Nee, ik heb niets te verbergen. Dus blijf uit mijn huis

Leonie Breebaart ruilt privacy in voor een gevoel van veiligheid. In haar column in Trouw van 5 november geeft ze de AIVD het recht om haar gegevens te gebruiken in hun onderzoeken en risicoanalyses. Mits de gegevens na nadere inspectie weer verwijderd worden. Ze is immers geen crimineel en hoort daarom ook niet thuis in de databestanden van de inlichtingendiensten. Maar heeft ze wel nagedacht over de implicaties die deze wetgeving met zich meebrengt?

Deze wet zal niet de veiligheid bieden die geclaimd wordt. De overheid zegt terrorisme te bestrijden door niet alleen een verdachte te schaduwen, maar ook zijn omgeving. Los van de vraag of de nieuwe wetgeving daadwerkelijk meer veiligheid biedt of dat het vooral een potentieel controlemiddel is, impliceert deze wetgeving een relatie tussen burgers en overheid waar wij onschuldige burgers misschien niet op zitten te wachten. Deze wetgeving plaatst niet alleen de staatsveiligheid tegenover individuele privacy: deze wet, of beter gezegd de onderliggende filosofie van deze wetgeving, leidt tot een inbreuk op ons zelf, ons idee van thuis. Om dit duidelijk te maken grijp ik terug op de lezing Gastvrijheid (1997) van de Franse filosoof Jacques Derrida.

Deze wet leidt tot een inbreuk op ons zelf, ons idee van thuis.

In deze tekst stelt Derrida de vraag van de vreemdeling: wie is dit en wie is hij voor mij? In de eerste plaats is de vreemdeling iemand die niet zomaar bij mij thuis komt. Mijn thuis is mijn plek, waar ik mij veilig voel en soeverein ben. Derrida voegt daar aan toe dat 'mijn thuis ook wordt gevormd door de bereikbaarheid van mijn telefoonlijn (waarmee ik mijn tijd, mijn stem … kan geven aan wie ik wil en dus iedereen die ik wil direct… bij mijn thuis kan binnenlaten … of die ander … nu een vriend is of onbekende aan de andere kant van de wereld).' Mijn thuis, zo stelt Derrida, dat zijn mijn mogelijkheden om te communiceren met anderen. Wanneer een instantie dit zonder mijn medeweten afluistert, breken ze in mijn thuis in. Of zoals Derrida al in 1997 zei: 'Wat in ieder geval opnieuw ter discussie staat en tegelijkertijd ‘verstoord’ of vervormd raakt, is de scheidslijn die loopt tussen wat wel en niet publiek is, tussen de openbare of publieke ruimte en het thuis van het individu of de familie.' Gezien de commotie rond de ‘sleepwet’ is dit nog steeds een punt van discussie.

Derrida komt in deze tekst tot de conclusie dat gastvrijheid een paradoxaal begrip is. Hij onderscheidt twee vormen van gastvrijheid, namelijk voorwaardelijke en onvoorwaardelijke gastvrijheid. Voorwaardelijke gastvrijheid wil zeggen dat ik afspraken kan maken met de vreemdeling die bij mij voor de deur staat. Zo onderwerp ik mijzelf en de vreemdeling aan een rolverdeling. We maken afspraken en onderhandelen over rechten en plichten. Zodra de onderhandelingen echter beginnen, spreken we niet meer over een gast maar een klant. Er is dan geen vreemdeling meer aan wie ik gastvrijheid kan verlenen. Wanneer ik onvoorwaardelijk gastvrij ben, stel ik geen voorwaarden en grenzen aan de vreemdeling. Hij blijft voor mij een vreemde voor wie ik gastvrij kan zijn. Het gevolg is wel dat de gast koning wordt in mijn huis. Zonder grenzen aan mijn gastvrijheid, moet ik mijzelf schikken naar de wil van mijn gast. Ik word zodoende gegijzeld in mijn eigen huis. Gastvrijheid zonder meer is daarom niet mogelijk. Zowel bij voorwaardelijke gastvrijheid als onvoorwaardelijke gastvrijheid verdwijnt er een voorwaarde om de gastvrijheid te kunnen verlenen. Hieruit blijkt het tegenstrijdige karakter van het begrip ‘gastvrijheid’.

Zonder grenzen aan mij gastvrijheid, moet ik mijzelf schikken naar de wil van mijn gast.

De nieuwe technische mogelijkheden bedreigen de intimiteit van mijn thuis. Onze datastromen en communicatiemogelijkheden beperken zich immers niet meer tot ons huis, maar gaan de hele wereld over. De taak van de overheid is zorgen voor openbare veiligheid zodat ik en mijn thuis veilig zijn voor indringers. Daarom mag de overheid onder bepaalde omstandigheden inbreken in het huis van haar burgers. Wanneer de staatsveiligheid in het geding is én wanneer er gegronde redenen zijn dat een persoon daar iets mee te maken heeft. Kortom: de overheid mag optreden wanneer het publieke belang daarmee gediend is. Wat onze overheid daarentegen niet mag doen, is bij haar burgers binnenkomen wanneer hier geen gegronde reden voor is. Feitelijk stapt de overheid daarmee over de drempel van ons huis, zonder dat er voorwaarden zijn gesteld. Ze eist van mij onvoorwaardelijke gastvrijheid.

Wanneer de mogelijkheid tot gastvrijheid wordt bedreigt, vormt het ook een bedreiging 'voor het eigen territorium van het eigene en het recht op particulier eigendom', aldus Derrida. Mijn thuis is immers de plaats waar ik mijn rol als gastheer kan vervullen. Wie mijn vermogen tot gastheer zijn bedreigt, bedreigt mijn gevoel van thuis en maakt mij tot een gegijzelde in mijn eigen huis. Met de nieuwe wetgeving gedraagt de overheid zich als een gast die onvoorwaardelijke gastvrijheid eist. De overheid eist in het belang van de publieke veiligheid een plek op in het privé-domein van mijn huis. Ze komt in botsing met mijn gastheerschap door zichzelf de mogelijkheid te verschaffen om zonder verdere voorwaarden bij mij in huis te komen. Zo word ik zelf naar de positie van een gegijzelde verwezen. In een democratische rechtstaat is dat niet gepast.

Wat onze overheid niet mag doen, is bij haar burgers binnenkomen zonder gegronde reden.

Nieuwe informatietechnologieën veroorzaken dilemma’s. Ze laten de scheiding tussen publiek en privé steeds meer vervagen. In een democratie is het aan de burgers om daarin hun grenzen aan te geven en de overheid richting te geven. Als je in Nederland over straat loopt kun je bijna overal zo naar binnen kijken. Mensen laten meestal de gordijnen open. ‘Ik heb toch niets te verbergen’, hoor ik ze dan denken. Breebaart stelt in haar column dat het beter is om privacy op te geven dan criminelen onze democratie te laten ontwrichten. Wat ze echter over het hoofd ziet is dat met deze wetgeving de overheid onze democratische samenleving óók ontwricht. Alsof de overheid continue naar binnen staart. De overheid houdt mij gegijzeld in mijn eigen huis. Ze ontneemt me mijn soevereiniteit als gastheer en als gevolg ontneemt ze me mijn thuis. Is dit niet een veel ergere ontwrichting van de samenleving?

De wet impliceert dus meer dan het inleveren van privacy, zoals Breebaart ons voorhoudt. Dit is daarom een goed moment voor een referendum: we kunnen nu nog aan de noodrem trekken om onze volksvertegenwoordigers er van te weerhouden slechte wetgevers te worden. We willen de gordijnen niet sluiten, maar de overheid dwingt ons daartoe. ‘Nee, ik heb niets te verbergen, dus blijf uit mijn thuis.’

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven