Flickr / Michael Achtman

Michel Foucault en de neoliberale verleiding

Foucault and NeoliberalismDaniel Zamora2014

Wat is het neoliberalisme? Het hangt ervanaf aan wie je het vraagt. Volgens de Occupy-beweging, de Maagdenhuisbezetters en tal van linkse journalisten en politici is het een ideologie van marktwerking die wereldwijd ongelijkheid in stand houdt. Volgens VVD-ideologen en liberale denkers bestaat het neoliberalisme helemaal niet, is het hoogstens een scheldwoord om liberaal beleid mee af te serveren. Het verschijnen van een nieuw boek geeft een verrassende nieuwe dimensie aan dit debat, stelt Rik Peters op deFusie en in de Nederlandse Boekengids #1: enter Michel Foucault.

Filosoof/historicus Michel Foucault (1926-1984) is vooral bekend om zijn kritieken op de psychiatrie, het gevangeniswezen en de conformistische seksuele moraal in boeken als De geschiedenis van de waanzin (1962), Discipline, toezicht en straf (1975) en de driedelige Geschiedenis van de seksualiteit (1976-1984). Ook is hij het archetype van de geëngageerde linkse intellectueel. Zowel bij de wereldwijde Occupy-beweging als bij studentenprotesten tegen het rendementsdenken aan de UvA werden afbeeldingen van Foucault veelvuldig gebruikt op posters, flyers en spandoeken. Foucault is tegen uniformisering en conformisme, en voor diversiteit: op het moment dat het onderwijs onder druk van bezuinigingen eenvormiger wordt, lijkt Foucault dus een voor de hand liggend symbool voor verzet daartegen. Zo zijn tegenstanders van het neoliberalisme over het algemeen voorstanders van Foucault en vice versa. Toch is zeer de vraag of dat terecht is.

Foucaults sympathie voor het neoliberalisme is volgens Zamora en co systematisch onderschat

In het boek Foucault and Neoliberalism, onder redactie van de Belgische socioloog Daniel Zamora, zetten verschillende auteurs stevige vraagtekens bij de aanname dat Foucault voor hedendaagse links-progressieve bewegingen een goed referentiepunt is: zijn sympathie voor het neoliberalisme is volgens Zamora en co systematisch onderschat. Hoewel dit niet het eerste boek over Foucault en het neoliberalisme is, was de publicatie van dit werk eind 2014 toch een klein schandaal. Dat kwam met name door de oorspronkelijke Franse titel (Critiquer Foucaul; Michel Foucault, les années 1980 et la tentation neoliberale), die een felle kritiek op Foucault beloofde omdat hij ten prooi was gevallen aan ‘de neoliberale verleiding’. De titel van de recent gepubliceerde Engelse vertaling is neutraler, en dekt daardoor de inhoud beter: het boek duidt meer dan het bekritiseert.

Foucaults eigen verklaringen over het neoliberalisme hebben tot veel verwarring geleid. In het voorjaar van 1979 gaf de filosoof aan het Collège de France een lezingenserie met de titel La naissance de la biopolitique – in 2004 als boek uitgegeven en in 2013 in Nederlandse vertaling verschenen als De geboorte van de biopolitiek. De lezingen hadden moeten gaan over biopolitiek; de macht die de staat uitoefent over de gezondheid van de bevolking, bijvoorbeeld door de registratie van geboorte- en sterftecijfers, vaccinaties, en de promotie van hygiëne. Maar Foucault gooide het roer om en wijdde de hele reeks aan een specifieke vorm van regeren die tot doel heeft zo weinig mogelijk te regeren: het liberalisme. Vanaf de vierde lezing richtte hij zich op recente ontwikkelingen in het liberale denken, met name een toenemend wantrouwen jegens staatsmacht en een groeiend vertrouwen in de vrije markt: het ‘neoliberalisme’. Eerst wijdt hij vijf lezingen aan het Duitse neoliberalisme (Friedrich Hayek en de Ordo-school), daarna twee lezingen aan het Amerikaanse neoliberalisme van de Chicago-school.

Het doel van deze lezingen is nadrukkelijk om de liberale techniek van regeren te beschrijven en te duiden, niet om problemen aan te wijzen of oplossingen te geven. Maar zijn eerdere boeken De geschiedenis van de waanzin en Discipline, toezicht en straf waren formeel ook ‘slechts’ neutrale historiografie zonder oordeel – voor de goede verstaander was de kritiek op respectievelijk de psychiatrie en de gevangenis niet te missen. Jürgen Habermas verweet Foucault om die reden dat diens werk ‘cryptonormatief ’ was: achter een façade van neutraliteit en waardevrijheid gaat een duidelijk door bepaalde normen ingegeven kritiek schuil, waar Foucault nooit expliciet voor uitkomt.

In  vergelijking met andere regeerstijlen komt het neoliberalisme er opvallend goed vanaf

Precies vanwege deze ‘cryptonormativiteit’ in Foucaults eerdere werken hebben interpreten van De geboorte van de biopolitiek geprobeerd ook daarin een kritiek (op het neoliberalisme) te ontdekken. Zamora en co beargumenteren overtuigend dat dit een onhoudbare lezing is. Foucaults voornaamste prioriteit is te laten zien dat het neoliberalisme iets fundamenteel nieuws is, dat het niet te herleiden valt tot eerdere vormen van macht: ‘Het neoliberalisme is niet Adam Smith; het is niet de vercommercialiseerde samenleving; het is niet de Goelag achter de schermen van het wereldwijde kapitalisme.’ (De geboorte van de biopolitiek: p. 179) De enige manier waarop hij zich normatief uitlaat over het neoliberalisme is in een vergelijking met eerdere stijlen van regeren – en daar komt het neoliberalisme er opvallend goed vanaf.

In zijn eerdere boek Discipline, toezicht en straf beschreef Foucault de moderne maatschappij in termen van disciplinaire macht: een set technieken die op individuele lichamen inwerken om ze te dresseren en normen op te leggen – of, als dat niet lukt, om ze af te zonderen van de maatschappij in gestichten, gevangenissen of ziekenhuizen. De school is een goed voorbeeld van een disciplinerend instituut: door leerlingen onder continu toezicht oefeningen te laten maken, kun je hun gedrag sturen. Toetsen moeten aanwijzen wie er aan de norm voldoet en wie tekortschiet; de tweede groep moet extra opdrachten doen om in het gareel te komen. Degenen die consequent blijven afwijken van de norm worden naar een andere school gestuurd; degenen die door alle hoepeltjes springen zijn in de mal van normaliteit gevormd tot gehoorzame en bruikbare lichamen.

Dit soort technieken wordt overal in de maatschappij toegepast; ieder individu doorloopt in zijn of haar leven een reeks disciplinerende instituten, en krijgt daar diploma’s, labels en stigma’s opgeplakt die het gaan definiëren. Op school word je verklaard tot zesjesstudent, dyslecticus of bolleboos; bij de psychiater tot ADHD’er, neuroot of depressieveling; door de belastingdienst tot middeninkomengezin, uitkeringsgerechtigde of arbeidsongeschikte. Zo produceren disciplinerende machtstechnieken scheidslijnen in de samenleving die in sommige gevallen leiden tot totale af- en uitzondering: het gevangeniswezen produceert delinquente milieus die niet in contact staan met fatsoenlijke burgers; psychiatrische instellingen asiels die de ‘waanzin’ uit de zogenaamd rationele buitenwereld houden.

Het neoliberalisme belooft, in de woorden van  Friedman, ‘cooperation without conformity'

In vergelijking met deze disciplinaire machtstechnieken is de neoliberale techniek van regeren zoals Foucault die beschrijft bescheiden, open en vrij. Het neoliberalisme belooft, in de woorden van Milton Friedman, ‘cooperation without conformity’: als sociale processen via financiële en economische interacties verlopen, kunnen mensen met fundamenteel verschillende levensovertuigingen toch samen een welvarende sociale orde vormen, zonder dat ze zich naar elkaars normen hoeven te schikken (een door en door kapitalistisch ‘leven en laten leven’).

Een neoliberale maatschappij is dan (in ieder geval in theorie) een samenleving zonder disciplinerende dwang of conformisme, een samenleving waarin mensen niet worden gedresseerd en  gestigmatiseerd, maar in grote vrijheid leven. Macht wordt daarin niet via vooraf bepaalde normen en waarden op burgers uitgeoefend, maar door middel van economische prikkels die slechts een duwtje in de rug geven, terwijl de keuzevrijheid van ieder individu gerespecteerd wordt.

In De geboorte van de biopolitiek oppert Foucault dat een neoliberale samenleving de stigmatiserende onvrijheid van de disciplinaire macht kan omzeilen. Hij schrijft: ‘aan de horizon tekent zich het beeld af [...] van een samenleving waarin systemen van verschil worden geoptimaliseerd, waarin ruimte wordt gelaten voor processen van schommeling, waarin minderheidsgroepen en hun praktijken kunnen rekenen op tolerantie, waarin de ingrepen zich niet richten op de spelers van het spel, maar op de spelregels, en waarin, ten slotte, de interventie zich richt op de omgeving en niet de individuen zelf bewerkt.’ (p. 335) Cryptonormatief of niet, overduidelijk niet de woorden van iemand die een vernietigend oordeel heeft over het neoliberalisme. Het lijkt er eerder op dat Foucault in het neoliberalisme een oplossing zag voor de politieke problemen die hij in zijn eerdere werk in kaart had gebracht.

Foucaults analyse van het neoliberalisme lijkt tamelijk naïef

Foucault and Neoliberalism onderschrijft deze interpretatie van Foucaults werk op meerdere manieren: door een directe analyse van Foucaults lezingen, door het duiden van zijn politieke keuzes, door het bespreken van denkers (als André Glucksmann, Pierre Rosanvallon en François Ewald) met wie Foucault zich in deze tijd afficheerde, en door een algemene schets van het Franse politieke landschap in de jaren zeventig en tachtig.

Daarbij wordt de kritiek niet geschuwd. Zo lijkt Foucaults analyse van het neoliberalisme tamelijk naïef in het licht van de politieke en economische ontwikkelingen die volgden. Exact een maand nadat Michel Foucault in Parijs zijn laatste lezing over het neoliberalisme had gegeven, betrad Margaret Thatcher op 4 mei 1979 Downing Street. Het neoliberalisme dat Foucault nog in abstracte termen had besproken was daarmee plots politieke werkelijkheid geworden. Een werkelijkheid die onder Reagans presidentschap (1981-1989) een wereldwijde werd. In de jaren negentig namen ook van oorsprong linkse politici als Blair, Clinton en Kok de centrale ideeën van het neoliberalisme over als ‘de derde weg’.

Foucault kon zich een zorgeloos optimisme over het neoliberalisme veroorloven omdat hij de consequenties van neoliberaal beleid in de praktijk nog niet kon overzien. Zijn theoretische  raamwerk blijkt bij nader inzien dan ook niet geschikt om de meest gewraakte consequentie van neoliberaal beleid aan de kaak te stellen: de toenemende ongelijkheid tussen arm en rijk. Foucault leverde belangrijk werk in de strijd om gemarginaliseerde groepen (gevangenen, homoseksuelen, vluchtelingen, etc.) een politieke stem te geven, maar zijn strijd tegen uitsluiting was ook een strijd tegen de verzorgingsstaat, het instrument bij uitstek om economische ongelijkheid te bestrijden. De bureaucratische molen van registratie en toezicht is volgens Foucault een disciplinerende machine van normalisering en uitsluiting, dus wie het eens is met Foucault moet eigenlijk ook tegen de verzorgingsstaat zijn, betoogt Daniel Zamora in het derde hoofdstuk.

Foucault and Neoliberalism probeert niet te bewijzen dat Foucault eigenlijk een neoliberaal was. Wel laat het zien dat zijn positie op economisch en politiek gebied ambivalent was – een stuk ambivalenter dan veel van zijn volgelingen zouden willen geloven. Het debat over de erfenis van Foucault woedt voort, net als het debat over de betekenis van de term ‘neoliberalisme’. Ondertussen mag duidelijk zijn dat Michel Foucault voor de antineoliberalen van de Occupy-beweging en de Maagdenhuisbezetters een verre van ideale beschermheilige is.

Deze bijdrage kwam tot stand in samenwerking met onze partner De Nederlandse Boekengids en is ook te lezen in het deze week verschenen #1

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven