Flickr / Children's Bureau Centennial

Ingrijpende veranderingen aan de pensioenhorizon

Afgelopen vrijdag stapte Henk Krol op nadat bleek dat hij in zijn tijd als directeur van de Gay Krant geen pensioenpremie betaalde voor zijn werknemers. Als fervent strijder voor de kwaliteit van pensioenen, vooral die van huidige gepensioneerden, werd hij door dit schandaal gedwongen om zijn positie als fractievoorzitter van 50Plus op te geven. Dit was echter niet de enige commotie rondom pensioenen de laatste tijd. Eind september publiceerde De Volkskrant een ingezonden brief van Yvonne Hofs, gericht aan verongelijkte 60-plus’ers die klagen over hun pensioenen. Zij betoogde hierin dat in tegenstelling tot wat veel senioren denken, het juist de werkenden die het meest de klos zijn, en dan in het bijzonder de jongeren.

Maar eigenlijk is dit hele jaar veel te doen over pensioenen. De overheid werkt momenteel aan een aanpassing van ons pensioenstelsel en eind mei presenteerden de politieke jongerenorganisaties van VVD, PvdA en D66 hun plannen voor een nieuw pensioenstelsel. Voor veel jongeren echter is het pensioen nog ver van hun bed. Bovendien is het een ingewikkeld onderwerp waar ze zich niet teveel in verdiepen. Toch is het een erg belangrijke kwestie, vandaar dat ik duidelijkheid wil proberen te verschaffen over de voorgestelde veranderingen. Vandaag ga ik in dit eerste deel in op de plannen van de overheid, waarna ik volgende week inga op de plannen van de jongerenorganisaties.

Negentig procent van de Nederlandse werknemers is gedekt door de “tweede” pijler middels een aanvullende pensioenregeling via hun werkgever. De premies worden meestal voor twee derde door werkgevers betaald en voor een derde door werknemers. Deze premies worden vervolgens door de pensioenfondsen belegd om de pensioenen daaruit te betalen. Ook is er nog een “derde pijler” van individuele aanvullende pensioenregelingen, bijvoorbeeld om een pensioengat te dekken of eerder met pensioen te gaan. Dit kan gedaan worden door bijvoorbeeld lijfrenten of levensverzekeringen.

Na je pensionering op je 71e heb je nog ruim 18 jaar te gaan, net als iemand die nu op zijn 65e met pensioen gaat.

Qua geplande veranderingen gaat ten eerste de AOW-leeftijd omhoog voor iedereen die op 1 januari 1948 of daarna is geboren. Wie daar voor is geboren ontvangt vanaf zijn of haar vijfenzestigste AOW, daarna is het later. De coalitiepartners zijn vorig jaar overeengekomen dat de AOW-leeftijd stapsgewijs omhooggaat naar zesenzestig jaar in 2018 en zevenenzestig jaar in 2021. Vanaf 2024 wordt de AOW-leeftijd echter gekoppeld aan de levensverwachting, die telkens vijf jaar van te voren zal worden vastgesteld. Iedereen die in 1957 of later is geboren zal dus pas vanaf 2019 weten wanneer zijn of haar AOW precies ingaat, maar kan in ieder geval rekenen op een datum na de zevenenzestigste verjaardag. Staatssecretaris van Financiën Weekers stelde onlangs in een brief dat jongeren van vijfentwintig er op mogen rekenen dat ze pas na hun eenenzeventigste jaar AOW zullen gaan ontvangen. Vroeger stoppen zal resulteren in een lager pensioen.

Een andere belangrijke verandering in de huidige plannen rondom pensioen is de verandering van het zogeheten Witteveenkader. Het gaat specifiek om twee van de parameters binnen die regeling. Ten eerste gaat de pensioenleeftijd voor aanvullend pensioen per 2014 van vijfenzestig naar zevenenzestig jaar. Een ander aspect, waar in de media nu veel over te doen is, onder meer omdat de sociale partners met een alternatief voor de aanpassingen mochten komen, zijn de fiscaal gefaciliteerde opbouwpercentages. Dit gaat om het feit dat werknemers over de opbouw van hun pensioen geen belasting betalen (wel over de pensioenuitkeringen), maar daar zit een plafond aan. Dit plafond zal wellicht worden verlaagd, waardoor mensen minder pensioen opbouwen.

