Flickr / Gerard Stolk

Nederland als product en bastion

Nederland in rep en roer. De journalisten van Spits ontdekten dat vanuit het politieke hart van ons land nationalisme van de meest vulgaire soort geuit wordt. In het kantoor van PVV-er Wim Kortenoeven hing namelijk de oranje-wit-blauwe Prinsenvlag, een door de NSB toegeëigend nationaal symbool dat in de eenentwintigste eeuw enkel nog verkrijgbaar is bij  rechts-extremistische organisaties als Voorpost. Hoewel een storm in een glas water, geeft deze toestand een perfecte dwarsdoorsnede van de huidige politieke impasse in Nederland. Het terugdeinzen van de PVV toont de constante ideologische worsteling van de partij (zover bij de PVV überhaupt sprake is van ideologie), de regeringspartijen houden zich ongemakkelijk stil  over de grillen van hun gedoogpartner en de partijen die zich links noemen proberen het incident tevergeefs aan te grijpen om een vuist te maken tegen de politieke impasse.

Het 'oranje-blanje-bleu-oproer' geeft echter ook aanleiding om de balans op te maken van het huidige nationalisme in ons land. Zowel historisch als bezien vanuit de huidige wereldorde is ditnamelijk een zeer interessant fenomeen. Niet omdat het nationalisme een monopolie is van een partij als de PVV, maar omdat nationaal sentiment gemeengoed is geworden in verschillen sectoren van onze maatschappij.

De laatste jaren is nationalisme echter meer salonfähig geworden.

Nederlanders hebben de neiging zich te bestempelen als een a-chauvinistisch volk. Tot een aantal jaar geleden leek het collectieve ‘wij-gevoel’  inderdaad slechts sporadisch (tijdens succesvolle sportevenementen)op te borrelen en bleef verder beperkt tot rechts-extremistische groeperingen of rechts-populistische partijen. De laatste jaren is nationalisme echter meer salonfähig geworden. Het ligt voor de hand hierbij te wijzen op de partij van Kortenoeven, maar het fenomeen kent een aantal dieperliggende structuren die blootgelegd moeten worden.

Ik noem deze nieuwe nationalistische retoriek om twee redenen ‘economisch nationalisme’. Ten eerste omdat de ‘Holland-factor’ de laatste vijf jaar uiterst effectief wordt ingezet als middel voor commercieel succes (een fenomeen dat zich interessant genoeg in relatief korte tijd naar een aantal uiteenlopende commerciële en publieke sectoren heeft verspreid). Programma’s als Ik hou van Holland, Boer zoekt vrouw, The voice of Holland en Wat vindt Nederland? zijn ware kijkcijferkanonnen. Energie- en meubelgiganten zetten zich fel af tegen buitenlandse multinationals die de klant te veel laten betalen (de commercial van de Nederlandse Energiemaatschappij tegen de Duitse overname van Essent in een voorlopig hoogtepunt van deze trend). Publieke zenders als 3FM laten Nederlandse popformaties doorbreken die consequent onderdoen voor hun collega’s in België, Zweden of Duitsland, enkel om te kunnen aantonen dat ‘we’ toch wel wat kunnen in dit land.

Een tweede reden om dit neo-nationalisme als economisch te bestempelen is meer van politieke aard. Onder Rutte-I speelt de nationale economie een allesbepalende rol. Deze nieuwe vorm van nationaal denken wordt het beste samengevat in een dubbelcitaat van de premier zelf, die stelt dat ‘de staatsschuld van 18 miljard ons allen boven het hoofd hangt’ en dat ‘dit prachtige land weer teruggegeven moet worden aan de Nederlanders’. Wat deze varianten op het economisch nationalisme verbindt is niet zozeer hun economische (de commerciële variant is immers om een andere reden economisch te noemen dan de politiek-economische variant), maar hun defensieve karakter. Beide kunnen gezien worden als en poging de dreiging van de wegebbende economische soevereiniteit (de crisis bedreigt de economische onafhankelijkheid van de burger) van de burger het hoofd te bieden. Deze dreiging wordt zowel intern (mensen die niet op fatsoenlijke wijze participeren in de economie en daardoor in zekere zit verstoten worden uit de gemeenschap van ‘fatsoenlijken’) als extern (namelijk de globalisering van de politieke economie met als gevolg de instabiliteit die economisch zwakke landen als Griekenland kunnen veroorzaken en de bedreiging van Nederlandse bedrijven door multinationals).

In een doorontwikkelde geglobaliseerde wereld zou boer Frank geen boer zijn...

Het neo-nationalisme roept drie interessante vraagstukken op. Historisch gezien onderscheidt dit nieuwe nationale gevoel zich ten eerste van de voorafgaande dynamiek van het Europese nationalisme. De twee meest vooraanstaande nationalisme-historici, Eric Hobsbawm en Benedict Anderson stellen dat binnen nationalisme tot op zekere hoogte (over deze hoogte verschillen de auteurs van mening) het idee van een gemeenschap geconstrueerd is aan de hand van ogenschijnlijk concrete fenomenen als geschiedenis, taal of etniciteit. Binnen het huidige nationalisme ontbreekt een dergelijke poging een band aan te gaan met een geconstrueerde realiteit. Zowel Mark Rutte, de Nederlandse Energiemaatschappij als de 3FM-dj verklaren niet wat dit Nederlanderschap nu bepaalt (het is overigens interessant hoe Mark Rutte in dit opzicht verschilt van de PVV maar ook van Jan-Peter Balkenende, die met zijn oproep tot VOC-mentaliteit juist wel een expliciete poging deed het nationale gevoel van een concrete inhoud te voorzien). Het beste voorbeeld van de economisering van het nationalisme is de politieke houding van de laatste maanden tegenover het koningshuis. Vanuit de politiek wordt de symbolische functie van Beatrix weliswaar niet ontkend, maar deze functie mag vooral niet teveel kosten (ook Beatrix aandeel in de economie moet fatsoenlijk zijn). Op abstract niveau kan dit ontbreken van een band tussen retoriek en realiteit een gevaarlijke consequentie hebben. Het retorische niveau bestaat immers onafhankelijk van een (al dan niet geconstrueerde) realiteit en is dus niet toetsbaar of weerlegbaar.  Dit geeft het neo-nationalisme een enorme potentie waarvan het de vraag is hoe die in de toekomst benut zal worden.

Een tweede probleem van het economisch nationalisme is haar problematische relatie met globalisering. Behalve dat dit proces onontkoombaar is, gedijen zowel bedrijven als de door de VVD uitgedragen ideologie het beste bij een wereldwijde vrije markteconomie. De dialectiek zit hem erin dat de nationale economie door een wereldwijde economie juist onder druk gezet wordt. Deze onoverbrugbare spanning wordt weerspiegeld in de commerciële en amusementssector. In een doorontwikkelde geglobaliseerde wereld zou boer Frank geen boer zijn omdat hij meer kost dan een Chinese of Ecuadoriaanse boer en zouden we onze meubels halen uit landen waar de productiekosten aanzienlijk lager liggen dan in Nederland.

Het neo-nationalisme kent een enorme potentie waarvan het de vraag is hoe die in de toekomst benut zal worden.

Met dit betoog wordt niet gepoogd het al dan niet bestaan van een Nederlandse cultuur in twijfel te trekken. Het is echter interessant waarom dit nieuwe, cultureel uitgeholde nationalisme aanslaat. Is het nationalisme een uiting van een langer onderhuids aanwezig gevoel vanuit het volk (de volgorde die verschillende populisten zich de afgelopen tien jaar hebben toegeëigend) of is het nationalisme van bovenaf opgelegd om daarna een eigen dynamiek te krijgen (de complottheorie-variant). Slavoj Žižek geeft in zijn analyse van het fascisme een synthese van beide varianten, maar het huidige nationalisme lijkt te weinig gelegitimeerd te worden door concrete voorbeelden om tot een dergelijke samenkomst te komen. Een grondigere analyse van deze problematische relatie kan zowel de interne contradicties van het verkapte economische nationalisme blootleggen als het succes van het de partij die oranje-blanje-bleu voor het eerst sinds de jaren 1930 weer in de politiek heeft gebracht verklaren. In het gunstige geval maakt het de uitdagingen aan de huidige Nederlandse politiek een stuk behapbaarder.

 

Verder lezen:

Benedict Anderson, Imagined Communities, Reflections on the Origin and Spread of Nationalism (Cambridge, 1990)

Eric Hobsbawm, Nations and Nationalism since 1780. Programme, Myth, Reality (Cambridge, 1990).

Eric Hobsbawm, The Invention of Tradition (Cambridge, 1983).

Gerelateerde artikelen
Reacties
4 Reacties
  • Lekker stukkie Mr. Thomas

  • Interessant Tommie. Ga jij hier nog op verder?

    Ik heb wel een kleine kritiek over wat je zegt over Rutte's dubbelcitaat. Jij zegt hierover "Beide kunnen gezien worden als en poging de dreiging van de wegebbende economische soevereiniteit (de crisis bedreigt de economische onafhankelijkheid van de burger) van de burger het hoofd te bieden."

    Rutte heeft het over de Nederlandse staatsschuld en de Nederlandse economie omdat Nederland de jurisdictie is waarin hij gekozen is en dus macht heeft en zijn loyaliteit en prioriteit noodzakelijkerwijs in Nederland moet liggen. Dat heeft m.i. niet te maken met wegebbende souvereiniteit nationalistische tendensen. Er is om die redenen ook nog nooit een Nederlandse premier geweest die plannen had de economie van Equador te hervormen.

  • He Sjippo!

    Dank je voor het compliment en voor je terechte opmerking. Ik weet nog niet of ik op het thema doorga. Het was een redelijk vlugge gedachtesprong die ik redelijk vlug heb uitgewerkt. Het fascineert me echter wel.

    Over het dubbelcitaat: wat je zegt klopt helemaal. Uiteraard is het zo dat de Nederlandse premier ongeacht de persoon de Nederlandse economie en ook maatschappij als primaire doelgroep ziet. Op deze manier zou je iedere politicus die het beste met zijn land voor heeft een nationaal denker kunnen noemen.
    Met wegebbende economische soevereiniteit (excuses voor mijn wat abstracte formulering) bedoel ik dat het economische vermogen per burger door de crisis dreigt af te nemen. Wat betreft Rutte denk ik dat hij een oproep aan de natie doet als direct gevolg van deze economische dreiging.
    Ik haal het citaat van de staatsschuld en het idee van een economische bedreiging voor het land er dus om twee redenen bij. Ten eerste om te laten zien waar de prioriteiten van Rutte liggen, namelijk primair bij de economie (hierin verschilt hij van Balkenende, wat gezien de veranderende atmosfeer niet verwonderlijk is). Ten tweede toont het citaat aan dat Rutte op zeer instrumentele wijze (ik denk dat Rutte's economische motieven veel sterker zijn dan zijn nationalistische) wel degelijk de nationalistische kaart speelt.

  • He Sjippo!

    Dank voor je reactie en kritiek. Ik had gisteren al een reactie gegeven maar die kon om technische redenen niet goed geplaatst worden. Ik ben het helemaal met je opmerking eens dat een premier zijn eigen land tot primair doel stelt. Iedere politicus die het beste met zijn land voor heeft zou je in deze zin een nationalist kunnen noemen. Ik haalde het dubbelcitaat om twee redenen aan. Met 'wegebbende economische soevereiniteit' (excuse voor mijn ietwat abstracte formulering), bedoel ik dat Rutte zichzelf als hoogste doel heeft gesteld om Nederland (met als basis de hardwerkende Nederlander) economisch uit het slop te trekken. Dit als reactie op de economische crisis, die het vermogen/koopkracht van iedere burger bedreigt. Zijn beroep op de Nederlander is dus primair economisch gemotiveerd (en daarin verschilt hij van bijvoorbeeld Balkenende). Ten tweede wil ik laten zien dat hij, door zo een sterk beroep te doen op de burger, wel degelijk de nationalistische kaart speelt. Zijn nationalisme is weliswaar instrumenteel (het dient zijn economische plan en niet andersom), maar Rutte hamert er wel op dat Nederland sterk en onafhankelijk moet optreden (misschien zelfs een voorbeeld voor de rest van Europa moet zijn). Dit in combinatie met zijn oproep aan de burger en het idee dat Nederland terug gegeven moet worden aan de Nederlander (retoriek die misschien nodig is voor een premier anno 2010) getuigt er van dat nationalisme (hoe instrumenteel misschien dan ook) Rutte niet geheel vreemd is.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven