Meertaligheid in hoofd en hart: een pleidooi voor het Onderelkaars

Nederlands of Engels? De taalstrijd aan Nederlandse universiteiten draait al een vijftal jaren om die vraag. Deze keer op keer de kop opstekende discussie sorteert echter geen effect doordat ze uitgaat van een schijntegenstelling. De vraag zou moeten luiden: hoe kunnen we van de voordelen van beide talen profiteren en de nadelen uit de weg ruimen? In de eenentwintigste eeuw is het zaak open te staan voor de wijde wereld zonder daarbij dat wat ons het meest eigen is te verwaarlozen. Dat beide talen prima naast elkaar kunnen bestaan, toont een standbeeld uit de grenzen van ons taalgebied.

Ver buiten Nederland, België, Suriname en de Antillen bevindt zich een monument voor onze taal. In Frankfurt am Main, waar Goethe geboren werd, vind je geen monument voor het Duits en in Stratford-upon-Avon zoek je vergeefs naar een taalmonument voor het Engels, maar de taal van Vondel, Multatuli en Heijermans heeft er wel een, zij het inderdaad niet in Amsterdam. Wereldwijd zijn er namelijk slechts aan twee talen, ook nog eens sterk verwante, monumenten gewijd: aan het Afrikaans en aan zijn voorouder, het Nederlands. Dit laatste werd in 1893 in Burgersdorp (tussen Kaapstad en Pretoria) opgericht met de tekst: ‘Erken nu de moedertaal, in raad, kantoor en schoollokaal’. Het monument vormde de bekroning van een lange strijd, gevoerd om naast de taal van de Britse overheersers ook het Nederlands in de toenmalige Kaapkolonie als officiële taal erkend te krijgen. Vanaf 1925 maakte het Nederlands geleidelijk plaats voor zijn dochtertaal Afrikaans, maar daardie monument het gebly.

Wij Nederlanders hebben de nagenoeg ononderdrukbare neiging te doen alsof onze taal en cultuur niet zoveel voorstellen.

Wat onze verre stamverwanten in Zuid-Afrika bevochten, erkenning van de moedertaal naast een andere, spreekt op Nederlandse bodem steeds minder vanzelf. Aan vele universiteiten wordt nog slechts een minderheid van de opleidingen in de landstaal aangeboden. In een toenemend aantal winkel- en horecagelegenheden in onze hoofdstad wordt men, zo toonde AT5 recent aan, uitsluitend nog in het Engels bediend. Op 23 februari hebben we met de afschaffing van de opleiding Neerlandistiek aan de Vrije Universiteit een nieuw dieptepunt bereikt. De directe reden is dan wel weer typisch Nederlands: wat geen winst opbrengt, wordt niet behouden en verbeterd, maar onverbiddelijk de nek omgedraaid.

Deze maatregel vormt een nieuwe mijlpaal in een lange taalstrijd, met aan de ene kant voorvechters van de moedertaal als voertaal in ons hoger onderwijs, en aan de andere kant diegenen die hameren op het belang van internationalisering. Beide partijen brengen argumenten naar voren waar best wat voor te zeggen valt.

Enerzijds heerst, juist in een maatschappij waar het concept ‘identiteit’ centraal staat, een sterke behoefte aan een erkende en gevierde landstaal die ons bindt en die voortborduurt op ons gezamenlijk verleden. Wij Nederlanders hebben de nagenoeg ononderdrukbare neiging te doen alsof onze taal en cultuur niet zoveel voorstellen, maar de cijfers spreken dat toch echt tegen. Het Nederlands heeft met (volgens de Taalunie) wereldwijd 24 miljoen meer sprekers dan heel Scandinavië in 2017 inwoners had (20 miljoen), en dan rekenen we het Afrikaans, met nog eens zeven miljoen sprekers, niet eens mee. Schrijvers als Annie M.G. Schmidt, Harry Mulisch en nu Hendrik Groen worden elk in tientallen andere talen gelezen. Anderzijds is het evident dat we voor internationale uitwisseling aangewezen zijn op andere talen. Alleen, en dat is het kernpunt van dit betoog, niet in plaats van, maar juist naast onze moedertaal.

Luxemburg is het springlevende bewijs dat een model van meertaligheid goed kan werken.

Welke status ligt voor onze landstaal in de nabije en verre toekomst in het verschiet? Zoals de zaken zich de laatste tijd ontwikkelen, wordt het Nederlands in hoog tempo door het Engels verdrongen en werken tal van Nederlandstaligen daar maar al te graag aan mee. Dystopieën waarin het Nederlands helemáál niet meer wordt gesproken, zoals in W.F. Hermans’ verhaal ‘De laatste roker’ of in Rint Sybesma’s satirische opiniestuk in de Volkskrant (26/7/17), illustreren waar dat op uit zou kunnen gaan lopen. Zo moet het dus niet, maar hoe dan wel? Wat ik bepleit is een meertalig model zoals Gaston Dorren in hoofdstuk 17 van Lingua (2017), ‘Het Onderelkaars en zijn buren’, heeft geschetst.

Het ‘Onderelkaars’ is zijn treffende bijnaam voor het Luxemburgs. Net als het Nederlands bestaat die taal uit een mengsel van Germaanse en Romaanse elementen en wordt ze door heel wat minder mensen gesproken dan haar ooster- en westerburen. Desondanks heeft meer dan de helft van de bevolking het Letzebürgisch als moedertaal, en gebruikt men Duits en Frans vooral voor schriftelijke en ceremoniële doeleinden, of voor communicatie buiten de sfeer van ‘onder elkaar’. In de afgelopen decennia is het Engels daar nog eens bijgekomen. Kortom, Luxemburg is het springlevende bewijs dat een model van meertaligheid goed kan werken. Hoe, zo extrapoleer ik Dorrens betoog nu naar de toekomst, zou dat er in ons land uit kunnen zien?

wanneer jy met hom praat in sy eie taal, dan praat jy met sy hart.

Een fictief 2030. Kinderen groeien merendeels op met het Nederlands. De lessen in de onderbouw worden uitsluitend in het Nederlands gegeven, en in de bovenbouw komt daar het Engels bij, zodat alle leerlingen de basisschool verlaten met een feilloze beheersing van beide talen in woord en geschrift. Op de tweetalige middelbare school komen daar dan één of twee moderne en klassieke Europese talen bij. Elk televisieprogramma dat in het Nederlands wordt opgenomen, wordt voorzien van ondertiteling in het Engels, maar ook omgekeerd. Rechtsstukken mogen in beide talen worden ingediend en behandeld, een Engelstalige standaardversie van de Nederlandse wetboeken wordt samengesteld onder auspiciën van de Taalunie. Schrijvers zullen zich van beide talen bedienen, poëzie zal steeds vaker tweetalig verschijnen en wint daardoor wellicht ook aan belang voor de grote Angelsaksische markt. Hoorcolleges worden gefilmd, de docenten mogen kiezen uit Nederlands en Engels of door elkaar heen, en de opnames worden door talig aangelegde student-assistenten van ondertiteling voorzien. In werkgroepen en vergaderingen mag iedereen geheel naar eigen keus Nederlands of Engels spreken. Cruciaal voor dit wenkend perspectief is dat buitenlandse studenten het Engels op C1-niveau moeten kunnen spreken en zowel het Engels als het Nederlands op C2-niveau moeten kunnen verstaan. Kortom: passieve beheersing van het Nederlands geldt voor buitenlanders als een ononderhandelbaar vereiste, actieve beheersing is een pluspunt.

De leidende principes achter dit alles zijn: het Nederlands blijft onze moedertaal, die niet gelijk is aan het Engels, maar wel gelijkwaardig, en niemand mag in het publieke domein worden gedwongen de ene taal voor de andere terzijde te schuiven. Wie bedenkt dat dit laatste nu al in vele universitaire opleidingen en hoofdstedelijke horecagelegenheden wél het geval is, zal in gereguleerde tweetaligheid toch zeker een goed alternatief zien voor een situatie van door economische ontwikkelingen ontstane anderhalftaligheid.

Anno 2019 is het grootste deel van de mensheid meertalig.

Met gereguleerde tweetaligheid kunnen we ons op mondiaal niveau verstaanbaar maken, maar waarborgen we ook het welzijn van onze moedertaal, de taal die ons immers het naast staat. Opmerkelijk genoeg stamt, net als die twee taalmonumenten op deze aardbol, de meest treffende verwoording van wat een moedertaal betekent uit Zuid-Afrika. Tot verbazing van vriend en vijand bracht Nelson Mandela een deel van zijn gevangenschap op Robbeneiland door met het leren van het Afrikaans, uitgerekend dus de taal van het regime dat hem achter slot en grendel zette. Het hoe en waarom achter die keuze verklaarde hij zelf: “Wanneer jy praat met ’n mens in ’n taal wat hy kan verstaan, dan praat jy met sy kop. Maar wanneer jy met hom praat in sy eie taal, dan praat jy met sy hart.”

Anno 2019 is het grootste deel van de mensheid meertalig. Laten ook wij onze moedertaal erkennen in raad, kantoor en schoollokaal, zonder daarbij te vervallen in doorgeschoten chauvinisme. Laten we ervoor zorgen dat het Nederlands naast een grote internationale taal (vooralsnog dus het Engels) de status van een gezond en geliefd ‘Onderelkaars’ geniet. Dan hoeft internationalisering geen bedreiging meer te betekenen, zoals nu het geval is, maar vormt dit onafwendbare proces juist een bron van culturele én economische verrijking. Verrijking ja: dat moet de rechtgeaarde Nederlander toch als muziek in de oren klinken.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven