Flicr // Ted Eytan

Make Rome Great Again

Een belangrijk thema in de verkiezingscampagne was ‘de Nederlandse identiteit’. De slogans van de twee partijen die uiteindelijk de grootste werden, waren ‘Normaal. Doen.’, en ‘Nederland weer van ons’. Een groot deel van het electoraat, zo lijkt het, is bang dat we bezig zijn om onze identiteit kwijt te raken. De één wil terug naar de normen en waarden van vroeger, toen we nog iedere dag op school het Wilhelmus stonden te zingen (?).De ander stelt voor de grenzen dicht te gooien, om te voorkomen dat ons toch-niet-zo-tolerante landje overspoeld wordt door een ‘stroom van immigranten’, die allerlei nieuwe ideologieën en tweederangs culturen met zich meebrengen.

De combinatie van fantasmalgische en xenofobe sentimenten is symptomatisch voor onze tijd. Deze cocktail is echter geen historische uitzondering. We vinden het al opvallend vaak terug bij Romeinse schrijvers. Net zoals het huidige West-Europa kende Rome een flinke toestroom van immigranten uit alle delen van het rijk. Dat hun komst niet door iedereen op prijs werd gesteld, blijkt wel uit Juvenalis’ opmerking dat ‘de Syrische Orontes nu uitmondt in de Tiber’ – een watermetafoor die niet zou misstaan in de retorica van Wilders. Buitenlanders, en dan met name diegenen uit de oostelijke delen van het rijk, waren een bron van corruptie en zorgden voor het verval van de oude Romeinse normen en waarden.

We vinden opvallend vaak xenofobie bij Romeinse schrijvers

De Romeinen hadden het sowieso niet zo op verandering – de term res novae (‘nieuwe dingen’) had vaak de betekenis ‘tegenspoed’. De verovering van het Oosten (Griekenland, Turkije, Syrië, Egypte) tussen 146 en 30 v. Chr. bracht een hele reeks res novae met zich mee. Het Oosten werd van oudsher geassocieerd met decadente rijkdom, luxe en hebzucht, en een losse seksuele moraal. Allerlei zaken die het moreel van de harde, mannelijke Romeinen zouden verminderen als die daaraan werden blootgesteld. Het idee dat de rijkdom die de verovering van het Oosten met zich meebracht de woeste Romeinen tot ‘manwijven, dampend van parfum’ (Vergilius, geparafraseerd) maakte, vinden we bij een reeks auteurs, van Polybius (2e eeuw v. Chr.) tot Vegetius (5e eeuw n. Chr.).

De verovering van het Oosten bracht nog iets naar Rome: vreemde religies. Voor veel mensen zal het niets nieuws zijn dat een groot deel van de Romeinse mythologie gebaseerd is op de Griekse. De Romeinen waren op religieus gebied echter niet alleen open ten opzichte van de Griekse, maar ook richting andere Oosterse culturen. Exotische goden, zoals de Egyptische Isis en de Anatolische Cybele werden (overigens in een sterk geromaniseerde vorm) vereerd te midden van de oude Romeinse goden. Hoewel de conservatieve senaat verschillende pogingen heeft gedaan om ceremonies ter ere van deze godinnen te verbieden, zorgde hun populariteit ervoor dat dit niet gebeurde. Daarnaast hebben de Romeinen veel te danken gehad aan de verovering van het Oosten op het gebied van literatuur, beeldende kunst, en filosofie. De dichter Horatius vatte dit als volgt samen: ‘Het veroverde Griekenland nam haar veroveraar gevangen en bracht de kunsten naar het boerse Latium’.

Wat de Romeinse schrijvers en de Nederlandse politici met elkaar gemeen hebben, is dat ze lijken te denken dat ‘identiteit’ en ‘cultuur’ statische begrippen zijn. Men gaat uit van een soort oer-Rome en oer-Nederland, waar alle invloeden van buitenaf uit gefilterd zijn. Daar bestond de originele Romeinse dan wel Nederlandse identiteit. Zelfs al zou je ervan uitgaan dat er inderdaad een oer-Nederlandse statische identiteit bestaat, valt het niet mee om deze te benoemen. De politici zelf kunnen het in ieder geval niet zo goed. Er is namelijk geen kenmerk van ‘de Nederlander’ dat onveranderlijk is en voor iedereen geldt. Wie praat over de Nederlandse identiteit als een statisch gegeven, loopt dus het risico al snel te vervallen in platitudes en open deuren.

Er is geen overanderlijk kenmerk van 'de Nederlander'

De Romeinse omgang met de Oosterse culturen laat zien dat een culturele identiteit altijd in ontwikkeling is. Eerder maakte ik al het punt dat contact (en wellicht frictie) met andere culturen noodzakelijk is voor deze ontwikkeling. Een goed voorbeeld hiervan is de Nederlandse omgang met het Jodendom. Toen halverwege de zeventiende eeuw grote groepen Joodse vluchtelingen (onder andere uit Portugal) naar Nederland kwamen, werden ze in eerste instantie als tweederangs burgers behandeld. Ze mochten geen lid worden van gilden en enkel in eigen kring trouwen. Pas in 1796 werden Joden voor de wet gelijkgesteld aan andere Nederlanders. Toch heeft de Joodse cultuur zo'n grote invloed gehad op de Nederlandse, dat men tegenwoordig graag spreekt van Joods-Christelijk gedachtegoed.

Modernere ‘exotische’ elementen in onze cultuur kunnen we bijvoorbeeld vinden in ons eten. Er is bijna geen eetcafé te vinden waar geen kipsaté op het menu staat. Het laat zien hoe cultuur altijd een combinatie is van het vertrouwde en het vreemde. Wie bang is dat het vreemde het eigene verdrijft, vergeet dat het ‘eigene’ ook een combinatie is van allerlei ‘eigen’ en ‘vreemde’ elementen. De frase ‘het verlies van de Nederlandse identiteit’ is hol. Het doet geen recht aan het complexe samenspel van traditie en vernieuwing dat een identiteit is. Wie het vreemde uit een identiteit wil schrappen, stopt de ontwikkeling van diezelfde identiteit. Invloeden van buitenaf zorgen niet voor een ‘homeopathische verdunning’ van een identiteit. Integendeel, invloeden van buitenaf maken een culturele identiteit.

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie
  • Aljosja de Coninck,

    Een fraaie historische beschouwing. Niettemin moet de opvatting dat "er geen kenmerk van ‘de Nederlander’ [is] dat onveranderlijk is en voor iedereen geldt", m.i. toch echt naar de vuilnisbak worden verwezen. De reden dat het voor een Nederlander doorgaans makkelijker is om met Nederlanders een gesprek te voeren dan met buitenlanders, valt immers samen met een optelsom van gegevenheden die bij elkaar een 'cultuur' vormen: een gemeenschappelijke taal en een overeenstemmend (historisch) referentiekader. Tegen een Nederlander hoef ik alleen maar 'eeuwige strijd tegen het water' te zeggen om een hele rits associaties op te wekken, van de Waterlinie via de Watersnoodramp langs de creatie van Flevoland tot aan de Deltawerken, terwijl een buitenlander diezelfde weliswaar slechts latent aanwezige, maar daarmee niet in mindere mate vormende kennis niet tot zijn beschikking heeft. Hoe kunnen Nederlanders dan ondanks deze evidente culturele overeenkomsten apodictisch blijven volhouden dat 'de Nederlandse identiteit niet bestaat'? Ik ben benieuwd naar uw reactie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven