Tom Hodgkinson/Flickr

Misschien wordt het leuk

Ze gaan met de caravan naar Zuid-Frankrijk. Niet omdat ze dat willen, maar omdat ze zo geworden zijn. Het is al half één, de grens is net bereikt. Niet die van Frankrijk, maar die van België. De jongen zit achterin. Hij luistert iets, heeft zijn koptelefoon op, staart uit het raam. De vrouw vraagt zich af wat voor muzieksmaak hij heeft, maar vraagt het hem niet. Ze vraagt hem nooit iets. Daar is hij te oud voor. Hij geeft geen antwoord meer.

Ze vraagt hem nooit iets. Daar is hij te oud voor

Grens nummer twee is bereikt – het is laat. Ze stoppen bij een wegrestaurant. De jongen heeft vettig haar, van het reizen, maar ook van het niet meer ’s avonds douchen. Het is lang geworden, ze vinden dat hij naar de kapper moet, hij haalt zijn schouders op. Ze zitten met z’n drieën, korrelige gezichten, aan een plastic tafel. De man ziet de weg nog op zijn netvlies, streepje, streepje, streepje, vrachtwagen, richting aangeven, inhalen. De man bestelt een hamburger. Hij verlangt naar een biertje. Hij verlangt naar het hele kratje Amstel dat in de keuken van de caravan staat. Het is nog een paar honderd kilometer naar de motelkamer waar ze overnachten. Ze hebben het van tevoren online geboekt.

De jongen gooit zijn rugtas op het kastje, trekt zijn broek en trui uit, gaat direct in het bijgezette derde bed liggen. Hij doet alleen de wollen deken over zich heen, niet het laken dat eronder hoort. De vrouw wil daar wat van zeggen, maar doet dat niet, zegt: ‘Moet je niet je tanden poetsen?’
De man kijkt haar aan, stopt even met zijn tas uitpakken. De jongen zegt: ‘Morgen.’
De vrouw kijkt naar de man, ze wil nog iets zeggen, iets als: ‘Ik heb toch gelijk? Zeg er wat van.’
Ze doet het niet. Ze trekt haar wenkbrauwen op. De man zucht, probeert een glimlach. Zij en hij poetsen om de beurt hun tanden in het badkamertje. Ze gebruiken de gratis exemplaren in plastic verpakkingen, hun eigen liggen nog in toilettassen in de kofferbak.
De man slaapt het eerst, hij ligt op zijn zij met één arm boven de deken. De vrouw kijkt naar zijn rug. Hij ademt diep, snurkt nét niet, daar is ze hem dankbaar voor. De adem van de jongen is sneller, ruwer. Ze probeert zich voor te stellen waar hij van droomt. Zouden het de meisjes al zijn? Ze had hem moeten toedekken, denkt ze, dan had hij beter gelegen, onder zacht katoen, dan had de wol hem niet gekriebeld. Ze aait even over de slapende, harige rug van haar man. Geen reactie.

Mens-erger-je-niet is plan B

De jongen heeft een goed humeur vandaag. Hij schept drie keer op bij het ontbijtbuffet. Hij neuriet zelfs. De vrouw glimlacht ervan. Het is hier al warmer dan in Nederland, ze is blij, ze heeft hoop. Misschien wordt het leuk. Misschien kunnen ze dit jaar met zijn drieën bordspelletjes spelen na het avondeten. Ze heeft er twee mee: Risk en Mens-erger-je-niet. Risk omdat de jongen dat vroeger leuk vond. Mens-erger-je-niet is plan B.
De man is minder blij, hij heeft slecht geslapen zegt hij, het matras was te hard. De vrouw zegt er niets over. Hij trekt wel bij, denkt ze. Ze probeert een gesprekje bij het ontbijt, ze zegt dingen die ze allemaal al weten, dat het niet ver meer is en dat ze er rond de middag wel zullen zijn, dat ze na het opzetten meteen kunnen gaan zwemmen. De man zegt niets, steekt een vettig stuk worst in zijn mond. De jongen knikt, herhaalt vlak: ‘zwemmen’. Ze kijken elkaar even aan. Zij glimlacht, hij trekt zijn mondhoeken op.

De jongen helpt pas met de caravan als ze hem erom vragen. Hij schroeft de pootjes naar beneden, klakt met zijn tong als zijn vader er de waterpas bijhoudt. Het is niet recht. De man heeft zweetplekken op de rug van zijn poloshirt. De vrouw tilt kleine dingen, klapt stoeltjes uit, legt de stekkerdoos neer en sluit de koelkast aan. Ze zet er twee flesjes Amstel in, blikjes cola, een fles rosé, de pot chocopasta.
Zodra het deurtje open kan gaat de jongen de caravan in, hij kleedt zich om, komt naar buiten in zijn nieuwe zwembroek. Een blauwe, met rode Hawaiibloemen erop. Zijn benen zijn wit en harig, hariger dan de vrouw had verwacht. Ze kijkt er naar, houdt haar adem even in. Hij wordt oud. Hij is oud. Zij is oud.

Ze zegt dingen die ze allemaal al weten

‘Ga je zwemmen?’ vraagt de man, hij zit voorover gebogen maar kijkt even op, veegt zweet van zijn voorhoofd.
‘Ja.’
‘Als je even wacht kleed ik me ook om, dan ga ik mee.’
‘Hoeft niet hoor.’
‘Oké, we komen zo. Weet je waar het is? Smeer je goed in hoor.’
De jongen knikt, maar gaat niet terug om zonnebrand te pakken. ‘Tot zo,’ zegt hij, loopt dan het pad af. Het zand stuift op, maakt wolkjes om zijn sloffende blote voeten. De vrouw kijkt hem even na. Dan pakt ze de volgende tas uit de kofferbak.

Meer Verhalen
Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Reacties zijn gesloten.

Naar boven