Flickr / Marion Doss

Nathan Englander: de verhalenslijper

For the Relief of Unbearable UrgesNathan Englander1999
The Ministry of Special CasesNathan Englander2007
What We Talk About When We Talk About Anne FrankNathan Englander2012

Op de dag dat de nazi’s het getto van Chelm ontruimen komt een groep orthodoxe joden per abuis in de verkeerde trein terecht: in plaats van in een veewagen voor deportatie belanden de Mahmirim in een circustrein. Om te overleven moeten ze zich tot acrobaten omscholen. De goochelaar vertelt ze wat er gebeurt met de andere joden: ‘A classic illusion. First they are here, and then they are gone.’

Op een doodgewone New Yorkse avond ontdekt Charles Luger, protestant van opvoeding, dat hij een joodse ziel heeft. Hij zoekt in zijn enthousiasme meteen in het telefoonboek een goedkope rabbi en begint koosjer te eten. Zijn vrouw en zijn psychiater zijn minder enthousiast: ‘well, if you have to be Jewish, why so Jewish?[...] Why do people who find religion always have to be so goddamn extreme?

Joden die plots acrobaten worden en een taxipassagier die plots joods wordt: twee hoekjes in het universum van Nathan Englander (1970), beide uit zijn debuut van 1999, de verhalenbundel For the Relief of Unbearable Urges. Hij mag geen bijzonder productieve auteur heten: zijn tweede boek, de novelle The Ministry of Special Cases verscheen pas acht jaar na zijn debuut, en nog eens vijf jaar later, in 2012, volgde zijn recentste werk, de bundel What We Talk About When We Talk About Anne Frank. Slechts drie boeken in veertien jaar – maar alle drie zullen naar verwachting de geschiedenis ingaan als moderne klassiekers.

De combinatie van verhalen leest eerder als een open vraag dan als een stellingname over Israël.

In alle drie de boeken klinkt de joodse afkomst van de auteur duidelijk door – hij is geboren en getogen in een orthodox milieu in New York, en heeft jarenlang in Israël gewoond. Veel van zijn korte verhalen spelen met herkenbaar joodse problematiek. Een voorbeeld is Free Fruit for Young Widows, het laatste verhaal in de recentste bundel, waarin de verhouding tussen de Shoah en het leven in Israël op scherp wordt gezet. Een fruitverkoper in Jeruzalem geeft dagelijks gratis fruit aan een professor, tot grote verbazing van zijn zoon: de professor had namelijk tijdens de Suez-oorlog in hetzelfde regiment als de fruitverkoper op brute wijze een aantal medesoldaten afgeslacht. De fruitverkoper legt zijn zoon uit dat wat de professor later heeft gedaan niet uitmaakt: aan een overlevende van een concentratiekamp moet alles vergeven worden.

Toen dit stuk in 2010 door de New York Times werd geplaatst, kreeg het felle kritiek: het zou gaan om ‘a well crafted piece of Israeli propaganda’. Maar in de bundel What We Talk About When We Talk About Anne Frank vormt het een contrapunt met een ander verhaal: in Camp Sundown, een Stephen King-achtige vertelling over een rustoord voor bejaarden, haalt een groep Duits-Joodse bezoekers zich in het hoofd dat een andere bezoeker commandant in een concentratiekamp is geweest. Hier leidt de herinnering aan de Shoah niet tot vergeving voor latere oorlogsmisdaden, maar tot een grimmige massahysterie. De combinatie van de twee verhalen leest eerder als een open vraag aan de lezer dan als een stellingname over de staat Israël.

Nathan Englander is dus geen Zionistische propagandist, maar zeker ook geen verzamelaar van joodse curiosa: hij is niet bezig met folkloristische verhalen en traditionele wijsheden. Hij is in de eerste plaats een meedogenloze verzamelaar van interessante verhalen. Dat deze verhalen zich afspelen in een joods milieu is een natuurlijke keuze, gezien Englander’s achtergrond – net als voor Alice Munro provinciaal Canada een natuurlijke achtergrond vormt, of Japan voor Murakami. Englander schrijft niet over het joodse leven, maar vanuit het joodse leven.

Toch is het Jodendom in zijn werk meer dan alleen een decor waartegen zijn verhalen zich afspelen. De joden dienen als spiegel voor de moderne wereld: ze zijn een bastion van herinnering in een wereld die alleen vooruit kijkt, de hoeders van het verleden in een maatschappij die zich steeds sneller de toekomst in stort. Het joodse milieu dient door zijn specifieke verhouding tot het verleden als opstap naar universele reflecties op hoop, verlies en herinnering.

Englander schrijft niet over het joodse leven, maar vanuit het joodse leven.

Het conflict tussen een toekomstgerichte wereld en de traditionele wortels van de joden is misschien wel het meest expliciet aanwezig in de roman The Ministry of Special Cases. Na Videla’s machtsovername waart er een revolutionaire geest door Argentinië die alles wil moderniseren. De held van het verhaal, Kaddish Poznan (vernoemd naar het rouwgebed Kaddisj), verdient zijn geld door ’s nachts op een joodse begraafplaats namen van grafstenen te verwijderen. Rijke joden betalen hem om hun afkomst in de vergetelheid te verbergen. Na een klus voor een plastisch chirurg wordt hij in natura betaald met een neusverkleining, waardoor hij – zo is de implicatie – uiterlijk niet meer herkenbaar is als jood. Maar de moeite die hij doet om zijn eigen Joodse afkomst en die van anderen te verduisteren wordt problematisch op het moment dat zijn zoon door de overheid wordt ontvoerd. Bij het verlies van een eigen zoon blijkt het onmogelijk het verleden simpelweg uit te wissen.

In zijn roman is de thematiek explicieter, maar Englander’s talent is het best zichtbaar in zijn korte vertellingen. Met een vlijmscherp oog voor goede verhalen verzamelt hij materiaal dat het vertellen waard is, en vervolgens werkt hij zo nauwkeurig als een diamantslijper om ieder woord te doen tellen.

Het verhaal Sister Hills uit zijn recentste bundel is bijvoorbeeld ontstaan uit een anekdote die de auteur hoorde van de Israëlische schrijver Etgar Keret (‘a truly generous soul, and my hairiest muse’). Het is de Yom Kippur-oorlog van 1973, het prille begin van een Israëlische kolonie in de Westelijke Jordaanoever. Een moeder komt ’s nachts met haar pasgeboren kind bij haar buurvrouw Rena, die thuis wacht tot haar man en zonen terugkomen uit de oorlog. Het kind is ziek. De moeder ziet het als een vloek van God op haar familie, en stelt voor de vloek op te heffen door een oud ritueel: Rena moet het kind ‘kopen’, zodat het in de ogen van God niet meer bij de vervloekte familie hoort.

Zo geschiedt: Rena koopt de baby, het kind geneest en gaat terug naar de eigenlijke ouders. Maar Rena’s man komt niet terug uit de oorlog, en in de jaren die volgen verliest ze haar zonen één voor één; de eerste in de Libanon-oorlog van 1982, de tweede tijdens de eerste Intifada, en de laatste in een verkeersongeluk in Jeruzalem. Waanzinnig van verdriet gaat ze naar haar buurvrouw, die negen levende kinderen heeft, om het kind dat ze gekocht heeft op te eisen. Er ontspint zich een Talmoedische discussie met grote gevolgen.

Het joodse milieu dient als opstap naar universele reflecties op hoop, verlies en herinnering.

Nathan Englander verstaat de kunst om binnen enkele pagina’s de aandacht te grijpen. In een kort verhaal is het vooral belangrijk wat er niet wordt verteld; de sprongen in de tijd geven het geheel een vaart die in een roman niet mogelijk is. Maar het tempo doet niets af aan de diepgang: door Englander’s meesterlijke techniek wordt deze anekdote in slechts 40 pagina’s zowel een religieus sprookje als een hartstochtelijk rouwgebed als een grimmig panorama van de recente Israëlische geschiedenis.

Ondertussen lijkt Englander langzaam productiever te worden: in 2012 bracht hij niet alleen de bundel What We Talk About When We Talk About Anne Frank uit, maar ook een vertaling van de liturgie voor Pesach, de Hagadda, in samenwerking met Jonathan Safran Foer. Eind 2012 ging in The Public Theater te New York een bewerking van zijn vroege verhaal The 27th Man in première – over de laatste uren van een groep Jiddische schrijvers die in het Rusland van Stalin hun executie afwachten.

Sinds 2013 is het weer volledig stil rond Nathan Englander: zelfs zijn website is al meer dan een jaar niet bijgewerkt. Gezien zijn solitaire werkwijze kan dit alleen maar betekenen dat hij weer achter de schrijftafel aan een volgend project zit. Als de kwaliteit van zijn volgende werk ook maar in de buurt komt van het werk dat hij tot nu toe heeft uitgebracht, zal hij snel definitief worden opgenomen in de canon van de moderne literatuur.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven