Derrick Tyson / Flickr

Kerstdiner

Vijf jaar voor zijn dood begon mijn opa met sterven. Mijn familie plaatste hem in een verzorgingstehuis aan de rand van een stad waar ik nog nooit was geweest. Hij kreeg op de negende verdieping een kamer waar nog spullen stonden van de vorige bewoner – het bed was al verschoond.
Mijn moeder, oma en twee verzorgsters besloten dat mijn opa’s hoogtevrees geen problemen zou opleveren.
‘We zetten de stoel altijd met de rug naar het raam zodat ze niet zien hoe hoog ze zitten.’ De ene verzorgster sprak, de andere knikte. Ik vroeg me af wanneer deze truc ontdekt was – op welk moment het protocol was geworden.

Vaak had hij niet eens door dat ik zijn kamer in liep en tegenover hem ging zitten

Iedere vrijdagmiddag ging ik bij hem langs. Buurtbus, trein, streekbus. Het hoge, grijze gebouw naast een grote rotonde en een tankstation. De glimlachende receptioniste met overgewicht. In de hallen rook het naar gekookte eieren en schoonmaakmiddel.
Vaak had hij niet eens door dat ik zijn kamer in liep en tegenover hem ging zitten. Ik vertelde hem iedere keer over de busreis, het weer, het nieuws en het verloop van mijn studie. Hij bleef stil en staarde naar de televisie. Zelfs als deze uit was, bleef hij onverstoorbaar kijken naar het scherm, waarop in zijn beleving ongetwijfeld allerlei programma’s te zien waren.
Ik liep een keer zijn kamer binnen toen hij net werd omgekleed. Vier vette vrouwenhanden en een uitgebeende marionet. Op zijn lijkwitte benen meanderden spataderen, hier en daar samenkomend in meren van bloeduitstortingen. Opeens keek hij mij aan met een doordringende blik – alsof hij mij ergens voor wilde waarschuwen.

*

Drie weken voor mijn vierentwintigste verjaardag werd mijn moeder gebeld met de mededeling dat het plotseling erg slecht ging met opa en dat de familie zich moest voorbereiden op het ergste. Toen we aankwamen bij het verzorgingstehuis bleek het vals alarm te zijn. Mijn stiefvader zei: ‘Dan rijd je maar een keer voor niets.’
Een mensenleven is in sommige gevallen net een volle tank waard.

Een mensenleven is in sommige gevallen net een volle tank waard

Per e-mail kreeg ik van mijn moeder een uitnodiging om bij haar thuis met de rest van de familie kerstavond te vieren. Ik antwoordde dat ik die avond liever met opa doorbracht. Niet lang daarna kreeg ik een sms van mijn stiefvader. Of ik wist hoe erg ik mijn moeder had gekwetst met mijn opmerking. Een uur later belde mijn oma op, voor het eerst in mijn leven sprak ze tegen me met stemverheffing: ‘Je bent net zo erg als hij vroeger was.’
Op kerstavond leek de afdeling waar mijn opa woonde, verlaten. Geen families, kinderen of medewerkers die normaal gesproken druk door de hallen bewogen. Twee verpleegsters, vreemde vrouwen die ik daar niet eerder had gezien, zaten gefascineerd naar een programma op een commerciële omroep te kijken. Ze aten chips en dronken thee. Soms hoorde ik een lach door de gangen echoën. Ik zat op een stoel naast zijn bed en luisterde naar zijn onregelmatige ademhaling.
Hij overleed twee weken na dat bezoek. Een maand later volgde mijn oma. Hartinfarct. Na de uitvaart hoorde ik mijn stiefvader op de receptie aan mensen vertellen hoe gezellig het was geweest op kerstavond – hoe fijn het was dat de hele familie nog een keer bij elkaar was gekomen. Even maakten we oogcontact – hij schrok van mijn blik. Ik wenste hem dood, iets wat ik nooit eerder in mijn leven had gedaan.

Dit verhaal verscheen eerder in de bundel Een volstrekt nutteloos mens.

Meer Verhalen
Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Reacties zijn gesloten.

Naar boven