Elné/Flickr

Interlaken

Er is iets vreemds aan de hand met de lucht. Ik zie het voor het eerst als we de tunnel uit komen. Mijn vriendin rijdt, ik zit in de bijrijdersstoel en word overgoten door een soort roze licht, maar anders dan dat het licht weleens roze kan zijn als de avond valt, scherper en, al klinkt dat misschien wat vaag, doelgerichter – het is een doelgericht soort licht.
Ik wijs naar boven en zeg moet je die lucht zien. Mijn vriendin kijkt, zwijgt en knikt.
‘Vreemde lucht, toch?’ zeg ik nog eens.
Mijn vriendin knikt nog eens. Zonder te praten, nu ook zonder te kijken.
‘Het komt wel goed, lieverd,’ zeg ik. ‘Als we daar zijn, gaan we even naar de dokter.’
Soms denk ik aan alles wat ze heeft mee moeten maken, mijn vriendin. Allereerst de onverklaarbare kwaaltjes, de ziektes die geen naam mochten hebben. Hoofdschuddende neurologen, schouderophalende machines. Daarnaast de mensen die bij bosjes uit haar leven verdwijnen, eerst dichtbij en later steeds verder weg, als lantaarns die achter elkaar uit knippen totdat de straat donker is.

Er is iets vreemds aan de hand met de lucht

Uiteindelijk zal er maar één ding zijn dat je niet overleeft. Dat vertel ik haar soms, dat ik dat een troostend idee vind. Zij vindt dat geen troostend idee. Dat betekent dat er nog een heleboel te overleven valt voordat je eindelijk de handdoek in de ring mag gooien, zegt ze.
Ik knijp in haar hand. Ze haalt hem er een beetje boos vanaf en wijst naar de pook. Gevaarlijk, bedoelt ze. Mijn vriendin moet spaarzaam zijn met haar woorden, maar ik begrijp haar zo ook goed genoeg.
Maar die lucht. Geen gelaagdheid, geen vervorming door wolken of wind. Geen vogels, geen vliegtuigen. Alsof iemand ergens daarboven op de knop roze heeft gedrukt. Ik stel mij voor dat het een lichtbak is en dat er ergens achter de bergen een reuzendokter woont die er röntgenfoto’s zo groot als eilanden op plakt.
‘Héél vreemd,’ zeg ik.
Mijn vriendin begint te huilen. Ze parkeert de auto aan de kant van de weg en drukt haar gezicht in het stuur. De claxon galmt langs de bergen. Ik blijf zitten en kijk goed of er niet ergens een bordje staat met pas op voor vallende stenen, of iets dergelijks.
Mijn vriendin leunt achterover. Ik leg mijn hand in haar nek en masseer één van de knobbeltjes van haar ruggengraat. Ze hoeft niets te zeggen.
‘Het spijt me, liefje,’ zeg ik. ‘Ik zal niets meer over de lucht zeggen.’

Een reuzendokter die er röntgenfoto’s zo groot als eilanden op plakt

Ze begint weer rustiger te ademen en werpt haar hoofd tegen mijn schouder aan. Dat doet ze wel vaker: als ze klaar is met verdrietig of boos zijn, werpt ze haar hoofd met volle vaart tegen mijn schouder aan. Dan blijft ze een poosje zo liggen, droogt haar tranen en gaat verder.
Mijn vriendin houdt van rijden. Soms staat ze ’s avonds op van de bank en zegt ze: ‘Ik ga weer een eindje.’ Dan knijp ik met mijn ogen naar haar, zo van is goed en dan zie ik even later de repen licht van de koplampen langs de muren over elkaar heen klimmen. Het komt weleens voor dat ze niet meer op kan houden met rijden. Dan blijft ze volslagen gebiologeerd achter het stuur zitten, alsof een onzichtbare hand haar vooruit duwt.
Meestal eindigt ze in Duitsland. Altijd het oosten.
Ik heb haar weleens gevraagd of het met controle te maken heeft. Dat alles in haar leven aan het lot overgelaten lijkt te zijn, maar dat ze tijdens het rijden in ieder geval de touwtjes in handen heeft. Dat ontkende ze naar hartenlust, wat doorgaans betekent dat ik gelijk heb.
Mijn vriendin start de motor. De warmte lijkt door het dashboard te komen, ze linieert haar ademhaling met het geronk. Een voor een tilt ze haar vingers op en pakt dan het stuur stevig vast. Ik kijk nog een laatste keer naar de lucht. Iets waarover we niets te zeggen hebben.

Meer Verhalen
Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Reacties zijn gesloten.

Naar boven