Net als bij de AOW wordt aanvullend pensioen elk jaar opgebouwd. De richtlijn voor aanvullend pensioen is nu om een vervangend oudedaginkomen te bieden van zeventig procent van het laatst verdiende loon (eindloon). Dit is geen honderd procent, omdat zaken als kinderen opvoeden op die leeftijd niet meer aan de orde zijn. Maar tot nu zijn we er van uitgegaan dat je een pensioen met vijfendertig jaar werken kon verdienen, dus was het opbouwpercentage net als bij de AOW 2%. Wanneer men rekent met niet een eindloon maar met het gemiddelde inkomen over het werkende leven (middelloon), is dat percentage momenteel 2,25%. Het loon is typisch gezien lager aan het begin van de carrière, dus is dat opbouwpercentage iets hoger.

Dat kan in de huidige discussie als oneerlijk tegenover jongeren worden ervaren, maar dat is een noodzakelijkheid.

Zoals het er nu uitziet gaan deze percentages de komende jaren veranderen. Voor eindloon regelingen wordt het percentage vanaf 2015 mogelijk 1,5% en voor middelloonregelingen 1,75%. Over een carrière van veertig jaar is dat dus zestig procent van het laatst verdiende loon of zeventig procent voor middelloonregelingen. Het huidige streven van zeventig procent van het laatst verdiende loon lijkt daarmee dus losgelaten. Het verlagen van de opbouwpercentages betekent dat er minder geld in de pensioenpotten verdwijnt en dus op de korte termijn meer besteed kan worden, terwijl de belastingdienst minder geld misloopt. Alleen is de pensioenopbouw de pineut.

Maar de opbouw hangt ook af van de werkgeschiedenis. Als de pensioneringsleeftijd voor huidige jongeren waarschijnlijk op eenenzeventig jaar ligt, dan is er ook meer tijd om op te bouwen. Iemand die de arbeidsmarkt op zijn of haar twintigste betreedt, moet eenenvijftig jaar werken en bouwt dus 76,5% van het eindloon of 89,25% van het gemiddelde loon op. Wanneer men, bijvoorbeeld door studeren, pas op vijfentwintigste jaar begint met werken, zijn deze percentages respectievelijk 69% en 80,5%. Wil men al met zevenenzestig jaar stoppen, dan komt men in alle gevallen op tussen de zes en zeven procentpunten lager uit. Over het geheel genomen is dus het ‘zeventig procent van het eindloon’ principe niet echt losgelaten, we moeten er alleen een jaar of tien langer voor werken. Dat kan in de huidige discussie tussen jongeren en ouderen aangemerkt worden als oneerlijk tegenover jongeren, maar het is hoe dan ook een noodzakelijkheid.

De levensverwachting stijgt namelijk ook. De gemiddelde levensverwachting voor een vijfenzestigjarige in 1980 was voor mannen/vrouwen 14,30/18,79 jaar en in 2011 18,30/21,30 jaar. De prognoses voor 2040, het horror-jaar voor veel demografische doemdenkers, is 22,53 jaar (voor mannen en vrouwen samen genomen). Rond 2060, wanneer veel van de huidige jongeren met pensioen gaan, is dit 24,83 jaar. Dus dan heb je na je pensionering op je eenenzeventigste nog ruim achttien jaar te gaan, net zolang als iemand die dit jaar op zijn vijfenzestigste met pensioen gaat. Zo oneerlijk als soms beweerd wordt is het dus nog niet. We zullen langer moeten werken, maar met een pensioenleeftijd van vijfenzestig zouden we straks in 2060 bijna vijfentwintig jaar achter de geraniums zitten! Een mens zou zich helemaal kapot vervelen!

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven