Wikimedia Commons

Kussen die nooit vervelen

In het onwenselijke maar waarschijnlijk onvermijdelijke geval dat men het ooit nodig zal vinden om naast ‘De grootste Nederlander’ en de mooiste stem van Nederland ook de grootste dichter van Nederland door middel van een tv-show vast te stellen, wil ik met dit pleidooi alvast één naam aan de kandidatenlijst toevoegen. Ik weet namelijk vrijwel zeker dat hij niet in het rijtje van Vondel, Paaltjens en Lucebert voor zal komen. Dat valt goed te verklaren: mijn kandidaat voor de titel van grootste dichter van het land schreef noch in eigen land, noch in eigen taal. Misschien is dat de reden dat zijn naam tegenwoordig niet meer zo bekend is als dat die vroeger was. De Haagse Jan Everaerts, beter – maar niet veel beter – bekend als Janus Secundus, dichtte in zijn korte, maar bewogen leven (1511-1536) op virtuoze wijze duizenden Latijnse versregels bij elkaar en polijstte het geheel tot een zestiende-eeuws literair hoogtepunt. Genoeg reden om onze landgenoot van de anonieme duisternis naar het compleet fictieve podium van de dichterverkiezing te leiden. Mocht Janus uiteindelijk niet als winnaar uit de bus komen, hoop ik na onderstaande in elk geval duidelijk gemaakt te hebben dat hij wel degelijk als één van de eerste met recht aanspraak kan maken op de titel.

Janus is een dromer, een dankbare onderdaan van een door hem bedachte hogere macht.

“Geachte dames en heren van de jury, en ook de kijkers thuis, Janus verdient in mijn ogen vooral respect om zijn originaliteit, en dan heb ik het zowel over zijn werk als over Janus zelf. Voor het eerste voer ik zijn Basia (‘Kussen’) aan, een bundel van 19 gedichten die alle gewijd zijn aan één specifiek onderwerp: het kussen van een geliefde. Met dit werk, zijn beroemdste, is Janus de eerste in wat later een traditie zou blijken: na Janus’ Basia verschijnen bundels met onderwerpen als de ogen, haren of lippen van een geliefde. Hoe tegenstrijdig het ook lijkt, juist het feit dat alle gedichten in de Basiaover kussen gaan, laat Janus’ bewonderenswaardige poëtische gaven zien. Het lezen van het werk wordt er namelijk niet minder plezierig door, sterker nog, de afwisseling van lengte, metrum en invalshoeken van elk van de gedichten zorgt voor een bonte verzameling van allerlei soorten ‘kussen’. Er wordt bijvoorbeeld uitgelegd hoe kussen ontstaan zijn toen Venus in een mythisch verleden besloot haar vuurrode lippen op toen nog kleurloze rozen te drukken. In een ander gedicht bejubelt Janus de helende kracht van de lippen van zijn grote liefde, maar betreurt weer ergens anders ook welsprekend maar hartverscheurend het leed dat ontstaat bij een kus die wel verwacht, maar niet gegeven wordt. Zoals Janus zijn kussen het liefst modis diversis, op verschillende manieren ontvangt, zo levert hij ook zijn dichtwerken over kussen af: nooit hetzelfde, maar altijd spannend.

Niet alleen zijn Basia, maar ook de historische persoon van Janus maakt hem tot een uniek figuur.  Als je de manier waarop Janus zichzelf presenteert, vergelijkt met het beeld van de Lage Landen dat sinds de 19e eeuw gangbaar is, wordt duidelijk dat Janus op geen enkele manier in het calvinistische keurslijf past. Hij lijkt zelfs bijna het tegenovergestelde van ‘typisch Nederlands’ te belichamen: in plaats van een houding van ingetogenheid aan te nemen lopen zijn gedichten over van euforie, arrogantie of tranen; in plaats van zich nuttig te maken stort Janus zich met hart en ziel op liefde en poëzie en in plaats van zich met een plaatsje in de hemel bezig te houden droomt hij over de Elyseïsche velden, de klassiek-heidense heides van het hiernamaals, waar zijn collega-dichters hem met hun geliefden aan hun zijde hartelijk als één van hen zullen verwelkomen. Janus laat zich niet beperken door het aardse bestaan, maar bouwt ergens tussen de regels van zijn meesterwerk een autonome, poëtische wereld waarin geliefden elkaar in leven houden door het heen en weer laten springen van hun zielen, vluchtig aan een zoen bevestigd. Voor een illustratie van deze wereld loont het om Basium 5 eens goed te bekijken. In dit gedicht maakt Janus duidelijk wat de kussen van zijn geliefde Neaera met hem doen: op het moment dat ze haar lippen verbindt met die van de op zijn rug liggende dichter blaast ze de zoete bries van haar ziel diep in zijn borst. Daar sust haar ziel de brandende deining van de zijne, waarop de dichter dankbaar verzucht dat als er iemand groter is dan Amor, Neaera dat wel moet zijn. Janus is, kortom, een dromer, een dankbare onderdaan van een door hem bedachte hogere macht en een typisch voorbeeld van l’art pour l’art, kunst omdat het kan.

Zoals Janus zijn kussen het liefst modis diversis, op verschillende manieren, ontvangt, zo levert hij ook zijn dichtwerken over kussen af.

Beste juryleden, geëerd publiek, ik zie dat mijn tijd bijna op is. Voor ik u allen de mogelijkheid geef om in beraad te gaan over het al dan niet toevoegen van Janus Secundus, dit nog niet genoeg erkende genie, aan de kandidatenlijst voor de verkiezing van Nederlands grootste dichter, zeg ik enkel nog het volgende. Alleen al mijn voorgaande bespreking van de originaliteit van de beste man zorgt ervoor dat zijn naam niet zou misstaan in de canon van Nederlandse dichters. Niet alleen weet Janus in zijn Basia door middel van de scheppende kracht van zijn poëzie het onderwerp ‘kussen’ zeer kundig in steeds veranderende en tot de verbeelding sprekende vormen te kneden, ook getuigt de manier waarop hij in zijn zestiende-eeuwse wereld stond van een houding die men van een onvermengd rasdichter mag verwachten: hij volgt geen conventies, zijn eigen uitgezonderd, en weet met woorden een wereld te vormen waar we allemaal wel eens zouden willen verblijven om te genieten van nectar en ambrozijn, iungens perenne basium, eeuwig kussen gevend. Geef deze man waar hij recht op heeft. Dankuwel.”

Zie:

http://www.thelatinlibrary.com/janus1.html voor de Latijnse gedichten;
http://www.literatuurgeschiedenis.nl/lg/goudeneeuw/tekst/lgge099.html voor de vertaling van basium en 4;
Janus Secundus: De Kunst van het Zoenen. De Kussen en andere liefdesgedichten. Vertaald en toegelicht door J.P. Guépin, voor een relatief recente (1997) Nederlandse vertaling.

Gerelateerde artikelen
Reacties
4 Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven