Mart van de Wiel

Komijngebraad

De aanvoerlijnen piepen. De karkassen rukken op met honderden tegelijk. Het ene een exacte kopie van het andere. Ze marcheren ondersteboven de grote hal binnen langs een gat in de muur van de sorteerhal hiernaast. De holte waar voorheen hun kop zat, hangt naar beneden. Bezoekers vragen altijd of de piepkuikens helemaal hol zijn vanbinnen. Dan pak ik er een van de aanvoerlijn, zodat ze kunnen kijken. Via de holte staren ze in een roze, klinische leegte. ‘Ah ja,’ murmelen ze dan, met lichte teleurstelling in hun stem, alsof ze hoopten nog ingewanden te zien of een spatje bloed tussen het gespikkelde roze. Vorige week zei een klein meisje met twee vlechtjes in haar haar en een pluchen vogel onder haar arm: ‘Mama, da’s toch geen echt piepkuiken.’ De moeder antwoordde: ‘Jawel, meisje, maar ’t zijn andere, voor op ons bord.’

Na twee uur is er een rookpauze. Dan is het hier stil. Maar in onze hoofden zwijgen ze nooit, de kettingen met de propere lijken, de scheurende ledematen, het gedempte gekakel in de slachthal verderop.
Om drie uur moet het gebeuren. Mijn mondmasker dampt aan omdat ik te veel adem.
‘Je mondmasker dampt aan omdat je te veel spreekt,’ zegt de vrouw naast mij. Ze heet Nigella. Ze is een exacte kopie van mij, behalve dan dat haar witte jas bol staat ter hoogte van de borst. Nigella is een vrouw. Mijn – nee.
‘Maar echt, peterselie bijvoorbeeld, helpt je van je stinkbek af. En van koriander kalmeer je, laat je minder scheten, en het verzacht je koppijn.’
We reiken tegelijk naar boven, naar de aanvoerlijn, naar de karkassen. We betasten ze met onze latex handschoenen. De kuikens zijn glibberig, precies zoals de richtlijnen voorschrijven. Glibberig en koud, met een doorschijnend witte vetlaag. Elk uur worden er verse exemplaren gebracht in een vrachtwagen, op elkaar gestapeld, zo’n vijftien per bak. Dan worden ze verdoofd, de keel overgesneden, opgehangen en gestroopt. Vervolgens worden ze gekoeld, daarna gesorteerd volgens omvang en vleeskwaliteit, tot ze bij ons komen. In deze hal scheiden we de ledematen van de romp. Nigella en ik trekken de vlerken los en leggen ze op de juiste plek op de band, zodat ze hiernaast vlotjes als vlerken kunnen worden verpakt. Onze poussins verlaten ons vleugelloos en trekken verder in de richting van een nieuwe postmortale marteling, waar zij billoos, kuitloos en borstloos zullen worden, tot er niets meer van overblijft. Soms moet ik ervan huilen. Straks, om drie uur, de volgende lading.

‘En saffraan, da’s een afrodisiac.’
‘Wat is een afrodisiac?’
‘Wel eh, je wordt er bronstig van.’
Ik gniffel. Nigella giechelt.
‘’t Is ook goed tegen de koorts, maar da’s bijzaak.’ Ze giechelt nog harder.
‘Je weet toch dat je genoemd bent naar een kruid, Nigella?’
‘Wat?’
‘Je bent genoemd naar een kruid, een oosters kruid. Zwarte komijn.’
‘Nee.’
‘Jawel, zwarte komijn en nigella, da’s hetzelfde. Je gaat er meer van zweten. En je produceert meer melk als je borstvoeding geeft. Heb jij eigenlijk kinderen?’
Ze antwoordt niet.
‘Trouwens, zwarte komijn is hier geen echte zwarte komijn.’ Ik kijk op mijn horloge. Twee voor drie. Om drie uur moet het gebeuren.
‘Ik…ik ben duizelig,’ stamel ik, terwijl ik naar de band staar waarop de vlerken vooruit schuiven. ‘Nigella, wat stinkt hier zo? Ik moet even…ik moet even lucht…’ Ik wurm mijn handen uit de latex handschoenen, trek mijn mondmasker bovenop mijn hoofd en loop naar de deur, die achter mij dichtvalt met een klap die bonkt in mijn slapen. Ik sta buiten uit te hijgen, voorovergebogen, met mijn handen op mijn dijen. Ik had niet verwacht dat de zon zou schijnen. Braadhitte. Ik voel de warmte van het beton door mijn schoenzolen in mijn voeten trekken.

Zie jij nog elke keer een levend kuikentje voor je? Zo heerlijk donzig en piepend?

Onnozel toch, dat de echte zwarte komijn uit Pakistan ons te hevig is en dat we in Europa daarom een afgezwakte variant hebben. We vinden de smaak en de geur niet te harden, we trekken onze neus ervoor op, niezen zonder schroom en zonder hand voor onze mond. Denk aan de hygiëne, overal! Zwakke komijn, noem ik het. Nigella, je bent een zwakke variant. Waarom houdt ze niet van me.
Vorige week vroeg ze: ‘Zie jij nog elke keer een levend kuikentje voor je? Zo heerlijk donzig en piepend onder de veren van de mama?’
‘Ja, elke keer.’
‘Je maakt het jezelf niet gemakkelijk.’
‘Elk karkas dat hier passeert, krijgt van mij een naam.’
‘Wat?’
‘Ja. Ik ken veel namen. Ik ken miljoenen namen, zomaar, uit het hoofd. Ik werk aan een plan.’
‘Een plan?’
‘Om het kuikenleven te eren.’ Ik voelde dat ze me een moment bezorgd aankeek. Daardoor miste ze een karkas, dat ik in haar plaats ontvlerkte.

Nog steeds voorovergebogen sluip ik langs de buitenmuur van de grote hal naar de oprit voor de laad-en losruimte. Ik duik achter een brede compostbak. Daarin wordt het slachtafval verzameld. Het weke vruchtvlees parelt in de zon. De geur heeft iets weg van look. Ik zit op mijn knieën in een plas bloed die onder de bak vandaan komt.
Ik leg mijn handen over de rand van de bak en steek mijn hoofd er net bovenuit, zodat ik de oprijlaan kan zien. De laad- en losman pakt een bak uit de camion, gaat de slachtruimte binnen en wacht daar tot de bak is geleegd. Na ongeveer een minuut zal hij terugkomen, de lege bak aan de rechterkant van de camion neerzetten om die straks af te spoelen - kuikens schijten veel – en dan in de laadruimte springen voor een nieuwe.
Zodra hij de laadruimte heeft verlaten, heb ik ongeveer een minuut om zelf de laadruimte binnen te gaan, een bak open te schuiven, het mooiste exemplaar te kiezen en langs de neus van de vrachtwagen naar de parking te lopen, waar mijn auto staat. Op de achterbank ligt een kartonnen doos met een kom proper water erin. Ik heb ook een sappige pruim, een gestoofde wortel en twee gekookte aardappelen meegenomen. Een vijfsterrenverblijf. Ze zal niet weten wat haar overkomt.
Ik duik weer neer. Hoor ze toch, denk ik, hoor ze roepen, hoor ze moord en brand schreeuwen, hoor ze niet beseffen wat hen te wachten staat. Hoor ze verlangen naar de Hoge Venen, naar mijn bungalow, naar Pasen, de viering van Zijn Verrijzenis, de elegante tanden van mijn vrouw. Heb ik een – nee.
Ik zal het kuiken Fran noemen. Ik zal haar wassen in arachideolie. Ik zal haar masseren.
‘Nigella, ga je mee?’
‘Waar naartoe?’
‘De Hoge Venen. Met Pasen. Ik heb daar een bungalow, in een prachtig dennenbos.’
‘Ik kan niet. Henk heeft een verrassing gepland.’
Ik zwijg. Zij merkt het. Ik zwijg nog harder omdat ze het merkt.
‘Maar ik heb Fran gepland,’ zeg ik uiteindelijk.
‘Wie is Fran?’
Ik moet een moment nadenken. Dan zeg ik: ‘Jij, jij bent Fran.’ Nigella doet alsof ze het niet hoort.

Ik moet een Fran hebben

Mijn plan is mislukt. Ik zat daar achter de compostbak en ik merkte plots dat de laad-en losmannen met z’n vieren waren. Ze wisselden elkaar af. Ik kon geen Fran stelen, voor Pasen, voor de Hoge Venen, voor mijn bungalow, voor de Verrijzenis. Ik moet een Fran hebben.
Ik ben langs de buitenmuur van de grote hal teruggeslopen naar de deur. Ik heb gedaan alsof ik nog steeds duizelig was toen de rookpauze begon en Nigella buitenkwam. Ze bood me een sigaret aan.
‘Goed idee,’ zei ik. ‘Dank u.’ Ze keek naar de zoom van mijn witte jas.
‘Er hangt bloed aan je jas,’ zei ze. Ik haalde mijn schouders op.
‘Ik krijg dat er niet uit gewassen.’
Nu staan we weer aan de band.
‘Heb jij ooit al eens kwartels geschoten?’
‘Wat?’
‘Ik heb kwarteleieren nodig.’
‘Je hoeft toch geen kwartels neer te schieten om er eieren van te hebben?’
‘Nee?’
‘Nee, die kun je kopen.’
‘Ik ga voor biologisch.’
‘Wel, dan kun je een kwartel kopen. Of vangen en temmen.’
Ik reik naar boven, trek vleugels van rompen, zucht.
‘Had ik Fran maar, dan kon Kwartel Kevin samen met Fran vet worden. In de tuin rond mijn bungalow in de Hoge Venen.’
‘Ga je daar elk jaar naartoe?’
‘Ja, met mijn lief.’
‘Ik wist niet dat jij een lief hebt.’
‘Nog niet,’ mompel ik. Nog niet, nee.
Er loeit een sirene: handschoenen vernieuwen, mondmasker vernieuwen. Volledig synchroon trekken Nigella en ik onze latexjes uit en gooien ze in de curverbox onder onze band. Volledig synchroon trekken Nigella en ik onze mondmaskers over ons hoofd en gooien ze in de curverbox onder onze band. En dan de aanvoerlijn weer, knarsend nu, alsof die ondertussen roestiger is geworden.
‘Het ruikt hier naar look, toch,’ roep ik.
‘Je had me gemberpoeder moeten geven, daarnet, tegen de duizeligheid,’ roep ik.
‘Met perselie, koriander, saffraan en zwarte komijn een heerlijk kruidenbuiltje, voor gevogelte,’ roep ik.
‘Hé, Nigella. Hé, zwakke komijn,’ roep ik.
‘ ’t Zijn wel dikke poussins hè, die van drie uur,’ roep ik.
‘Kuikens van 650 tot 750 gram mogen piepkuikens worden genoemd, indien zij bij het slachten niet ouder zijn dan achtentwintig dagen. Dat staat in de verordening. Zou Jos dat respecteren?’
Nigella antwoordt niet. Ze reikt naar boven, trekt vlerken van karkassen, robotachtig. Het lijkt alsof haar schoudergewrichten het hevige geknars van de aanvoerlijnen voortbrengen.
‘Gaat het?’
Nigella slaakt een diepe zucht, tast in haar jaszak naar haar pakje sigaretten en laat mij achter, alleen aan de band. Ik roep haar na dat we nog geen pauze hebben. Ze komt niet meer terug.

Gebraden? In een houten kist?

Na het paasverlof stapt Jos de pluimerij binnen, geflankeerd door norse mannen die ik niet ken. Ze stellen me vragen. Ik antwoord, terwijl ik met een afwezige blik veel te lang aan hetzelfde karkas sta te pulken.
‘Ze ging roken en kwam niet meer terug. Zo is het gegaan. Waarom ik dat niet gemeld heb? Het kwam me niet per se onrustwekkend voor. Misschien was er een noodgeval.’
‘Neen, ik weet niets over een inbraak in een crematorium in Stavelot. Gebraden? In een houten kist? Ja, mijn bungalow staat daar. En wat dan nog? Ze rook kruidig? Peterselie heeft een licht citroenaroma, ja. Omgeven door verkoolde aardappelen, wortels en kwarteleieren. Da’s toch te gek voor woorden? Een handvol gepelde amandelen? Een handvol gewelde pruimen? Ik hield van haar, meneer. Niet in de zin van verliefdheid. Ik hield van haar zoals ik van mijn job houd.’ Zoals ik van mijn kuikens houd.

Daarna, Nigella, begeleidden ze me naar Jos’ kantoor en schoven daar een recept voor mijn neus, de mannen die dachten dat ik je – mijn vrouw. Het papiertje rook naar arachideolie en vertoonde vermiljoenen vingerafdrukken aan de randen. In een van de afdrukken kleefde een dennennaald. Een van de mannen wees ernaar, alsof hij daarmee wilde aantonen dat het de mijne waren.
Toen ik dat zag, stootte ik een hels gepiep uit. Ik hoorde mezelf piepen, wond me erover op, steeds luider en sneller, tot ik achterover leunde in de stille overtuiging dat ze me nu wel moesten geloven. Die afschuw op hun gezichten, Nigella. Alsof ze naar een lijk zaten te kijken.

Meer Verhalen
Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven