Flickr / Rachel Kramer

Een jas uitdoen II

De vrijdag voor de kerstvakantie is de koudste dag van het jaar. Min elf is het als ik ’s ochtends om zeven uur op de fiets naar school vertrek. Ik rij de heuvel af en stop bij het elektriciteitshuisje om de oude ski-muts en de gevoerde wanten die mijn moeder me meegaf in mijn rugtas te stoppen. Vastberaden ook deze proef te doorstaan, opnieuw een grens te verleggen.

Maar het gaat minder makkelijk dan verwacht. Na tien minuten kan ik mijn vingers nog nauwelijks strekken om de handrem vast te pakken, niet veel later ben ik definitief over een kantelpunt heen als alles wat niet door kleding wordt bedekt onheilspellend begint te tintelen. De pezen in mijn vingers trekken strakker en strakker, mijn botten voelen als hulsjes gevuld met bijtend chloor. Het beneemt me de adem, maakt dat ik voorovergebogen ga fietsen, alsof alles in mijn lichaam zich naar mijn handen toe wil buigen, alsof alles zich aanspant om de pijn af te leiden, te verdelen.

Vastberaden ook deze proef te doorstaan

Ik denk aan mijn vader. Aan hoe hij in de brandende zon het hoge gras in de achtertuin afmaait met een zeis. Aan hoe hij urenlang in hetzelfde ritme, dezelfde beweging maakt. Aan het zweet dat van zijn gezicht afgutst, het doorweekte, grijze werkshirt dat aan zijn magere bovenlijf kleeft. Als je alleen maar denkt aan het moment dat er een einde komt aan je pijn, zegt hij, dan verkleint je belevingswereld zich tot de ondraaglijkheid van dat gevoel. Beter hou je jezelf voor dat het, hoe hels ook, tot in de oneindigheid zal duren. Wanneer je je aan die gedachte overgeeft, zul je zien dat de pijn onmiddellijk draaglijker wordt, want pijn is niets meer dan een jas, en een jas kun je uitdoen.

Op school aangekomen tref ik een wereld aan waar ik geen onderdeel van uitmaak. Ik sluit me op in de wc’s en wil het eerste kwartier niets anders dan me van mijn handen ontdoen. Ik wil dat iemand ze eraf snijdt, de pezen doorbijt, ik wil mijn kop tegen de stortbak klappen, mijn borstkas tegen de betegelde betonmuur rammen, ik wil dat iemand me met volle kracht in mijn gezicht stompt. Op adem gekomen wrijf ik de ijspegeltjes uit mijn wenkbrauwen en voel ik dat mijn haar bevroren is. Tijdens het eerste lesuur loopt het smeltwater in straaltjes over mijn gezicht, als minuscule gletsjers.

 *

Hans herhaalt dat het zaak is de neus goed dicht te knijpen, de kin op te heffen en vooral rustig te blijven. Hans zegt dat reanimeren niet meer is dan het overbruggen van tijd tot de ambulance komt, in maar zes procent van de gevallen start reanimatie het hart weer op. Hans zegt ook dat er mensen zijn die niet gereanimeerd willen worden, maar die mensen zijn gek.

Pijn is niets meer dan een jas, en een jas kun je uitdoen

Om te slagen voor het examen moeten we het allemaal nog een keer voordoen voor de groep. We wisselen in stilte van plek, voeren de bewegingen uit die van ons worden gevraagd. Hans bromt soms wat vanaf de kant en als ik moet, en mezelf hardop 26, 27, 28, 29 hoor tellen, twee handen op de borst van kleine Annie, probeer ik niet aan mijn vader te denken en aan het briefje in zijn portemonnee dat hij me ooit liet zien tijdens een vakantie in Andalusië. Het was een halve post-it die hij met stukjes plakband had proberen te plastificeren. Reanimeer mij niet stond er op, met daaronder zijn handtekening. Toen hij met pensioen ging liet hij dezelfde tekst op een dog tag ponsen die hij sindsdien dag en nacht onder zijn bovenkleding draagt.

 *

Ik heb veertig graden koorts en de wereld is al dagen achter mijn rug verdwenen. Alles speelt zich af tussen mij en de leuning van de bank. Het grootste gedeelte van de tijd voel ik me het middelpunt van een onevenwichtig universum: planeten draaien steeds sneller om hun as, ze maken onvoorspelbare banen rond mij, rond elkaar, er brandt een zon die op de gekste momenten gloeiend heet wordt. Wanneer ik mijn mond open, schuren mijn tanden als slijpsteentjes tegen de binnenkant van mijn lippen, overal proef ik losse vellen, plak, slijm, snot. Mijn moeder probeerde een eeuwigheid geleden mijn tanden te poetsen, maar ze mocht me niet aanraken. Ik moest kokhalzen van de mentholgeur, kreeg mijn kaken niet ver genoeg van elkaar om de borstelharen ertussen te laten.

Mijn vader verschijnt. Hij laat het licht uit, sluit zachtjes de deur en gaat zitten aan het voeteneind. Ik voel hoe het gewicht de bank aan zijn kant naar beneden drukt, mijn universum kantelt. De planeten rollen met een ontzagwekkende kracht mijn vaders kant op, als knikkers op een hellend vlak.

‘Hoe voel je je?’ Vraagt hij. Hij haalt de klam geworden handdoeken van mijn voeten en wikkelt er nieuwe omheen. Deze zijn koud, hij heeft ze natgemaakt en kort in de vriezer gelegd. Koorts zit volgens mijn vader in de voeten en moet dus daar getemperd worden.

Er zijn mensen die niet gereanimeerd willen worden, maar die mensen zijn gek

‘Alsof ik doodga,’ zeg ik. ‘Waarom komt er geen dokter?’

‘Je hebt geen dokter nodig, lieverd. Je lichaam is veel sterker dan je denkt.’

Ik voel dat ik huil, niet aan mijn ogen maar aan het branden van mijn vlekkerige huid zodra het zoute water eroverheen gaat.

‘Ik wil naar de dokter.’

‘De koorts is al veel minder dan gister.’

‘Ik wil...’

‘Geloof me, je doet het heel erg goed.’

Zijn koppigheid maakt me razend, maar ik heb geen kracht om me te verzetten. Ik sluit mijn ogen en voel hoe hij de handdoeken nog wat strakker om mijn voeten spant, de deken verwisselt, mijn kussens opklopt. Ik hoor hoe hij het bijzettafeltje leegruimt en geruisloos verdwijnt.

*

Wanneer ik op mijn drieëntwintigste verjaardag vlak boven het gezicht van mijn vader hang, besef ik dat ik nog nooit zo dicht bij hem ben geweest als nu. Er zweeft een vreemde intimiteit tussen onze monden. Ik duw mijn lippen onhandig op de zijne en kan me niet ontdoen van het ongemakkelijke gevoel dat ik iets doe met mijn vader wat op kussen lijkt. Dat ik, of het kussen is of niet, iets doe met mijn vader wat hij niet wil.

Het zilveren kettinkje waar de penning aan vastzit steekt zoals altijd boven de rand van zijn T-shirt uit. Reanimeer mij niet. Die drie woorden zijn het bewijs dat mijn vader onder alle omstandigheden overgeleverd wil worden aan de wetten van zijn eigen lichaam, legde hij mij meermaals uit, en ook al ben ik het met die wetten nog nooit zo acuut oneens geweest als nu, wanneer ik aan de tweede reeks compressies wil beginnen, is alle kracht uit mijn armen weggevloeid.

Ik kijk naar hem. Naar deze versie van mijn vader. Het gerimpelde vel van zijn handen, de zondagse schoenen, het piekerige haar, zijn lichaam zo vreemd rustig zonder ademhaling – en ik weet niet of het me verrast of beangstigt dat er niets wordt doorstaan of op de proef gesteld. Niets gekoesterd of omarmd. Uit zijn gezicht is simpelweg iets weggevaagd, uitgegumd.

Reanimeer mij niet

Na een tijdje haal ik mijn handen van mijn vaders borst. Ik leg ze in mijn schoot, draai me om en voel me tien jaar oud. In de kamer zijn de standbeelden ongemakkelijk gaan bewegen – een oom zet de muziek uit en belt op bedeesde toon de ambulance. De scherven van het gevallen schoteltje worden haastig opgeraapt en samen met de hond naar de bijkeuken gebracht, iemand trapt het laatste stukje appelcitroentaart dieper in het tapijt en bedekt mijn vaders bovenlichaam met een jas. Het ziet er gek uit, alsof ik mijn drieëntwintigste verjaardag vierde en mijn vader het alleen maar koud had.

De jas, mijn vaders favoriete werkjas, hangt van Ducttape aan elkaar en ligt verfrommeld op zijn borst. De mouwen kronkelen over de vloer als tentakels. Ik buig opnieuw over hem heen en strijk de jas glad, trek de mouwen recht over zijn armen heen. Ik haal het zilveren plaatje onder zijn vaders shirt vandaan, leg het duidelijk zichtbaar naast zijn oor.

Mijn moeder knielt naast me. Ook uit haar gezicht is iets verdwenen. Ze heeft nog altijd de droogdoek vast, ik neem hem van haar over. Kalm schikt ze mijn vaders haar, een pluk naar rechts, een pluk naar links, een pluk achter het oor. Ze pakt het plaatje vast, kijkt ernaar en legt het dan weer neer, op zijn schouder nu. Daarna laat ze haar hand rusten op mijn knie. Ze wrijft er zachtjes over heen terwijl we wachten.

Dit verhaal bestaat uit twee delen. Lees hier deel I.

 

Meer Verhalen
Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Reacties zijn gesloten.

Naar boven