Flickr / Aapo Haapanen

Levenslang in Nederland: een doodstraf op termijn?

Op 6 januari bepleitte PvdA-kamerlid en oud-rechter Jeroen Recourt in een interview in Trouw dat levenslanggestraften zicht moeten hebben op vrijlating. Na 25 jaar lang gevangenisstraf moet een rechter oordelen of voortzetting van de straf nog zinvol is. Die dient in zijn advies ook de belangen van de slachtoffers en nabestaanden te betrekken. Een kwestie van humaniteit, aldus Recourt. Volgens Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Teeven biedt het huidige beleid echter voldoende perspectief aan levenslanggestraften. Is dat ook zo?

In Nederland is levenslang ook daadwerkelijk levenslang. Artikel 10 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat de gevangenisstraf levenslang of tijdelijk is. Als de rechter ervoor kiest om levenslang op te leggen zal de veroordeelde in principe de rest van zijn leven achter de tralies doorbrengen. Alleen wanneer de levenslanggestrafte gratie wordt verleend kan hij vrijkomen. In 1986 is dit voor het laatste gebeurd uit het oogpunt van resocialisatie van de gestrafte. Na 1986 is slechts een keer gratie verleend, te weten in 2009, aan een terminaal zieke levenslanggestrafte zodat hij thuis kon sterven. Van de 34 mannen die levenslang hebben in Nederland zitten er drie langer dan 25 jaar vast: Koos Hertogs (sinds 1982), Cevdet Yilmaz (sinds 1984) en Loi Wah Chung (sinds 1989). Van Yilmaz is bekend dat hij al ruim 10 jaar strijdt voor zijn resocialisatie en van Chung is bekend dat hij vijf gratieverzoeken heeft ingediend; allen zonder succes.

De Rechtbank legde geen levenslang op omdat de verdachte dan geen enkel perspectief op invrijheidstelling zou hebben

Dit beleid staat op gespannen voet met de wijze waarop het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) wenst dat lidstaten invulling geven aan de levenslange gevangenisstraf. In de zaak Vinter e.a. vs. het Verenigd Koninkrijk van 9 juli 2013 overwoog de Grand Chamber van het EHRM dat het inhumaan is om iemand zonder greintje hoop op invrijheidstelling te detineren. Het EHRM stelt twee voorwaarden die aanwezig moeten zijn op het moment dat levenslang wordt opgelegd. Iemand die levenslang krijgt (en heeft) moet zicht op invrijheidstelling hebben en daarnaast dient er een mechanisme te bestaan dat beoordeelt of voortzetting van de straf nog wel wenselijk is. Levenslanggestraften hebben in Nederland geen reële kans op het krijgen van gratie en dus ontbreekt bij hen elk perspectief om ooit weer deel uit te maken van de samenleving.

Ook de rechters in Nederland is dit niet ontgaan en dit is soms een argument om geen levenslang op te leggen. Bijvoorbeeld in de bekende Baflo-zaak, waarin de uitgeprocedeerde asielzoeker Alasam Samarie door de Rechtbank Noord-Nederland in maart 2013 werd veroordeeld tot 28 jaar gevangenisstraf voor een dubbele moord en twee pogingen daartoe. In deze zaak was levenslang geëist door de officier van justitie. De Rechtbank legde echter geen levenslang op, omdat de verdachte in dat geval naar het oordeel van de Rechtbank geen enkel perspectief op invrijheidstelling zou hebben.

Staatssecretaris Teeven steekt zijn hoofd in het zand voor de uitspraken van het EHRM

In hoger beroep werd Alasam veroordeeld tot zes jaar cel en tbs met dwangverpleging (om redenen die losstonden van deze discussie). Dat levenslang 'gewoon voor de rest van het leven' is leidde in 2006 bij het Gerechtshof Arnhem al tot de conclusie dat 'naar de huidige stand van de regelgeving en het beleid een levenslange gevangenisstraf ook daadwerkelijk volledig tenuitvoergelegd wordt' en dat daarmee afgeweken wordt van het in het verleden gevoerde beleid. Dat levenslang dan ook gezien moet worden als een laatste redmiddel, blijkt wel uit twee uitspraken van het Gerechtshof Den Haag. In 2011 kwam het Gerechtshof tweemaal tot de overweging dat 'het opleggen van de levenslange gevangenisstraf moet worden gezien als een uiterst middel aangezien daarvoor voor de verdachte – in beginsel – geen uitzicht meer bestaat op terugkeer in de maatschappij.' Overigens was het ontbreken van een tussentijdse toets - zoals Recourt voorstelt - in 2010 een van de redenen voor de Rechtbank Utrecht om aan de verdachte geen levenslang op te leggen, aangezien door het ontbreken van een dergelijke toetsing ieder perspectief op vrijlating ontbrak.

Staatssecretaris Teeven steekt zijn hoofd in het zand voor de uitspraken van het EHRM en blijft stug gratieverzoeken afwijzen. Zijn beslissing over het vierde gratieverzoek van de levenslanggestrafte Chung doet vermoeden dat hij gratieverzoeken bovendien niet serieus neemt. Het verzoek werd onder meer afgewezen vanwege Chung’s mogelijke delictgevaarlijkheid en de impact van zijn invrijheidstelling op de samenleving. Het is volgens Teeven niet aan de staat om onderzoek te laten doen naar de delictgevaarlijkheid van Chung. Ook weigert hij onderzoek te doen naar de eventuele impact van de vrijlating van Chung op de samenleving. Hij ziet daartoe geen aanleiding. Inmiddels heeft de Raad voor Strafrechtstoepassing en jeugdbescherming uitdrukkelijk afstand genomen van Teevens standpunt “levenslang is levenslang”, maar vooralsnog heeft dit niet geleid tot een positief besluit over een gratieverzoek. Tel daarbij op dat de roep vanuit de maatschappij om zwaardere straffen alleen maar groter wordt en we moeten concluderen dan dat levenslanggestraften bij de huidige stand van zaken geen enkel perspectief op invrijheidstelling hebben.

Een doodstraf op termijn.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven