Flickr / Sarah Jane

Ik herinner me ... vernieuwing

I RememberJoe Brainard1970
Je me souviensGeorges Perec1978
Niemand had er enig idee van wat er aan de hand wasJeroen van Rooij2014

Vormexperimenten in literatuur worden doorgaans geassocieerd met ontoegankelijk en wereldvreemd proza dat alleen interessant is voor academici. Maar geslaagde vormexperimenten stellen de schrijver in staat iets werkelijk vernieuwends te verwoorden. De volgende drie boeken, alledrie in dezelfde vorm, tonen dat sommige vormexperimenten ook relevant zijn voor álle lezers.

Paul Auster noemde I Remember (1970) van de Amerikaanse kunstenaar Joe Brainard (1942-1994) een van de weinige ‘totally original books’ die hij ooit had gelezen. Acht jaar later nam de Franse schrijver Georges Perec (1936-1982), doorgaans niet om verregaande literaire vormexperimenten verlegen, het idee over en publiceerde Je me souviens. De vorm die Brainard bedacht is even eenvoudig als geniaal: het boek is een verzameling jeugdherinneringen die allemaal beginnen met de woorden ‘I remember.’ Naast de eenvoud is het de opsomming die deze methode zo effectief maakt. De opsomming stuwt het boek voort zonder de noodzaak van een plot en is tegelijk de methode om de herinneringen op te diepen. Zoals Perec in het nawoord bij zijn versie schrijft, na een tijdlang ophalen van herinnering komen de schijnbaar vergeten details ongecontroleerd naar boven gutsen.

Na een tijdlang ophalen van herinnering komen de schijnbaar vergeten details ongecontroleerd naar boven gutsen.

Uit Brainard’s boek komt het beeld naar voren van een typisch Amerikaanse jeugd in de jaren vijftig, die overgaat in een besef van homoseksualiteit gevolgd door een losbandig kunstenaarsbestaan. Er zijn plaats- en tijdgebonden herinneringen zoals: ‘I remember my father in black-face. As an end man in a minstrel show.’  Een herinnering die direct overgaat in een historisch gegeven:  ‘I remember when Negroes had to sit at the back of the bus.’ Maar er zijn ook zeer herkenbare kinderfantasieën: ‘I remember fantasies of everyone in my family dying in a car wreck, except me, and getting lots of sympathy and attention, and admiration for being so brave about it all’ en persoonlijke herinneringen en twijfels: ‘I remember wondering why, since I am queer, I wouldn’t rather be a girl.’ Sommige herinneringen zijn voor iedereen herkenbaar, andere alleen voor tijdgenoten en nog weer andere enkel voor Joe Brainard.

De door Brainard bedachte vorm past wonderlijk goed in het oeuvre van Georges Perec. Perec schreef bijna al zijn werk met strenge vormvereisten; het meeste extreme voorbeeld is La disparition (1969, vertaald als ‘t Manco), zijn befaamde roman waarin de letter ‘e’ niet voorkomt. Daarnaast stelt de Fransman in het essay Nader tot wat? (1973) al dat er te weinig belangstelling is in de literatuur voor het vanzelfsprekende, alledaagse en banale. Juist schijnbaar triviale herinneringen die een generatie vormen en verbinden zoals gebaren, gewoontes, mode, rages, populaire liedjes, films en beroemdheden zijn even belangrijk als, misschien wel belangrijker dan herinneringen die individuen van elkaar scheiden. Perec herinnert zich de gaatjes in metrokaartjes, namen van klasgenoten, dat Warren Beatty het kleine broertje van Shirley MacLaine is, Parijse bioscopen die niet langer bestaan, de dag dat Japan capituleerde, de hoelahoep en de jojo.

In Je me souviens heeft Perec één belangrijk element toegevoegd aan Brainards vorm van herhaling en opsomming: de herinneringen zijn genummerd. Zodoende is de opsomming ook een lijst geworden. ‘In het denkbeeld dat er op de hele wereld niets zo uniek is dat het niet in een lijst kan worden ondergebracht, steekt iets opwindends en verschrikkelijks tegelijk,’ schrijft Perec in 1972, kort voordat hij begint met het verzamelen van herinneringen voor Je me souviens. Die opwinding slaat over op de lezer die met het lezen van deze boeken beseft dat haar herinneringen samenvallen met die van een vreemde. Dat ook haar leven wellicht weergegeven zou kunnen worden in een lijst.

De opwinding slaat over op de lezer die met het lezen van deze boeken beseft dat haar herinneringen samenvallen met die van een vreemde.

Waarom zouden we deze boeken, veertig jaar na dato, nog steeds lezen? Om twee redenen. Ten eerste laat het zien dat er zoveel meer mogelijk is in literatuur dan realistische romans waarin de hoofdpersoon een karakterontwikkeling doormaakt. Ten tweede belicht deze methode, in tegenstelling tot wat je zou verwachten bij literaire vormexperimenten, essentiële kenmerken van alle mensen. Kenmerken die niet individueel zijn, maar bij uitstek collectief. Het toont dat er boeken mogelijk zijn die relevant zijn voor elk individu en tegelijkertijd de intense preoccupatie met individualiteit van onze maatschappij werkelijk weten te ontstijgen.

Veel hedendaags Nederlands proza zet in op identificatie van de lezer met, of juist afkeer van, ronde en duidelijk afgebakende personages. Deze conventionele vorm van realisme verdringt de talloze andere manieren waarop de lezer bij een tekst kan worden betrokken. Door de focus op productie van makkelijk leesbare en goedverkopende literatuur lijkt een heel spectrum van onze werkelijkheid niet langer onderzocht of weergegeven te worden. Op het ogenblik lijkt in poëzie veel meer mogelijk, simpelweg omdat het een kleine, gespecialiseerde en weinig winstgevende markt is. Het is dan ook geen toeval dat de meest recente toevoeging aan de serie boeken die gebruik maken van een opsomming van herinneringen, Niemand had er enig idee van wat er aan de hand was van Jeroen van Rooij, een dichtbundel is.

Eerder publiceerde deze jonge Nederlandse schrijver twee romans, dit is zijn eerste dichtbundel. De eerste helft van de bundel, Niemand had er enig idee van, is in het gebruikelijke hedendaagse vrije vers. Het tweede deel, wat er aan de hand was, is precies in de eerder besproken vorm: elke zin begint met ‘ik herinner me’. De herinneringen zijn onder meer resultaten van zoekopdrachten op internet, maar ook ingebracht door bevriende dichters. Bovendien komen fragmenten uit de gedichten van het eerste deel terug als herinneringen in het tweede deel. Deze methode laat zien dat herinneringen niet zonder meer het meest individuele onderdeel van een persoon hoeven zijn, het zijn precies ook herinneringen die maken dat een mens onderdeel is van een collectief. Een collectief bovendien, dat gedeeltelijk toegankelijk lijkt te zijn via het internet en nu aan de lezer wordt gepresenteerd door middel van poëzie.

Het zijn herinneringen die maken dat een mens onderdeel is van een collectief.

Hiermee heeft Van Rooij de vorm niet simpelweg overgenomen, maar zich eigen gemaakt. Daarbij heeft hij het onderzoek naar de relatie tussen het individuele en collectieve geheugen actueel gemaakt door het internet – de vergaarbak van onze meest algemene, persoonlijke en banale herinneringen – te incorporeren in zijn werk. Zelfs, of vooral, als we als lezer niet weten wie zich herinnert en ook niet altijd wat er precies herinnerd wordt. In dit werk herinnert iemand zich Adrie als een positief ingestelde en meelevende collega, de verzorgingsstaat, de eerste kus (meerdere keren), het voornemen nooit burgerlijk te zijn, de daaropvolgende ruzie in de IKEA en 11 september 2001.

Waarom vormexperimenten? Om de simpele reden dat vormexperimenten in staat zijn iets teweeg te brengen dat andere elementen in tekst (beschrijving, plot) niet kunnen. Om een voorbeeld te geven: stream of consciousness, ontwikkeld rond 1900 en bekend geworden in de jaren twintig door het werk van auteurs als Virginia Woolf en James Joyce was niet alleen een vernieuwend stijlmiddel, het toonde de moderne lezer wellicht voor het eerst de verwarring en tegenstrijdigheid van zijn eigen gedachten.

De verschillen tussen de drie besproken boeken ontkrachten het idee dat ieder vormexperiment slechts éénmaal met succes uitgevoerd zou kunnen worden. Dat een nieuwe vorm niets meer toe te voegen heeft nadat de nieuwigheid ervan af is. Deze serie laat juist zien dat vormexperimenten twee dingen tegelijk kunnen: een dwingende vorm bieden en een rijkdom aan inhoudelijke overwegingen open laten. Bainard, Perec en Van Rooij laten met de vorm van hun tekst zien dat het subject poreus is, dat we evenzeer gedeeltelijk samenvallen met als verschillen van vreemden. Maar ook dat de complexiteit van het leven of een tijdperk niet uitsluitend in de vorm van een narratief weergegeven kan worden, maar evengoed opgesomd in een lijst. Vormexperimenten leveren niet alleen vaak spannende teksten op, in het ideale geval laten ze ook nieuwe soorten argumenten en perspectieven zien.

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie
  • Roos Geerse,

    "Op het ogenblik lijkt in poëzie veel meer mogelijk, simpelweg omdat het een kleine, gespecialiseerde en weinig winstgevende markt is."

    Misschien, maar daarom heb ik ook het initiatief genomen voor The Social Bookcompany. Schrijvers die ondanks hun talent geen gewone uitgever kunnen vinden, bijvoorbeeld omdat ze te experimenteel zouden schrijven, kunnen via dit platform hun al dan niet zelfuitgegeven boek onder de aandacht brengen van een groter publiek of (via de uitgeverij De boekenmakersbende) een betaalbare editie laten maken waaraan ze zelf ook nog iets overhouden.

     

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven