Flickr / Feliciano Guimarães

Nu is het tijd voor vuur

Wij zijn het ware bestaan kwijtgeraakt. Ons leven bestaat uit uiterlijke schijn, oppervlakkigheden, angsten en het zoeken naar het interessante, waar we vroeg of laat alsnog onverschillig tegenover komen te staan. “In the room the women come and go, talking of Michelangelo” schreef T.S. Eliot in The Love Song of J. Alfred Prufrock. En dat is ons leven geworden; ijdel gepraat, denkend dat we werkelijk ergens over spreken, terwijl we ons alleen maar vervelen, en die verveling nog ontkennen ook! We zijn ongelukkig, maar komen hier niet voor uit, en zoeken daarom toevlucht in de oppervlakkigheid. We denken altijd dat er nog één ding nodig is om werkelijk gelukkig te kunnen zijn, terwijl we weten dat dat niet zo is. En daarom nemen we eigenlijk altijd de houding aan van iemand die heengaat.

We denken wel dat we leven, maar de enige zekerheid die we hebben is dat we zullen sterven.

We zijn op de vlucht voor het leven, en daardoor leven we niet echt. We denken wel dat we leven, maar de enige zekerheid die we hebben is dat we zullen sterven. Iedereen wil leven, maar iedereen zal sterven, want de dood regeert het heelal. Miljoenen mensen leven om ‘de tijd te verdrijven’, om hun bestaan op aarde uit te zitten. Konden we maar werkelijk leven in plaats van dit wachten op de zekerheid van de dood, en daardoor ons hoofd wenden wanneer we met het leven geconfronteerd zouden worden. Diep van binnen beseffen we dit ook. We beseffen dat we maar één keer leven, maar daarom komen we niet eens toe aan dit eenmalige verblijf op aarde, omdat we deze tijd te kort vinden. De keuze tussen het 2+2=4 en het ‘ik wil’ is voor ons geen vrije keuze meer, omdat we onszelf door onze angsten laten leiden, en altijd de blik wenden naar datgene wat ons niet gegeven is.

In het Dagboek van Malte Laurids Bridge schrijft Rilke over Parijs: “Zo, dus hier komt men om te leven, het lijkt me eerder bedoeld als een plek om te sterven.” En is het niet zo gesteld met de mens dat dit beeld ons vreemd is geworden, waardoor we niet eens beseffen hoe ver verloren we zijn? Want we beschouwen alle oppervlakkige, tijdelijke, en schijnbaar interessante pleziertjes als datgene wat ons lege bestaan kan vullen. We beschouwen ons leven misschien juist wel als een leven dat het waard is om geleefd te worden. We vinden tegenwoordig namelijk alles interessant. Maar weten we wel wat het woord ‘interessant’ betekent?

‘Tussen-zijn’ je tussen de zaken begeven, werkelijk stil blijven staan bij een gebeuren. Voor ons is er alleen maar het ‘interessante’ als een tijdelijk fenomeen, wat wacht tot het vervangen wordt door iets anders wat tevens ‘interessant’ lijkt. We staan in de zaal waar de David staat, we zien de Duomo, maar we maken alleen een foto om later aan anderen te laten zien, en lopen door. Wat zou het mooi zijn als de zaal bij het zien van zo’n kunstwerk begint te applaudiseren. Maar dat doen we niet.

De pijn die je voelt wanneer je een rotsblok boven je hoofd ziet hangen, is veel groter dan de daadwerkelijke klap.

Er hoort zich een besef bij ons aan te dienen dat we eigenlijk helemaal geen tijd hebben om ongelukkig te zijn. We leven maar één keer, en dat is genoeg, zolang we dit maar beseffen. De mens is ongelukkig, omdat hij niet weet dat hij gelukkig kan zijn. Zolang we beseffen dat het goed is, dan is het ook goed. Denken we dat het slecht is, dan is het ook slecht. We moeten een waarheid durven zien in alles en iedereen, en ieder mens als mens beschouwen.

Zo wordt misschien wel de belangrijkste vraag die ons vandaag de dag gesteld kan worden, verkondigd in De Gebroeders Karamazow van Dostojewski: mag men de fundering voor de eeuwige gelukzaligheid bouwen op het martelen van één klein onschuldig zieltje? In ons huidige calcurende denken zouden we wel huiveren bij het horen van zo’n vraag, maar we zouden het wel doen. Want we denken alleen maar aan onszelf, en kunnen niet meer werkelijk liefhebben. Ieder liefhebben wordt overheerst door het zelfzuchtige, en door het oordelen, dat inmiddels intrinsiek is geworden aan de menselijke zijnswijze. Heidegger stelt dat we in het tijdperk van het calculerende, en het wetenschappelijke denken verstrikt zijn geraakt, waarin de mens misschien zelfs wel de belangrijkste grondstof is geworden. Alles is een object geworden voor ons subject, en dient als een middel voor ons doel.

Konden we maar anders denken, dan zouden we misschien gered zijn. Hölderlin schreef eind 18e eeuw in Der Ister: “Jetzt kommt feur.” Tweehonderd jaar later is het vuur nog steeds niet gekomen, omdat we het werkelijke liefhebben nog niet ontdekt hebben; de werkelijkheid, het bestaan, en de mens liefhebben vanuit het liefhebben zelf. We moeten willen leven, in plaats van weten dat we zullen sterven.

In De Idioot van Dostojewski wordt door prins Mysjkin een verhaal verteld. Zo vertelt hij van een executie die hij heeft meegemaakt in Lyon. Mysjkin stelt dat de executie niet hetgene is wat het ergst is, maar dat wat ervoor gebeurt. Wat gebeurt er in de ziel als je zo zeker weet dat je over een uur, over een half uur, over een minuut zal sterven? Niets is erger dan zeker weten dat je dood zult gaan. Hij zegt dat wanneer een moordenaar voor je staat met een mes, je hoop blijft koesteren dat je gered zal worden. Maar wanneer je het doodsvonnis opleest, wat je dood beslist en zeker maakt, dan lijdt je veel erger; dan zal je geen hoop meer koesteren. Het lijden vanaf het moment dat de dood wordt beslist, is veel erger dan de pijn op het moment dat je daadwerkelijk sterft. De pijn die je voelt wanneer je een rotsblok boven je hoofd ziet hangen, is veel groter dan de daadwerkelijke klap.

We kunnen werkelijk leven, door lief te hebben, door het leven te omarmen.

Zo is er ook iemand die na twaalf jaar in de gevangenis te hebben gezeten, weet dat hij over vijf minuten zal sterven. Zo neemt hij twee minuten om afscheid te nemen van zijn vrienden, twee minuten om over zichzelf na te denken, en één minuut om de wereld te zien. En hij weet zo zeker dat hij in die korte tijd nog zoveel kon doen en dat als hij nu niet zou sterven, hij dan werkelijk zou gaan beginnen met leven, en iedere minuut tot een eeuwigheid verklaren. Zijn straf werd op dat moment verzacht en hij mocht gaan. En, heeft hij werkelijk geleefd daarna? Heeft hij iedere minuut zo benut dat het een eeuwigheid werd? Nee, dat heeft hij niet gedaan, hij heeft veel van zijn leven weggegooid.

Ja, en misschien zijn we ook wel verloren, en zijn we simpelweg te zwak. Maar waar het gevaar is, daar groeit het reddende ook, schreef Hölderlin. En daarom zullen de schoonheid en de liefde de wereld redden, want verder is er niets wat dat zou kunnen. We kunnen werkelijk leven, door lief te hebben, door het leven te omarmen, en door niet ons heil te zoeken in oppervlakkigheid en tijdverdrijf. Maar door werkelijk ‘ja’ te durven zeggen tegen het leven zelf, en te beseffen dat één keer leven genoeg is, zolang we er maar zijn om te beseffen dat het leven goed is, want dan is het ook goed.

Gerelateerde artikelen
Reacties
4 Reacties
  • Beste Dylan,

    Ik snap nog niet goed waar je naar toe wilt als je zegt dat we 'ja' moeten zeggen tegen het leven. Hoe kun je als mens werkelijk leven 'door lief te hebben, door het leven te omarmen, en door niet ons heil te zoeken in oppervlakkigheid en tijdverdrijf'? Hoe onderscheid je het 'oppervlakkige' van het 'ware' leven? Je zegt 'zo lang we er maar zijn om te beseffen dat het leven goed is, want dan is het ook goed'. Dat komt op mij over als een passieve en vrij oppervlakkige gemoedstoestand. Of moeten we wachten tot de schoonheid en de liefde de wereld komen redden? Tegen wat zeggen we dan precies 'ja'?

    Groet, Tommi

  • Het beseffen dat het goed is, in tegenstelling tot bijvoorbeeld (hoe sartre het zou aanduiden) mauvaise foi, is juist de ultieme affirmatie. Denk ook aan Nietzsche's amor fati en het idee van het esthlos. Het absolute houden van alles wat mij overkomt, juist omdat het mij overkomt, is juist het moeilijkste wat er is. En lijkt me ver verwijderd van een oppervlakkige zijnswijze. Het beseffen dat het goed, is juist de ultieme affirmatie. En dat is de liefde en de schoonheid; het 'kunnen' houden van het bestaan, het goede kunnen zien in een wereld die brand, is precies het ja-zeggen. En ik heb weinig mensen meegemaakt die het konden.

  • De regel uit het gedicht van Hölderlin is: 'Jetzt komme, Feuer'. Dat is een Konjunktiv I.  Dat geeft ook een iets andere betekenis aan die regel dan de betekenis waarin hij hier wordt gebruikt. Verder zitten er twee e's in het woord Feuer en schrijf je zelfstandig naamwoorden in het Duits altijd met een hoofdletter.

  • Juist de Russen leren ons te leven. je leeft maar 1 keer. dus leef.haal er alles uit,heb respect voor de wereld en je omgeving. Maar kies voor het leven ,kies voor  de liefde  en  accepteer de werkelijkheid.

    het is niets meer en niets minder. alleen jij  bepaalt hoeveel geluk je toelaat in je eigen leven.

    Als dat maar een beetje lukt, ben je vrij en  kun  je dus gelukkig zijn!

     

     

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven