Flickr / michfiel

Marxisme als hobby

Eric Hobsbawm wordt vaak gezien als een van de belangrijkste historici van de twintigste eeuw. Dat hij 'tot het eind' een 'overtuigd' marxist was, lijkt nu bij zijn overlijden af en toe een wetenswaardige bijkomstigheid. Zoals Newtons werk in de alchemie, Michael Dummetts interesse voor tarot of Leni Riefenstahls fascinatie voor Afrika. Marxisme als een obscure hobby die in een markant contrast staat tot Hobsbawms rol als 'objectieve' historicus.

Bij het verscheiden van deze dinosaurus van het 20e eeuwse universiteitsmarxisme is het daarom goed om nog eens terug te blikken. Wat maakte zijn benadering van de geschiedenis 'marxistisch' en is daar misschien iets waardevol aan dat we gaan missen?

Een belangrijke vraag is allereerst ‘welke Marx?’ Naast een politiek activist was Marx ook een wetenschapper. Marx vertegenwoordigt een specifieke opvatting over de aard van sociale wetenschap die anders is dan de hedendaagse. De 20e eeuwse sociale wetenschappen worden gekarakteriseerd door arbeidsdeling. Disciplines als economie, sociologie, recht en politicologie hebben gescheiden objecten. De rechtsgeleerde kent de wetten, de politicoloog onderzoekt hoe die wetten tot stand komen en de socioloog kijkt hoe die wetten uitgevoerd worden. De econoom onderzoekt variabelen die via gepostuleerde individuen in andere variabelen veranderen. De verschillende disciplines worden bovendien afgebakend door een scheiding tussen 'descriptieve' en 'normatieve' vragen.

In feite is het vaak Marx de sociale wetenschapper die als inspirator voor deze intellectuelen geldt.

Tegenover al deze onderscheidingen is Marx’ kritiek van de politieke economie een poging juist de maatschappelijke samenhang van deze vragen zichtbaar te maken. De kapitalistische productieverhoudingen zijn volgens Marx alleen mogelijk in een specifieke maatschappij met een specifieke rechtsorde. De individuele wetenschappen die instituties als de markteconomie en het bestaande recht als uitgangspunt nemen, verbergen hun politieke dimensie.

Wanneer het gaat over 'marxistische' intellectuelen wordt vaak aan Marx als activist gerefereerd. In feite is het vaak Marx de sociale wetenschapper die als inspirator voor deze intellectuelen geldt. Zij geloven dan ook niet, een tweede misverstand, dat het geheel van het sociale leven te reduceren is tot economische wetmatigheden en/of materie.[1] Wat wel kenmerkend is voor al die marxistische wetenschappers is het streven om de samenhang tussen de sociale fenomenen te zien: De 'totaliteit', zoals Georg Lukacs dit noemde in zijn voor het 20e eeuwse marxisme bepalende Geschichte und Klassenbewusstsein (1923).

Het streven naar een greep op de totaliteit is ook leidend voor Eric Hobsbawms, ten minste door mij, meest gelezen boek The Age of Extremes (1914-1989) uit 1994. Dit boek geeft een diep inzicht de samenhang van economische, politieke, sociale en culturele veranderingen in de 20e eeuw. Bovendien, geschreven door iemand die het echt allemaal zelf heeft meegemaakt. Daarbij werd ik zelf het meest geraakt door zijn beschrijving van de naoorlogse tijd: 'twenty-five or thirty years of extraordinary economic growth and social transformation, which probably changed human society more profoundly than any other period of comparable brevity. In retrospect it can be seen as a Golden Age, and was so seen immediately it had come to an end in the early 1970s.'

Hobsbawm gebruikte zijn historische inzicht om die problemen te benoemen en hield zich daarbij niet schuil achter een gemakzuchtig beroep op 'objectiviteit'.

Deze 'Golden Age' wordt door Hobsbawm in de volle breedte beschreven: de welvaartsstaat, elektronische huishoudapparaten, experimenten met seksualiteit en boven alles vertrouwen in de toekomst. Het is één ding om al die factoren te noemen, het is iets anders om het onderlinge verband te begrijpen. De magie van The Age of Extremes is dat Hobsbawm precies hierin slaagt.

Na 1945 heerste de overtuiging dat de 'Age of Catastrophe' (1914-1945) mede was veroorzaakt door sociale ongelijkheid. Daarom moest de nieuwe economische inrichting die ongelijkheid indammen. Dat dit succesvol was kwam onder andere door de grote economische groei. De vernietigingen van de wereldoorlogen leidden dus via verschillende wegen tot naoorlogse sociale rust.

Hobsbawm begreep dus als geen ander de fragiele samenhang van de factoren die de naoorlogse stabiliteit mogelijk maakte. Daarom was Hobsbawm ook als een van de eersten pessimistisch over de mogelijkheden die stabiliteit in de 21e eeuw voort te zetten. Terwijl in Nederland oud-CPN'ers op de tonen van 2 Unlimited een derde hypotheek namen, herroept Hobsbawm de optimistische noot waarmee hij een boek enkele jaren eerder was geëindigd: 'It is no longer possible to believe, as it was in the heyday of the "Golden Age" that a way had been found to solve, or at least to minimize, the economic, social and political problems which had convulsed capitalist society in its "Age of Catastrophe".' Daarbij wijst hij op een breed scala van (ondertussen) overbekende problemen: het milieu, democratische legitimatie, de toenemende macht van de private sector (in het bijzonder de financiële sector) en blijvende en zelfs toenemende welvaartsongelijkheid binnen en tussen landen. Hobsbawm gebruikte zijn historische inzicht om die problemen te benoemen en hield zich daarbij niet schuil achter een gemakzuchtig beroep op 'objectiviteit'.

Hobsbawm begreep als geen ander de fragiele samenhang van de factoren die de naoorlogse stabiliteit mogelijk maakte.

Men kan zich afvragen of het marxistische streven naar totaliteit voor alle sociale wetenschappen het juiste model is. Als historicus kun je hoe dan ook moeilijk van, ik noem maar iets, sociologische objecten abstraheren. Het is dan ook geen toeval dat Hobsbawm als historicus zo gewaardeerd werd, lang nadat marxisme in de mainstream van andere sociale wetenschappen een grond voor ontslag werd. Toch denk ik dat andere sociale wetenschappen de samenhang tussen de sociale fenomenen in het oog moeten houden. Neem de recente financiële crisis: juist economen die naar psychologische en institutionele aspecten van de economie keken waren in staat deze te voorzien.[2]

Ook voor het oplossen van de door Hobsbawm genoemde problemen is zijn marxistische nadruk op de totaliteit tot in de 21e eeuw waardevol. Tussen Hobsbawms marxisme en zijn werk als historicus is daarom geen tegenstelling, laat staan een markant contrast. Dat geldt overigens, mijns inziens, ook voor de andere genoemde 'obscure hobby's', maar dat is een verhaal voor een andere keer.



[1] Mensen die dat geloven bestaan overigens wel, maar dat zijn vaak juist wetenschappers die met dogmatisch fanatisme vasthouden aan het methodologische kader van hun eigen wetenschap. Hierbij valt te denken aan reductief materialisten die geloven dat hun hersenwetenschap alles verklaart wat we over de mens maar willen weten, genetici en onderzoek in de traditie van Gary Becker, die elk menselijk gedrag vanuit economische nutsmaximalisering begrijpt. Sociaal constructivisme is een voorbeeld van hetzelfde fenomeen binnen de wat zachtere sociale wetenschappen. Juist het gebrekkige inzicht in de totaliteit leidt zo tot erg eenzijdige vakwetenschappelijke stellingnames.

[2] Zie Bezemer, 2009 No One Saw This Coming”: Understanding Financial Crisis Through Accounting Models.


Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie
  • mooi, dit pleidooi voor grote geschiedschrijving en voor intelligent generalisme. En heel goed dat je die constante besmuikte diskredietering van Hobsbawm, expliciteert en weerlegt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven