Wikimedia Commons

Omphalos

‘Jij maakt me. Je maakt me zo dat ik dingen wil die ik bijna kan aanraken. Ik voel ze tussen mijn vingers wegglippen. Met de maan mee. Als de nacht die ons het getij tijdelijk geeft, waarna ze het onverbiddelijk ons ontdoet. In de wereld waar ik jou simpelweg aanspreek. Waar ik gelukkig blijk. Waar mijn hok van slot is ontsloten, daar dans ik vrijuit rond. Omdat ik voor jou ben, hoe jij voor mij centraal staat. Als een waterput in een vergeten dorp aan het einde van de wereld. Daar alleen, met harten in elkaar verscheurd. Opdat er na dit alles absoluut niets meer mag zijn.’

Haar simpele, doffe lippen raak ik aan. Ze is een rechte lijn die naast mij in een ruimte van duisternis woedt. De kennismaking was kort. Niets aan haar is mooi. Ze interesseert mij niet. Haar ogen zijn verveeld en haar spleet te groot, te nat. Moeder van mijn kinderen, u stal mijn jeugd. Als ik ooit in deze hel mag sterven doe ik dat in het minst voor haar. Dat weet ik zeker. Ik leg haar foto weg en haal mijn bajonet van mijn geweer. De duisternis omringt ons. Slechts de vage lucht van mosterdgas en de geluiden van verdriet staan mij bij. Het is mijn beurt om te slapen. Maar slapen doen we nooit meer. Als ik opzij kijk zie ik mijn zogenoemde kameraden, denkend aan huis. Aan de simpele dingen. Ik voel een brand in mij woeden, groeiend met de minuut. Onze laatste slag. Onze triomf, gedrenkt in zaligheid. Ik geef nog liever mijn oneindig leven aan de kogels van de vijand dan aan de hartenwens van onze commandant. Mijn kameraden kijken mij niet aan. Niemand hier kijkt elkaar aan. Ik kruip tegen de loopgraaf op en zie de velden van Ieper languit gestrekt voor mij. De grauwe leegte vult een eindeloos geluid van prachtig onheil. Hellevuur noemen ze het, de Britten. We hebben de Lys achter ons. Ze zijn verdomd dichtbij.

Die geallieerde zwijnen weten vast niet wat ze zien.

Mijn lichaam beweegt nu zonder mij. Langzaam sta ik op, ik gooi mijn geweer op de grond en trek mijn bajonet. Zonder om te kijken ren ik richting de zwarte leegte die net zo goed mijn bestaan had kunnen zijn. Die geallieerde zwijnen weten vast niet wat ze zien. Ik gooi mijn helm van mij af, het gewicht houdt mij tegen. Met het bajonet geheven schreeuw ik boven mijn longen uit, “VOOR HET GODVERDOMDE KEIZERRIJK, VOOR MIJN HOMOFIELE VADER!” Mijn voeten zweven over een mijnenveld van prikkeldraad en vermoorde kameraden. Een enkel schot klinkt uit over de tergende stilte. De kogel smaakt zoet, mijn aderen verwarmen. Het is maar mijn arm. Ik ren door, sneller nu. Ik laat mijn bajonet vallen en sprint richting hun kant. Het geluid van de Chaucat nadert nu met mijn laatste adem. Mijn laatste gedachte. Kruislings loop ik door het slagveld, Hellevuur. Ik hoor de mijn nog net klikken, ik zie de grond onder mijn voeten exploderen. Ik ben eindelijk vrij. Waarin geen enkel woord verspild, mijn hart in rijkdom gebleven, lig ik half gaar en half bevroren op de grond van Ieper. Het geluid, herhaald tot in de machine van tijd, legt mij neer in de zee. Bevrijd en vredig zal ik glimlachend ten onder gaan. Het enige wat ik achterlaat is een spoor van bloed en tranen. Haar foto ligt op de grond. ‘Op dat er na dit alles niets meer mag zijn’, fluister ik ten slotte.

Een maand later was de oorlog voorbij.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven