Flickr / janwillemsen

Nescio’s Dichtertje, Rotterdam en Puin

Als er iemand alleraardigste verhalen schrijft dan is het Nescio wel. Zijn Titaantjes en Uitvreter zijn wellicht de bekendste daarvan. In de gebundelde uitgave van deze verhalen staan zij gewoonlijk vooraan, gevolgd door Dichtertje en Mene Tekel. Op het eerste gezicht zijn de laatste twee misschien minder aansprekend, de moeite van het lezen zijn ze zeker waard.

Een beetje alsof men twaalf lolly’s achtereen eet.

Het dichtertje is een fatsoenlijk man, een romanticus en later zelfs een succesvol zakenman. Het is een fijne geschiedenis die de revue passeert, opgetrokken uit veel verkleinwoorden – vrouwtje, wijsvingertje, kamertje, lichaampje, hoofdje, oortje, richeltje, zoenkuiltje, kinnetje, neusje (jawel, wippend), raampje, peesjes en natuurlijk het dichtertje zelf. Een beetje alsof men twaalf lolly’s achtereen eet. Het hele verhaal vindt plaats onder toeziend oog van een grijsbebakkebaarde God en de Duivel. Laatstgenoemde heeft de lachers op zijn hand als hij op zijn zakhorloge kijkt en constateert dat tijd voorbij kruipt in de eeuwigheid.

Het verhaal speelt zich duidelijk af in Amsterdam. Het dichtertje loopt door de Leidsestraat en kijkt in de ogen van passerende meisjes. Hij vraagt zich af hoeveel duizenden van deze vragende oogjes hij al gezien heeft onderhand. En hoe vaak hij al gesmolten is. Maar als gezegd, het dichtertje is een fatsoenlijk man en trouwt een dito meisje, Coba. Naast zijn werk schrijft hij wat en later zal hij ook een roman uitbrengen, vernoemd naar de Mongoolse bruut Dsjengis Khan. Ondanks veler suggestie geen familie van de voormalige Mannschaftkeeper.

Het dichtertje droomt veel en is altijd een tikkie ongelukkig. Terloops haalt de verteller van het verhaal nog even die Leiden des Jungen Werthers aan om het spulletje wel in de juiste sleutel te componeren. Het dichtertje wil uiteindelijk een echt dichtertje worden en vervolgens vallen. Dat lijkt hem het allermooist. Werther wilde voornamelijk sterven toen zijn muze voor een ander viel, wat ook gebeurde. Goethe moest er destijds zelfs een ander voorwoord voor bij de tweede druk van zijn boek doen. De 18e-eeuwse puber sloeg massaal de hand aan zich zelf. Elke jongeman had kennelijk een muze die niet op hem viel. Het was een merkwaardige tijd.

Door zijn eigen fatsoen raakt het dichtertje ook een beetje teleurgesteld in zichzelf. Hij heeft een heerlijk vrouwtje en zelfs een kindje, Bobi. Maar ondertussen kijkt hij nog maar al te graag naar de lieflijke meisjes aan de overkant. Onder die meisjes is een heel bijzondere, de zus van Coba. Zij heet Dora. Eerst is Dora heel klein en zoet, het dichtertje is een lieve oom. Later valt het hem wel op dat Dora een schone blanke huid heeft en zowaar rondingen. Het verhaal dat de lezer wordt verteld beslaat jaren en eindigt met een dood dichtertje en een zwangere Dora.

Het verhaal [...] eindigt met een dood dichtertje en een zwangere Dora.

Deze beschrijving doet het verhaal natuurlijk te tekort. Het verhaal is rijk, vol, mooi, gebalanceerd. Kortom, u moet het zelf lezen om de schoonheid ervan helemaal te ervaren. Wellicht heeft u desondanks gemerkt dat ik in een enigszins laatdunkende termen over het dichtertje en zijn geschiedenis spreek. Het heeft een reden.

De verteller, van wie wij niet met zekerheid de identiteit kunnen en daarom mogen vaststellen, heeft mij diep geraakt. En ik was deze beste verteller zo gunstig gezind. Niet alleen vanwege zijn mooie verhaal, vooral vanwege zijn adagium aan het begin van het verhaal. Als in Europa al drie jaar het duivelse vuur van de Eerste Wereldoorlog woedt, schrijft Nescio de woorden bellum transit, amor manet.[1] Een traantje zwelt op in de hoek van mijn oog, het kinnetje trilt.

Maar dan. Aan het eind van het boek, in de allerlaatste alinea’s, komen de moker en de slag. Het wonderbaarlijke verhaal is bijkans op zijn trieste einde, als staat te lezen over Coba dat ‘ze in Rotterdam woont, als straf omdat zij wel eens met een ander heeft gekoketteerd toen ze getrouwd was.’ In het gezicht: waarom een straf in godsnaam? Destijds stond de stad nog fier overeind, haar inwoners eerlijk als goud, de mouwen gestroopt. Maar hier houdt het niet op.

Ook Dora, de ongehuwde moeder, is in Rotterdam gaan wonen. Of dat voor straf is laat de waarde verteller deze maal in het midden. Wel vertelt hij dat de baas voor wie zij werkt een aparte is. Hij is namelijk een Rotterdammer die ongehuwde moeders niet veracht, ‘wat iets heel bizonders is voor een Rotterdammer.’ Wat dacht de Amsterdammer dan anno 1917, zou ik hem willen vragen? En – zo zijn stelling waar moge zijn – waarom dit verschil? Ik weet het wel: zo’n bastaard is eerder het product van een slippertje met de dienstmeid in het grachtenpand, dan van de vruchtbare eendracht van een mutje havenarbeiders.

En tot besluit, immers amor manet, weet de beste de man te melden dat hoogstwaarschijnlijk ‘om dezen eenen man deze wanstaltige stad […] nog gespaard zal blijven op den grooten dag. Wat weer een nadeel is.’ Gespaard blijven op de grote dag? Welke dag? De Dag des Oordeels, de dag dat het Rode leger van Amsterdam de Stad omsingeld, de dag dat de Noord-Zuid-lijn af is? En welk nadeel heeft dit tot gevolg? Stijging van het bbp, behoud van een fatsoenlijk arbeidsethos, voorbestaan van het vruchtbaar cynisme? U ziet, er ligt een smet op het boek.

In mijn optiek zijn alle randvoorwaarden voor een gouden toekomst geschapen op het moment dat de verteller zich zo lelijk verspreekt: de misère is voorbij en – als ik het wel begrepen heb – de liefde blijft. Beter was het geweest als de verteller besloot met de mededeling dat hun beider leven eindelijk een keer ten goede genomen had. Om dan de lezer het boek te laten dichtslaan met in het hoofd Jules Deelders Rotown Magic:

Rotterdam is niet te filmen

De beelden wisselen veel te snel

Rotterdam heeft geen verleden

En geen enkel trapgevel

Rotterdam is niet romantisch

Heeft geen tijd voor flauwekul

Is niet vatbaar voor suggesties

Luistert niet naar slap gelul

’t Is niet camera-gevoelig

lijkt niet mooier dan het is

het ligt vierkant hoog en hoekig

gekanteld in het tegenlicht

Rotterdam is geen illusie

Door de camera gewekt

Rotterdam is niet te filmen

Rotterdam is veels te echt

(uit: ‘Vrijwel Alle Gedichten’, De Bezige Bij, 2004)


[1] Vrij vertaald: de oorlog gaat voorbij, de liefde blijft

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven