘een Amerikaanse soldaat die in de Tweede Wereldoorlog de Nederlanders is komen bevrijden’, (12) die over die heldendaad kort daarvoor nog schreef in Het Parool.

James Dillard: een romanpersonage dat helemaal nergens binding mee vindt – behalve dan met hoofdpersonen uit andere recent verschenen boeken van jonge schrijvers.

Geen ambities, geen dromen, geen humor – de jonge schrijver, de titel bij een voorpublicatie in De Groene Amsterdammer van het essay Huisgenoten uit Joost de Vries’ bundel Vechtmemoires. In dat essay stelt De Vries in zijn rol van hospiteercommissie de hoofdpersonen uit recentelijk geschreven romans van jonge schrijvers (Maartje Wortel, Merijn de Boer, Jamal Ouariachi, Franca Treur, maar ook Niña Weijers en Robbert Welagen) voor als potentiële huisgenoten. Hij laat zien dat die personages stuk voor stuk jonge figuren zijn die hun dagen slijten in een vaak grootsteedse omgeving met bar weinig op hun dagprogramma. Adolescenten die niets hebben meegemaakt, maar zich ook niet geroepen voelen om iets mee te maken, om iets van hun leven te maken. Materiële welvaart, geestelijke armoede. Verstoken van enig engagement, op een onoverbrugbare afstand van de rest van de wereld, hebben ze wel de middelen, maar missen ze het doel. De Vries: ‘Afstand is de Grote Gelijkmaker.’ (213) Allen dolen ze, dus, door het decor van een figuurlijke ijstijd.

Materiële welvaart, geestelijke armoede

Is de geestelijke armoede van moderne romanpersonages dan ook een teken van literaire armoede? Volgens Paroolrecensent Arie Storm wel: hij sprak zich geërgerd uit over de volgens hem veel te uitgebreide beschrijving van de ijskast van Felix Post, uit Philip Huffs afgelopen jaar verschenen Boek van de doden. Storm: ‘Details zijn goed, maar dit is stompzinnig.’ Ook Felix Post is een doler, wacht tevergeefs tot de wereld in zijn leven intervenieert, slikt en snuift ondertussen al wat los en vast zit. Samen met de ‘huisgenoten’ van De Vries vormt hij een legertje eenentwintigste-eeuwse Fritsen van Egters, maar dan zelfs zonder een impliciet aanwezige doch des te voelbaardere nasleep van een verwoestende oorlog.

‘Ik pleit niet voor oorlog, maar je voelt je dan wel groter en echter, teruggeworpen op de essentie, overleven, liefde, vriendschap,’ zei Wortel in een interview in De Morgen toen IJstijd uitkwam, een jaar geleden. Ze articuleert daar heel precies het probleem van de James Dillards onder de moderne romanpersonages: een gebrek aan problemen. Na-oorlogse problematiek, die ook in ‘de echte wereld’ bestaat: de Amerikaanse psycholoog Barry Schwartz laat in zijn The Paradox of Choice zien dat in een samenleving zonder barricades of bezettingen die de grenzen van de menselijke bewegingsvrijheid afbakenen de mens blijft dolen. (Zie hier een kort inleidend college van Schwartz over dit punt.) Een overdaad aan bewegingsvrijheid schroeft de verwachtingen torenhoog op: in een wereld waarin álles kan, is het essentiële (overleven, vriendschappen onderhouden, liefhebben) niet meer genoeg. Je leven moet verschil maken. Maar de meeste levens doen dat niet – laat staan dat van James Dillard: ‘Er zijn per slot van rekening miljarden mensen en er zijn er maar weinig die echt verschil maken.’ (13) Vrijheid wordt in de meeste gevallen niet benut om verschil te maken, maar verlamt juist. Want mensen ervaren vrijheid door beperking – Frits van Egters had voor zijn niksigheid in elk geval de oorlog nog als excuus.

De eigenlijke kilte in IJstijd wordt dus juist veroorzaakt door een gebrek aan kou. De wereld waarin James Dillard zich beweegt is wezenlijk een zachte warme wolk: er hoeft geen oorlog te worden gevochten, de plicht roept niet. En dus voelt James zich nergens toe geroepen, de wereldproblematiek blijft voor hem op afstand: ‘Er is niets om bang voor te zijn – ik ben geen jood, ik ben niet zwart, geen vrouw, geen homo, maar een rijke, blanke jongeman. [...] maar wat ik niet ken is de noodzaak om door te leven.’ (23)

Maar het is juist die afstand waardoor IJstijd zo raakt, zo dichtbij komt. Juist dát, het nabij komen door afstand te houden, is wat de eindeloze beschrijving van de ijskast in Philip Huffs Boek van de doden onmisbaar maakt. Die ijskastbeschrijving is een magistraal voorbeeld van de registrerende, gevoelloze stijl die de afstand tussen Felix Post en de wereld om hem heen zo koud op het lezersdak doet vallen. Ook de afstandelijkheid van James Dillard is een gevoel dat via Wortels roman invoelbaar wordt gemaakt.

Adolescenten die niets hebben meegemaakt, maar zich ook niet geroepen voelen om iets mee te maken

Het is dus ter plaatse van de afstand waar je als lezer een ingang vindt bij James. Via de roman kijk je mee met zijn koelbloedige perspectief, volg je heel precies hoe James’ bindingsprobleem is ontstaan. Aan zijn ijstijd hoefde geen oorlog te pas te komen, alleen een meisje, dat hem dumpte. Je kijkt door James’ ogen naar Marie, voelt hoe hij poogt haar besluit hem te verlaten te begrijpen:

‘Eerst denk ik dat ze verliefd is geworden op die lul van een makelaar met zijn blitse helikopter en zijn grote handen, maar dan, na een paar weken, besef ik wat het is: zij is degene die niet genoeg heeft aan mij alleen. [...] ’s Nachts in bed snap ik het. Ze is jaloers op mij, als persoon. Omdat ik er wél toe in staat ben: haar droom leven. Dat het mij wel heeft kunnen raken.’ (214)

James’ afstandelijkheid ten opzichte van de wereld om hem heen verwordt zo juist tot een voorwaarde voor binding met die wereld. Die binding wordt binnen het boek gedemonstreerd: in het verhaal wordt James gevraagd door literair redacteur Monica om zijn (in zijn eigen ogen zinloze) leven om te bouwen tot een boek, zij ziet in zijn leven dus een vertelwaardig verhaal. En op dezelfde manier schept het verhaal ook de voorwaarde voor de binding tussen de roman en de wereld daarbuiten, de lezer. Want James worstelt dan wel met de zinloosheid van zijn bestaan, maar hij doet dat wel in een boek, een medium waarin elke zin zin heeft: het boek is een (re)constructie van een leven waarin alle woorden zorgvuldig door een schrijver zijn geselecteerd en gecombineerd en daarmee waarde toebedeeld kregen.

Een overdaad aan bewegingsvrijheid schroeft de verwachtingen torenhoog op

Zo trekt IJstijd als roman voor zijn lezer de grenzen om de bewegingswereld die het hoofdpersonage zo moeilijk te trekken vindt: het boek laat haar lezer zien hoe juist het leven van een onverschillige jongeling verschil maakt, hoe doelloos dolen doeltreffend kan zijn. IJstijd biedt daarmee precies de beperkingen waaraan het in de levens van veel van de jonge schrijvers-personages schort, de beperkingen die je als mens nodig hebt om je vrij te voelen.

Wortel zei in een ander interview vorig jaar, in de NRC, dat het een gevoel van vrijheid geeft te schrijven aan een boek waarop in eerste instantie niemand zit te wachten. Alhoewel, de redacteur van de uitgeverij wachtte erop. Wortel: ‘Als één iemand iets van je wil, ben je gelukkig. Dus moet je geloven dat er iemand op je wacht. Zoals je ook moet geloven dat het zin heeft wat je doet.’ En dat is precies wat IJstijd demonstreert: hoe je een leven binnen de willekeur van de wereld tot een zinnig en mooi verhaal maakt. De kille afstand tussen henzelf en de wereld die James en de vergelijkbare dolers op het eerste gezicht lijken te bewaren, blijkt zo een warm verbond. Waaruit we kunnen concluderen dat het wel meevalt met dat erbarmelijke literaire klimaat: de genoemde schrijvers laten niemand in de kou staan.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven