Flickr / Arch'educ

In het Hoofd

Mijn vrienden. Heb ik ze of zijn ze het? Dat weet ik niet.

‘Frank’, wordt er geroepen.

‘Ja’, antwoord ik. Vanaf beneden klinken de stemmen altijd dof en gesmoord. Deze keer weet mijn moeder me echter met opvallend heldere stem te bereiken. Het kan verkeren. Ik vind het normaliter niet erg een beetje te schreeuwen. Ik verbeeld mij dan hoe de geluidsgolven mijn kamer uitzweven. Via een hoekje langs de deur de overloop op, rechtsaf en dan de trap af, halverwege de trap het eindpunt van het eerste, meer bescheiden gebrul passerend. Zouden de concurrerende bundels geluidgolven elkaar op hun weg toeknikken? De tweede misschien wel met een licht cynische twinkeling in de ogen omdat-ie luider is en  verder reikt?

‘Kom je eten?’, specificeert mijn moeder haar eerste opmerking. Nog altijd klinkt ze helderder dan ooit tevoren.

‘Ligt er aan wat we eten’, treiter ik terwijl ik al aanstalten maak om af te dalen. Het is een zinloze opmerking. Het ontbijt is de minste variabele onder de spijzen. Ik eet doorgaans in ieder geval hetzelfde. Elke dag een gelijk ontbijt. Beneden aan tafel wordt mijn hypothese bevestigd. De rest van het gezin heeft het bestek al in de aanslag. Broer, zus, vader, moeder.

Het ontbijt heeft bij ons thuis niet veel om het lijf. Toch is het vaak gezellig, soms niet. Vandaag was het goed. Ik blijf na het ontbijt altijd wat hangen. Het gezever van die ouwe bevalt me wel. ‘Ach Frank, het leven is net een gekookt eitje,’ zemelt mijn pa. Ik verwacht weer een van zijn kloeke metaforen.

‘Hoezo? Ik eet andermans leven niet en niemand het mijne. Voor zover ik weet althans.’

‘Zo bedoel ik het niet, Frankemans. Ik bedoel dat iedereen gekookt wordt. De kern wordt steeds harder naarmate de tijd vordert.’

‘Sterke metafoor, pa,’ zeg ik en maak een dusdanige buiging met mijn stem dat duidelijk wordt dat het gesprek afgelopen is. Het is wel een aardige kerel, die ouwe. Melancholisch, lui als het past. Voor de helft lijk ik op hem. De luiheid heb ik echter verbannen. Wel wordt bij tijd en wijle mijn activiteit getemperd door neerslachtigheid. Misschien ben ik wel lui, terwijl ik denk dat ik neerslachtig ben. Een soort afgeleide luiheid. Het gebeurt weleens dat ik actief ben en dan net iets te lang een object of een gebeurtenis bekijk. Dan kruipt mijn relativeringsvermogen omzichtig uit de duisternis van mijn binnenste. Het slaat zijn fluwelen, moordlustige klauwen om mijn perceptie.

Ik zie bijvoorbeeld een auto en denk dan: er zijn veel auto’s en ze zijn allemaal van staal. En staal leeft langer dan mensen, want het leeft niet. Ik moet dan bekennen dat die auto met zijn staal misschien wel meer voorstelt dan ik. Want ik leef wel, omdat ik sterven kan. Het staal was er al, is er nog, blijft er ook. Weliswaar in deze of gene hoedanigheid, maar dan nog. Misschien ontbind ik wel en word ik iemand anders, maar ik ben ook mijn bewustzijn en die is weg bij ontbinding. Het bewustzijn heeft kennelijk een broertje dood aan ontbinding. Het is nooit bij een ontbondene teruggekeerd. Natuurlijk, er zijn er onder ons, mensen, die herinneringen hebben uit vorige levens. Dat moeten wel mensen met een heel slecht geheugen zijn.

Na het ontbijt ga ik naar buiten. De vrieskou in. Mijn adem dampt en de ruiten van de auto’s zijn bevroren. Bomen staan er kaal en verlaten bij. De schors moet huilen van binnen. Zijn groene vrienden hebben hem verlaten en keren in lente weer. Zullen het dezelfde zijn, zal de schors het weten?

Maar de vrieskou is eerlijk. Je verwacht nooit meer van de vrieskou dan-ie je geeft. Hij kan een beetje prikken of zelfs steken, maar je had het altijd verwacht. De zon, daarentegen, is een verrader. Als-ie niet doet wat je van hem verwacht, dan stelt-ie je teleur. Je gaat er altijd op achteruit in zulke gevallen. Hij dwingt je in het uiterste geval tot naaktheid en kan je dan grondig te grazen nemen met onzichtbare, meedogenloze stralen. De vrieskou doet dat niet, bij hem is minder altijd beter.

‘Dag mevrouw Hutteldorp. Ik kom voor Boris.’ Ik heb zojuist aangebeld bij het huis van mijn vriend Boris. Eigenlijk wil ik altijd ‘vrind’ zeggen. Dat is te ouderwets voor deze eeuw.

‘Ik zal hem even roepen,’ zegt zijn moeder mij met volle, bedeesde stem. Zullen nu ook hier de geluidsgolven gaan als bij mij thuis?

‘Ha die Frank!’

‘Boris!’ In ons beider stemmen klinkt enthousiasme. We hebben elkaar een tijdje niet gezien. Je wordt niet altijd enthousiast als je mensen lang niet hebt gezien. Maar nu wel. Boris is een vriendelijke vent. Trouw als een hond, humoristisch, een stem als een marktkoopman. Soms heb ik met hem te doen. Zijn gezette postuur en klunzige motoriek maken hem niet zo populair bij de meisjes. Hij houdt niettemin wel van meisjes, net als ik. Wij houden samen van meisjes.

Eenmaal binnen zetten we ons aan een‘bakkie’ en mevrouw Hutteldorp brengt een stukje taart. ‘Moet je goed doen,’ denk ik. Niet hardop godzijdank. Slechts zelden kan ik mijn cynische inborst onderdrukken. Dat is jammer, maar zolang het breinstemmetje geen echte stem wordt heb ik er vrede mee. Het zou ook kunnen dat het cynische stemmetje de handlanger is van mijn relativeringsvermogen. Twee handen op één buik.Wat betekent dit in het licht van mijn vaders quasi-literaire metafoor?

‘Nog nieuws van het front, Frank?’ ‘Nieuws van het front’ wil zoveel zeggen als hoe staat het met de meisjes. We praten graag over meisjes. Ook over vrienden, maar daar weten we niet zo veel van. Niet wie het zijn, niet wie het worden.

Het is al een tijdje vredestijd, Boor.’

'Ja, bij mij ook. Soms kijk ik wel naar een stel ogen en dan zie ik de waarheid en de oneindigheid tegelijk. Een ware godservaring.’

‘Ja, ze martelen ons, makker. Elke keer die zachtjes wiegende heupen en deinende borstjes, charmante handgebaartjes en minzame lachjes.’ Als ik over meisjes praat gebruik ik altijd verkleinwoorden. En ook clichés trouwens. De enige situatie waarin het gebruik van beide geoorloofd is. Vergeleken bij meisjes is al het andere grof, vierkant en onvolkomen.

We bomen nog een beetje door tot het werkelijk tijd is om te gaan.

Thuis aangekomen ruik ik de geur van eten. Mijn moeder kan goed koken. Ik doe de deur van de woonkamer even open. Mijn vader drinkt een glas witte wijn en zit met zijn benen over elkaar. Ik groet en ga naar mijn kamer. Er dient nog het één en ander gelezen te worden. Walter Benjamin, dat gaat wel even duren. Ik begrijp er meestentijds geen snars van. Om te beginnen zet ik een muziekje op. Rock. Ik ga dan zitten in mijn leesstoel. Het is geen echte leesstoel, het is wel de stoel waar ik altijd in zit als ik lees.

Na luttele minuten lezen houd ik even stil. In de Eenrichtingsstraat zijn inmiddels tientallen strofen vernietigende maatschappijkritiek de revue gepasseerd, als mijn aandacht wordt getrokken door de vocalen van de muziek. Een zanger zingt: ‘Today I’ve found my friends, they’re in my head.’ Dat is hebben noch zijn.

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie
  • Heel goed! Meer!?
    "Als ik over meisjes praat gebruik ik altijd verkleinwoorden. En ook clichés trouwens. De enige situatie waarin het gebruik van beide geoorloofd is. Vergeleken bij meisjes is al het andere grof, vierkant en onvolkomen."

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven