Wikimedia Commons

Motief hoort geen rol te hebben in het strafrecht

Er wordt wel gezegd ‘one man’s terrorist is another man’s freedom fighter’. Een daad wordt naar gelang iemands bedoeling heel anders bekeken: Robin Hood was, strafrechtelijk gezien, een ordinaire afdreiger en dief. Nu hij alleen niet uit eigengewin jatte, maar van de rijken stal om de opbrengst aan de armen te geven, is hij een held. Hetzelfde geldt voor kolonel Von Stauffenberg. Over hem zijn boeken vol geschreven en blockbusterfilms gemaakt. Zijn poging Hitler in 1944 om te brengen geldt niet als aanslag op een regerend staatshoofd maar als een dappere, vergeefse tyrannicide. In beeldvorming maakt het motief van een dader – zijn uiteindelijke doel – dus veel uit.

Tegen die achtergrond voelt het merkwaardig dat motief in het Nederlands strafrecht vrijwel geen rol speelt. Toch is dat zo gek niet. Het heeft te maken met een keuze voor het ‘daadstrafrecht’. Rechters bekijken of iemand strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor een strafwaardige daad. Iemands gedachtengoed of beweegredenen spelen bij die vaststelling geen rol. Iemand kan dus niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gehouden vanwege zijn gedachtengoed of beweegredenen. Wat iemand aanvoert als bedoeling kan mogelijk – net als alle andere omstandigheden van het geval – een rol spelen bij de uiteindelijke strafoplegging: verdient iemand voor zijn daad straf en zo ja, hoe hoog dan? Maar die vraag komt past na de vaststelling van strafrechtelijke aansprakelijkheid.

In beeldvorming maakt het motief van een dader veel uit

Bij de vaststelling van strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt gekeken naar of iemand een bepaalde daad kan worden verweten. De kernvraag is dan (doorgaans) of iemand opzet op die daad heeft gehad. Dat begrip ‘opzet’ is neutraal, waarbij de aanwezigheid ervan uit feiten en omstandigheden worden afgeleid en niet uit iemands gedachtengoed. Dat heeft een goede reden: officieren van justitie, rechters, advocaten, wetgever; wij juristen zijn allen slechts psychologen van de koude grond. Wij kunnen als simpele juristen niet in iemands psyche duiken om zijn diepste beweegredenen vast te stellen. Dat moeten we ook niet willen. Het Nederlands strafrecht vereist dan ook niet de vaststelling van ‘boos opzet’, slechte gedachten zijn geen vereiste voor strafrechtelijke aansprakelijkheid. Opzet bestaat als de verdachte zich bewust is geweest van de gevolgen van zijn gedraging en hij die gedraging desalniettemin heeft gewild. Meer is het niet.

Opzet wordt afgeleid uit feiten en omstandigheden en niet uit iemands mogelijke bedoeling, al meent iemand met zijn daad de wereld te verbeteren. Neem bijvoorbeeld iemand die half december een auto vernielt om zo in de gevangenis te raken om onderdak tijdens de kerstdagen te hebben. Zijn bedoeling is onderdak, maar zijn opzet is gericht op het willens en wetens slopen van die auto. De reden dat hij de auto openbreekt speelt mogelijk een matigende rol bij de hoogte van de straf, maar hij is wel degelijk strafrechtelijk aansprakelijk. Dat uitgangspunt heeft vooral ook een belangrijke beschermende kant: iemand kan nog zulke boze bedoelingen hebben, maar strafbaar is hij niet zonder dat hem een concreet strafbaar feit kan worden verweten. Het aanhangen van zelfs de meest verwerpelijke ideologie is eerst strafbaar als de gedachte daadwerkelijk resulteert in een strafbare daad.

Speelt ‘motief’, de bedoeling van een dader, in ons Nederlandse strafrecht dan nergens een rol? Alleen bij heel hoge uitzondering. Er is slechts een buitengewoon klein aantal misdrijven dat een bijzondere bedoeling van de dader vereist. Een aantal delicten vereist ‘winstbejag’ bij de dader – bijvoorbeeld het in een gezin doen opnemen van een baby als pleegkind (art. 151a Sr), het iemand toegang geven tot de EU (art. 197a, tweede lid Sr) en een paar delicten die het strafbaar stellen om te profiteren van gepleegde misdrijven. Er is één delict dat een specifiek motief vereist: namelijk kindermoord door een moeder rees voor ontdekking’ van het kind of de zwangerschap (art. 291 Sr). Maar dat was het wel, qua motief in ons strafrecht. Althans, tot de ‘Wet terroristische misdrijven’ zijn intrede deed in augustus 2004.

Voor een aantal ernstige delicten – waaronder moord, gijzeling en deelneming aan een criminele organisatie – werd een nieuwe variant geïntroduceerd: het plegen van die feiten ‘met een terroristisch oogmerk’. Onder bezielende leiding van toenmalig minister Donner heeft het terroristisch oogmerk een unieke invulling gekregen: de dader van die misdrijven moet daadwerkelijk een terroristisch doel voor ogen hebben gestaan. Dat betekent dat hij met zijn daad de uitdrukkelijke bedoeling moet hebben gehad om de bevolking vrees aan te jagen, de overheid af te persen of – kort gezegd – de fundamentele structuren van een land te ontwrichten. Als de bedoeling van de verdachte daarop ziet, volgt een veel hogere strafbedreiging. Ook het voorbereiden van zulke terroristische misdrijven is strafbaar, zonder dat er concreet iets hoeft te zijn gebeurd. De wet is bovendien niet beperkt tot Nederland: het is ook strafbaar om terroristische misdrijven in – bijvoorbeeld – Syrië of Irak te plegen en om deze voor te bereiden.

Zo zout hebben we het in strafrechtland sinds de Wet terroristische misdrijven niet meer gegeten

De psyche van een verdachte doet hiermee ineens zijn intrede in ons strafrecht, en dat terwijl we nu juist tot uitgangspunt hadden genomen als juristen niet op de stoel van de psychoanalyticus te gaan zitten. Hoe stel je immers de bedoeling van een verdachte vast? Dat is nogal belangrijk bij voorbereidingshandelingen: bezit van kunstmest is niet strafbaar, maar kan dat bij een ‘terroristisch oogmerk’ wel degelijk zijn. Daarbij komt dat iemand ook kan veinzen een terroristische daad te hebben willen plegen. Hoe prik je door de façade en stel je de werkelijke bedoeling vast? Iemand kan ook niet helemaal bij zijn volle verstand zijn geweest toen hij een bepaalde bedoeling had. Zie voor dat laatste bijvoorbeeld de door de ‘journaaldreiger’ meegebrachte verklaring over de mysterieuze ‘wij’ die ‘tot actie’ zouden ‘overgaan’, terwijl hij kennelijk in zijn eentje heeft gehandeld en er geen actie op stapel stond. Kunnen we hem dat wel aanrekenen? Ten slotte – en dat brengt mij terug naar de spreuk uit de inleiding – is het normenkader waarbinnen het terroristisch oogmerk wordt beoordeeld natuurlijk subjectief. Waarom wordt een Nederlands motorclublid dat in Syrië op IS-strijders jaagt gehuldigd, terwijl al verschillende potentiële Syriëgangers zijn veroordeeld voor voorbereidingshandelingen voor gewapende jihad tegen Assad? Voorzichtigheid is sowieso geboden, maar juist hier veroorloven wij juristen ons de vrijheid psycholoogje te gaan spelen en wel even de terroristische bedoeling van een verdachte vast te stellen.

Het Nederlandse strafrecht is ooit zeer bewust gestoeld op het uitgangspunt dat juristen niet hoeven te wroeten in de psyche van een verdachte

Zo zout hebben we het in strafrechtland sinds die Wet niet meer gegeten. Maar er heerst wel een trend waarbij steeds meer de nadruk wordt gelegd op de kennelijke bedoeling van verdachten. Zo is sinds 2010 het zogenaamde ‘grooming’ strafbaar: het maken van een seksafspraak met iemand onder de zestien, terwijl het niet tot een daadwerkelijke ontmoeting hoeft te leiden. Het voornemen tot ontmoeting an sich is strafbaar, als er iets wordt ondernomen die te verwezenlijken. En vorig jaar nog keurde de Hoge Raad een veroordeling goed van een man die voorbereidingshandelingen had gepleegd voor zedenmisdrijven tegen een fictief meisje van 10 jaar oud. Het meisje bestond niet, er was dus geen concreet gevaar, maar de kennelijke bedoeling van de man vormde toch grond voor strafbaarheid. En het gaat niet om zeden alleen: sinds maart 2015 zijn voorbereidingshandelingen voor wietteelt strafbaar. Het bezit van potgrond met verkeerd opzet kan dus zomaar tot een veroordeling leiden. De nadruk van strafrechtelijk ingrijpen lijkt meer dan ooit op intentie te liggen.

Het Nederlandse strafrecht is ooit zeer bewust gestoeld op het uitgangspunt dat juristen niet hoeven te wroeten in de psyche van een verdachte. De bedoeling van een verdachte is niet doorslaggevend, maar de daad die hij mogelijk heeft gepleegd en de vraag of de daad hem kan worden aangerekend. Motief speelt geen rol in de vaststelling van strafrechtelijke aansprakelijkheid. Via de achterdeur echter hebben we dat motief toch binnengehaald, in buitengewoon gevoelige kwesties van terrorisme. Ook zien we de laatste jaren een trend waarbij niet concrete strafwaardige gedragingen wordt bestraft, maar meer en meer de nadruk wordt gelegd op de kennelijke bedoeling die iemand heeft. Dat is een gevaarlijke ontwikkeling. Het lijkt arrogant om een weldoordacht en geobjectiveerd strafrecht op deze manier te bezoedelen met de gedachte dat wij juristen wel even in het brein van een verdachte kunnen kijken om zijn beweegredenen vast te stellen. Het wijzen op de gevaren van een ‘gedachtenpolitie’ lijkt gezien deze trend niet onterecht.

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven