Flickr / Spyros Papaspyropoulous

Om je niet dood te vervelen

Stil de tijdJoke Hermsen2009
Zeitgemäßes über Krieg und TodSigmund Freud1915
Plutôt la vieAndré Breton1923
Sherlock HolmesMark Gatiss2010
Uit vervelingAwee Prins2007

Op een augustusdag in 2013 schoten drie tieners in Oklahoma op klaarlichte dag een man dood die ze niet kenden. Gevraagd naar het motief antwoordde één van hen het uit verveling gedaan te hebben. Hetzelfde motief voerden de zes tieners aan die in 2010 een 25-jarige pizzachef doodstaken in Connecticut. Ook de 21-jarige Lewis Peschet, die in 2012 in Frankrijk een zeventienjarige scholiere doodde, zei zich te vervelen en te moorden om iets te kunnen voelen.

Dit doet denken aan de hoogbegaafde topcrimineel Moriarty uit de BBC serie Sherlock Holmes: als het hem zonder al te veel moeite is gelukt de net zo begaafde detective in de luren te leggen, wanhoopt hij erover dat zelf dat een saaie bezigheid bleek. Moriarty pleegt de meest waanzinnige misdaden alleen uit verveling, zo lijkt het. Maar fictie is hier toch vooral een bizarre vertekening van de werkelijkheid. Alleen iemand die voorzien is van de absurde intelligentie waarmee de serie-makers hun protagonisten tot brainy superhelden opblazen, zal uit zuivere verveling een wereldomspannend crimineel netwerk opzetten en zichzelf doden om zijn spelletje te voltooien. De tieners uit Oklahoma daarentegen kunnen op levenslange gevangenisstraffen rekenen. Voor hen zal de ondraaglijke verveling van een zomermiddag leiden tot de oneindige verveling van een levenslange gevangenisstraf.

De ‘grondstemming’ van de samenleving leidde tot een redeloze moord

Een duidelijk christelijk gemotiveerde duiding van de zaak uit Oklahoma wees al snel naar de onzalige invloed van de populaire cultuur, waarbij vooral rapmuziek, materialisme en tv-entertainment de jongens ieder besef van de waarde van het menselijke leven zouden hebben ontnomen. Een dergelijke cultuurkritische ondertoon is ook te vernemen bij een vervelingsdenker als Awee Prins, die nooit nalaat te benadrukken dat onze hectische zoektocht naar tijdverdrijving – van vakanties tot bungeejumpen – toch vooral vergeefse pogingen zijn om aan de verveling te ontkomen. In plaats van te jagen op snel vermaak, zouden we moeten ‘verwijlen bij de dingen’. Hoezeer daar ook iets inzit, leidt dit type denken toch tot een wat moeizame conclusie. De tieners in Oklahoma hadden volgens deze interpretatie bij de dingen moeten ‘verwijlen’. Hun slachtoffer stierf als gevolg van een vals begrepen verveling. De ‘grondstemming’ van de samenleving leidde tot een redeloze moord.

Het lijkt me dat er in het geval van de tieners uit Oklahoma veel meer aan de hand was dan alleen verveling, of dat er met verveling meer aan de hand is dan men denkt. Het kan natuurlijk een soort misplaatste bravoure zijn geweest om zo’n ontstellend plat motief voor een moord te geven. In ieder geval spreekt uit de bekentenis dat het doden van een ander voor deze persoon een legitieme manier was om verveling te verdrijven. Maar dat de tiener een moord als legitiem tijdverdrijf ziet, komt niet voort uit verveling als zodanig.

Filosofe en schrijfster Joke Hermsen beschrijft in Stil de tijd hoe een vervelingsfilosoof als Lars Svendsen pleit voor het volledig aanvaarden en verduren van verveling. De leegte van het nietsdoen opent dan de ruimte voor creativiteit en nieuwe inzichten. Zagen deze jongens zich geconfronteerd met die leegte en deden zij daaruit het inzicht op dat het juist was om een mens te doden? Of aanvaardden zij hun verveling niet diep genoeg? De vervelingsfilosoof zal dat laatste moeten bepleiten. Maar wie bepaalt of de mate van aanvaarding toereikend is? Beide interpretaties zijn nogal ongemakkelijk. Het ongemakkelijke lijkt te worden veroorzaakt door de introductie van de dood. Het was bekend dat men zich dood kan vervelen, en deze stemming biedt zich aan om befilosofeerd te worden. Nu echter blijkt dat het ook mogelijk is om een ander dood te vervelen, cru gezegd. Het is die uitdrukking zelf, zo vaak en zo terloops gebezigd, die doet vermoeden dat er een speciaal verband bestaat tussen de dood en verveling, en de vervelingsmoordenaars zijn op die zomerdag in een fatale transgressie uit dat verband gesprongen.

We voeren onze driftonderdrukking uit om productieve subjecten te worden

In zijn essay Zeitgemäßes über Krieg und Tod uit 1915 stelt Freud dat men door de oorlog ontdaan is van een illusie, de illusie dat de dood er niet is. In het dagelijks leven is de dood iets onvoorstelbaars, of, zoals Freud het zegt, niemand gelooft in zijn eigen dood. Onder de omstandigheden van de burgerlijke maatschappij betekent dat ook dat niemand echt in zijn eigen leven gelooft. ‘Het leven verarmt, het verliest aan belang, wanneer de hoogste inzet in de levensspelen, juist het leven zelf, niet gewaagd mag worden’. Het is veelzeggend dat Freud het werkwoord ‘mogen’ gebruikt.

De samenleving verwacht van ons, dwingt ons, onze natuurlijke driften te onderdrukken en om te vormen tot sociale neigingen, maar geeft daar weinig voor terug in. In plaats daarvan leven we een verarmd leven dat ertoe gemaakt is te voldoen aan de cultuurnormen van onze samenleving. In het geval van onze huidige tijd houdt dat met name productiviteit in neoliberale zin in. We voeren onze driftonderdrukking uit teneinde productieve subjecten te worden. De conventionele omgang met de dood die hieruit volgt, bestaat er volgens Freud in dat we die ontkennen en zo veel mogelijk vermijden. Het wagen van ons leven beperkt onze productiviteit en is om die reden een probleem. Ter compensatie storten we ons in fictionele voorstellingen van mensen die nog weten wat het betekent het eigen leven te wagen, en sterven zo duizendmaal in de identificatie met onze helden, zonder zelf ooit in gevaar gekomen te zijn.

De moderne nervositeit die Freud behandelde, en in het verlengde daarvan de ‘existentiële crises’ waarmee onze generatie zich geplaagd ziet, is dus een bij uitstek bourgeois probleem. Het is een probleem dat alleen kan ontstaan wanneer de voorwaarden van het leven al volledig onder beheersing zijn gebracht. Het enige wat ons dan nog kan terugvoeren tot de onmiddellijke zin van een leven in de schaduw van de dood, is fictie. Alleen met geweld lukt het onze driften te onderdrukken en die repressie lang genoeg in stand te houden om productieve burgers te kunnen zijn. Gecorreleerd aan die repressie is het geweld van natuurbeheersing waarop onze overvloed gebaseerd is en de wereldwijde machtsverhoudingen die die overvloed in stand houden. Juist het geloof in onze onsterfelijkheid – iets wat Freud als een fundamentele eigenschap van onze psyche beschouwt – maakt het mogelijk om ons leven te wagen.

Acceptatie van de verveling is indirect een identificatie met het geweld

Maar wanneer het geanonimiseerde geweld van slachthuizen en drone-oorlogen onophoudelijk onze dood weert, wordt juist onze sterfelijkheid voortdurend benadrukt als iets wat nadrukkelijk ontkend moet worden. Deze afweer van de dood leidt tot verveling als de dood in het leven. In onze uiterste verveling zoeken we de dood terug in fictie. Vervelingsfilosofen hebben dus wel gelijk dat de entertainmentindustrie, oftewel fictie, onze verveling nooit duurzaam zal verdrijven, maar die constatering heeft iets banaals wanneer ze niet tot de mogelijkheidsvoorwaarde van die verveling doordringt. Deze lijkt me te bestaan in het geweld. En hoewel de diepste verveling ons misschien oog in oog zal brengen met de verbannen dood, zal ze niet het geweld laten zien dat daar weer onder ligt.

Acceptatie van de verveling is daardoor indirect ook een identificatie met het geweld. Die houding veronderstelt dat het echt zo is dat het leven geen zin heeft, terwijl ook dat slechts een fictie is om het leven stiekem toch weer interessant te maken. De jongens in Oklahoma hadden op een verontrustende manier gelijk toen zij bedachten dat het de dood is die het leven weer interessant zou maken – maar het had hun eigen dood moeten zijn die gewaagd werd. Dat wil zeggen, het leven is altijd al zinvol. Maar dat betekent niet dat het volstaat ons te bezinnen. Het verzinken in de acceptatie van onze eindigheid, zoals Prins voorschrijft, is het recept voor een politieke lethargie die veel schadelijker is dan de verveling zelf. Het gedwongen maandenlange nietsdoen van de duizenden asielzoekers op de Griekse eilanden zou vanuit dat perspectief de ideale omstandigheid zijn om over het bestaan en het menszijn na te denken, al zijn er op een eiland niet veel dingen om bij te ‘verwijlen’. De werkloze jeugd van Zuid-Europa zou een volk van profeten zijn als de mateloze verveling van een uitzichtloos bestaan een indruk gaf van het ‘werkelijke zijn’.

Een vrije verhouding tot de zinnigheid van het leven kan niet bereikt worden

Verveling kunnen we pas accepteren als we haar grondslagen hebben verworpen. Die grondslagen bestaan in de gewelddadige verdrijving van de dood onder het banier van het burgerlijke leven. Het is alleen dat leven dat doet alsof het leven zinloos is, en daardoor ‘idealen’, ‘waarden’ en ‘verworvenheden’ of ‘bezinning’ nodig heeft om aan zijn zelfgeschapen leegte te ontkomen. Een vrije verhouding tot de zinnigheid van het leven kan onder de huidige omstandigheden niet bereikt worden zonder de status quo te bevestigen die het probleem veroorzaakt. Er is daarom een strijd te voeren om die omstandigheden te veranderen. En ik beloof u dat die zo lang zal duren dat niemand ooit nog de tijd heeft om zich te vervelen. Plutôt la vie, de titel van het gedicht van André Breton werd tijdens mei ’68 in Parijs op de straatmuren gesprayd, liever het leven, of veeleer het leven, La vie de la présence rien que de la présence, dat is de leus van die strijd.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven